Adder onder het kunstgras; Probleem der hockeyblessures is nog lang niet doorgrond; In onderzoek TNO blijft rol van het schoeisel onderbelicht

Hockeyend Nederland is in de jaren tachtig slapend het kunstgras opgestapt en heeft zich sindsdien door het toenemende aantal blessures niet wakker laten schudden. In hoeverre hebben pezen, spieren en gewrichten te lijden van het vootdurend bonken op een meedogenloze bodem? Sinds het recente onderzoeksrapport van TNO is meer bekend over de complexe relatie tussen hockeyblessures en de harde mat. Een belangrijke conclusie van het onderzoek luidt dat kunstgras relatief, dus rekening houdend met het verhoogde aantal speel- en trainingsuren, geen extra blessurerisico oplevert. Andere conclusie: de blessureproblematiek vertoont geen opvallende relatie met de schokdempende of verende eigenschappen van het kunstgrasveld. Enkele conclusies van het onderzoek zijn discutabel, voorts blijft nog veel niet onderzocht blessureleed verborgen.

ROTTERDAM, 25 JUNI. Kunstgras heeft het hockeyspel in technisch en tactisch opzicht fundamenteel veranderd. De harde, egale bodem heeft het spel veel sneller gemaakt. De op natuurgras gehanteerde harde klap naar de hoekvlag heeft op het tapijt geen enkele zin: de bal rolt domweg uit. Terwijl vroeger de goed bedoelde pogingen vaak stuitten op een gemeen graspolletje, behoeft op kunstgras de stick maar tegen de grond te worden gedrukt om de bal te stoppen. De techniek is in zeker opzicht gemakkelijker geworden, maar daar staat een aanmerkelijke verhoging van de handelingssnelheid tegenover. Hoewel enige ruimte is gebleven voor een individuele actie, zijn lange solo's vrijwel verdwenen. Het is meestentijds effectiever de bal via zich snel verplaatsende schijven naar de vijandelijke cirkel te dirigeren.

De aanleg van het eerste kunstgrasveld (Kampong, 1976) betekende de stoot tot verzakelijking: hockey ontwikkelde zich in korte tijd van een elitair spel tot een volwaardige sport. De eerste exemplaren waren van het type vol-kunststof. Ze hadden een goed verzorgde vering, maar de aanleg was, mede als gevolg van de hoge vezelprijs, voor een amateurclub bijna onbetaalbaar: ruim een miljoen gulden. Bovendien moesten ze worden natgesproeid om stroefheid en brand- en schaafwonden als gevolg van een val te voorkomen.

In het begin van de jaren tachtig deed een nieuw procede, het zand ingestrooide kunstgras, zijn intrede. Dit hardere type was goedkoper.

Na een experimenteerfase bedroeg de prijs slechts de helft van die van de eerste editie; de minder dichte, dus minder dure vezels werden door de zandkorrels overeind gehouden. Een nadeel was echter de schaafwond.

De zand ingestrooide mat was eerder ontwikkeld voor de tennissport, maar zij leek nu ook geshikt voor hockey. De 'zandmat' verwierf zich grote populariteit. Door de voortdurende beschikbaarheid van het veld konden het aantal trainingen en de trainingsintensiteit drastisch worden opgevoerd.Er zijn nu zo'n 325 kunstgrasvelden in Nederland, vrijwel allemaal zand ingestrooid. Vier van de vijf clubs beschikken er over.

Een goede kunstgrasspeler wordt in staat geacht in volle ren de bal aan te nemen, onder controle te brengen en een pass te geven naar een medespeler. Hockey is met dat slagwapen in de hand toch al een spel met een asymmetrisch bewegingspatroon, maar op kunstgras komt de speler vaker dan op natuurgras in een ongunstige lichaamshouding, want alle handelingen geschieden op snelheid en onder weerstand.

Kunstgrashockey op niveau vereist dan ook lenigheid, wendbaarheid, explosieve snelheid, kracht en een ijzeren conditie. Lag bij het natuurgras het accent op de handigheid waarmee de bal werd beroerd, hockey op kunstgras vereist daarboven atletische vaardigheden in het algemeen en 'loopvermogen' in het bijzonder.

Op kunstgras wordt voortdurend met grote snelheid van richting veranderd. De dwang om in een beperkte ruimte te manoeuvreren leidt tot een voortdurend wenden, wegsprinten, afremmen, starten en versnellen. Op het langzame, prettig verende natuurgras, mits egaal en goed geschoren, vormt dat geen bovenmatig fysiek probleem, maar op de harde kunstgrasbodem vergt dat het uiterste van spieren, pezen en gewrichten.

Terwijl de proliferatie van kunstgras in de jaren tachtig in volle gang was, hoopte zich over de nieuwe veldsoort een breed assortiment van meningen op. Het aanvankelijke enthousiasme werd getemperd door ongerustheid over het aantal blessures. Coaches en trainers van de topelftallen zagen tegen de winterstop en aan het eind van het seizoen hun kernploeg door blessures uitgedund. Zij signaleerden een verschuiving in het blessurepatroon: vn acute natuurgras-blessures (botsing, verstappen, opspringende bal) naar slepende, chronische blessures. Oorzaak: overbelasting, ofwel een te frequente of te langdurige blootstelling aan de harde ondergrond; een te hoge expositie. Anderen drukten hun bezorgdheid uit over de wildgroei aan schaafwonden op de met zand ingestrooide mat.

De meeste topspelers gaven de voorkeur aan het vol-kunststofveld, waarop de bal zo lekker aan de stick bleef; dat type veld was alleen hier en daar in de hoofdklasse te vinden. De spelers van de lagere elftallen merkten tot hun genoegen dat het stoppen van de bal geen onoverkomelijk probleem meer opleverde, hetgeen de spelvreugde vergrootte. Er waren er ook, meestal de ouderen, die de stick in de kast zetten; zij worstelden na het weekeinde met pijn in onderrug, knieen of enkels. Sommigen van hen schaarden zich des zondags hinkend langs de lijn, waar zij weemoedige gedachten uitwisselen over de goede oude tijd waarin je het gras nog kon ruiken.

Ook aan het jeugdfront groeide de klachtenlijst. Zou er in de groeifase niet sprake zijn van intolerabele gewrichtsslijtage? Niemand wist het. Zeker was dat de topjeugd verschijnselen van overbelasting vertoonde. Ook hier verwierven zich het letsel aan de achillespees, aan de peesaanhechting in de voetzool aan het hielbeen, de shin splint ('springscheen') en de apexitis patellae ('springknie') een vooraanstaande positie. Genazen deze blesures meestal door rust, ernstiger was het scheuren of knappen van de knieband door een verdraaiing van de knie. Wie er oog voor had, ontwaarde bij jeugd een zorgwekkende opmars van de kniebrace, een weinig esthetisch apparaat dat de functie vervangt van de verwoeste of geopereerde knieband.

Weinig onenigheid was er slechts over de constatering dat de wachtkamer van de fysiotherapeut voller werd naarmate het aantal kunstgrasvelden toenam. Wat de neiging versterkte het sala aan blessureleed - ernstige kwetsuren, chronische en acute letsels, lichte blessures - aan 'het kunstgras' toe te schrijven.

Ook de overheid heeft zich de materie aangetrokken. Langdurig op de hielen gezeten door de medische commissie van de KNHB en beklemd door de financiele gevolgen van sportblessures in het algemeen, heeft zij opdracht gegeven de hockeyblessures te onderzoeken. Het Nederlands Instituut voor Praeventieve Gezondheidszorg TNO heeft het afgelopen jaar dan ook, met financiele steun van het ministerie van WVC, gewerkt aan een rapport dat zicht moest geven op “het vermoeden dat op kunstgras mogelijk meer, andere en wellicht meer ernstige blessures optreden dan op natuurgras”. Doel was het verzamelen van “basisinformatie over praevalentie, incidentie, lokalisatie, aard en ernst” van hockeyblessures. Het enige tijd geleden verschenen rapport vormt de neerslag van een uitgebreide enquete die per opgestuurde vragenlijst werd gehouden; de formulering van de vragen kwam in samenwerking met de medische commissie van de KNHB tot stand.* In totaal werden 3026 spelers en speelsters van de zogenoemde standaardteams - de eerste seniorenteams - aangeschreven. Zij werden in drie categorieen ingedeeld: de hoofd-, overgangs- en eerste klasse (topniveau), de tweede klasse (middenniveau) en de vierde klasse (laagste niveau). Dit laagste niveau was aantrekkelijk, aangezien slechts een deel van de vierde-klasclubs ovr een kunstmat beschikt. Zo konden de daar op beide veldsoorten opgelopen blessures met elkaar worden vergeleken.

Van de 2025 teruggestuurde vragenlijsten bleken 1891 aan de eisen te voldoen. De gegevens van die 1891 personen, 944 vrouwen en 947 mannen, werden nader tegen het licht gehouden. De enquete richtte zich op de periode '89-'90. Onder blessure werd verstaan een letsel opgelopen tijdens training of wedstrijd, waardoor men deze training of wedstrijd moest staken en-of waardoor men niet aan de eerstvolgende training of wedstrijd kon deelnemen. Wie ten minste drie weken tot sportverzuim was gedwongen, belandde in de categorie 'ernstige blessure'.

Het onderzoek levert enkele verrassende gegevens op. Het risico van een blessure wordt primair bepaald door de expositie - de mate van blootstelling aan het kunstgras. De hoeveelheid letsels is het grootst op het hoogste niveau (hoofd-, overgangs-en eerste klas). Wanneer het aantal blessures echter wordt berekend over duizend hockey-uren, als dus rekening wordt gehouden met de expositiefactor, wordt dat verschil grotendeels opgeheven. Hoe vaker op het kunstgras, des te groter de kans op een blessure en het spelniveau is daarbij betrekkelijk verwaarloosbaar. Ook verschillen in geslacht, leeftijd en ervaring vallen, in dit relatieve licht bezien, grotendeels weg.

Bijna veertig procent (mannen 42, vrouwen 36) van de onderzochte groep raakte in het vorige seizoen ten minste eenmaal geblesseerd.

Wedstrijden leverden, wederom over duizend uur gerekend, bijna driemaal zoveel blessures op als trainingen. Een aardig gegeven voor de overheid: het gemiddelde school- of werkverzuim als gevolg van een blessure lag in de onderzochte periode tussen een en twee dagen; zij die verzuimden deden dat gemiddeld elf dagen (mannen negen, vrouwen dertien). Saillant: meer dan de helft van de geblesseerden gaf aan weer te zijn gaan traine of spelen terwijl de blessure “niet of slechts gedeeltelijk” hersteld was.

De knie wordt als het meest op natuurgras geblesseerde lichaamsdeel op kunstgras voorbijgestreefd door de enkel. Niet zo verwonderlijk omdat tijdens de schermutselingen veelvuldig op voet, stick en vooral bal wordt gestapt; die worden op natuurgras de grond ingedrukt, maar blijven op de kunstgrasbodem als hard obstakel overeind. De meest geblesseerde lichaamsdelen zijn enkel (21 procent), knie (18), bovenbeen (14) en vingers (7).

Meer dan vijftig procent van de ondervraagden legde de loop- of conditietrainingen op het kunstgras af, hetgeen door veel coaches en (loop)trainers, uit vrees voor overbelasting, juist sterk wordt ontraden. Het meest verrassend is wat in de vergelijking tussen natuurgras en kunstgras boven water kwam: geleidelijk ontstane, chronische blessures scoren op kunstgras 19 procent, aanzienlijk lager dan door veel professioneel betrokkenen werd verwacht. Juist acute blessures worden er vaak (77 procent) opgelopen. “De achtergrond- oorzaak van chronische blessures”, aldus het rapport, “zou dus eerder in andere factoren gezocht kunnen worden, bijvoorbeeld trainingssamenstelling, doorspelen bij beginnende klachten, gebruikte ondergrond voor conditietrainingen, schoeisel, looptechniek, etc.”

De 'belangrijkste conclusie” is dat, “kunstgras op zich geen extra blessurerisico per 1000 uur hockey per persoon veroorzaakt”. En voorts “dat de blessureproblematiek op kunstgras niet zozeer gerelateerd lijkt te zijn aan de technische eigenschappen van het kunstgrasveld op zich (zoals demping, veerkracht en wrijving), maar aan de gebruiksmogelijkheden, in concreto de hoge mate van bespeelbaarheid en de snelheden die op kunstgras kunnen worden bereikt.” Er dient voorzichtigheid worden betracht, bijvoorbeeld bij overschakeling van natuur- op kunstgras, maar er is “geen dwingende reden het gebruik van kunstgras voor veldhockey af te raden”.

Het zou niet verbazingwekkend zijn als deze conclusies in de directiekamers van de kunstgrasindustrie een beschaafd applausje hebben doen opklinken, maar het is de vraag of de licht geruststellende toon die het rapport geeft, juist is. Om met een flauwe, maar niet onjuiste constatering te beginnen: duizend van de 3.000 aangeschrevenen zonden hun formulier niet terug. De nauwkeurigheid zou groter zijn geweest als de mening van alle aangeschreve(JHnen zou zijn gepeild. Vervolgens moet bij een terugvraagperiode van een jaar, zo schrijven de onderzoekers, rekening worden gehouden met de feilbaarheid van het geheugen. Er zullen er maar weinigen zijn die bijvoorbeeld acht maanden na een lichte blessure zich het aantal dagen van sport- of werkverzuim zullen herinneren. Waarbij het gebrek aan medische kennis van de geblesseerde als extra vervalsende factor om de hoek komt kijken. Het gaat hier dan ook, aldus de onderzoekers, om een globale beschrijving van het probleem.

De meest spectaculaire conclusie van het rapport is het in verhouding geringe aantal chronische kunstgrasblessures. Spectaculair, omdat onder kenners al geruime tijd het sterke vermoeden heerste dat het kunstgras juist het aantal chronische blessures had doen toenemen; zij schreven dit toe aan de harde ondergrond. Wat zou nu de reden kunnen zijn dat in het rapport dat vermoeden wordt vermorzeld, en dat in de blessureproblematiek aan de hardheid van de bodem een ondergeschikte rol wordt toegedicht?

De sleutel ligt in de vergelijking tussen kunstgras- en natuurgrasblessures. Die vergelijking moest zich zoals gezegd beperken tot de vierde klas, omdat daar nu eenmaal - ongeveer in de verhouding half-half - nog op beide veldsoorten wordt gespeeld. Die gedwongen beperking draagt een zwakte in zich, die het blessurebeeld ernstig kan vertekenen.

Natuurgrasvelden mogen onderling verschillen, dit geldt evenzeer voor kunstgrasvelden. Al het kunstgras is in het rapport echter over een kam geschoren. Er wordt dus geen onderscheid gemaakt tussen de vol-kunststofvariant en de zand ingestrooide versie, en evenmin tussen de verschillende zand ingestrooide types onderling. Ook die laatste wijken, onder andere wat schokdempend vermogen betreft, aanzienlijk van elkaar af, niet het minst doordat de laatste jaren een zachtere versie in de handel is waarbij aan de lava-ondergrond een mengsel van gemalen autoband wordt toegevoegd. In het rapport is evenmin de kunstgras-leeftijd betrokken - een pijnlijk gemis, aangezien de kunstmat nu eenmaal de onaangename gewoonte heeft bij het ouder worden aan hardheid te winnen. Kunstgras is net kaas: hoe jonger, hoe zachter.

Hiervan uitgaande ligt dan ook de veronderstelling voor de hand dat de kunstgrasvelden in de vierde klas - in het algemeen jonger dan die in de hogere niveaus - beter verend zijn dan de gemiddelde kunstgraspopulatie. Dat zou het kunstgras in een vergelijking met het natuurgras een te voordelige positie verschaffen, en een te gunstig beeld geven van het aantal chronische kunstgrasblessures. Nu zou deze onevenwichtigheid weer kunnen zijn genivelleerd door een evenredig betere kwaliteit van het natuurgras in de vierde klas. Dit laatste is niet aannemelijk, maar is evenmin onderzocht (en valt ook vrijwel niet te onderzoeken).

De juistheid van de veronderstelling is niet te verifiren, maar zij biedt voldoende aanleiding om aan de in het rapport gemaakte vergelijking tussen kunstgras- en natuurgrasblessures een bescheiden waarde toe te kennen. Een blessurevergelijking tussen de beide veldsoorten in de vierde klas moge helderheid verschaffen over wat zich in die vierde klas afspeelt. Maar het is nogal overmoedig daaraan in het algemeen de conclusie te verbinden dat “hockey op kunstgras per 1000 uur” geen groter blessurerisico inhoudt dan hockey op natuurgras.

Schoeisel, aldus het rapport, speelt waarschijnlijk slechts een beperkte rol bij blessures op kunstgras, “in die zin dat geen samenhang aantoonbaar is tussen een bepaald type schoen en zool en het risico op blessures aan de onderste ledematen”. Die samenhang is moeilijk aan te tonen. Regelmatig wordt met tromgeroffel de zoveelste nog betere kunstgrasschoen gebaard. Maar er is geen schoen die voldoet aan een hoge standaard van steun, schokdemping en slijtvasthid. Met het gevolg dat de topspeler respectievelijk vaak naast zijn schoenen loopt, aangewezen is op een inlegzooltje, of na enkele weken met twee gerafelde vodden zit opgescheept. Zo zagen de onderzoekers zich gedwongen een wel zeer ruwe tweedeling te maken: een schoen met een zool dikker, en met een zool dunner dan een centimeter. Daartussen werden, wat blessures betreft, geen opmerkelijke verschillen aangetroffen.

Terwijl de bodem waarop en de schoen waarin men staat de twee enige factoren zijn die dempin en wrijving bepalen, moet dus worden geconstateerd dat in het onderzoek niet alleen alle kunstgrasvelden met hun varierende demping op een hoop zijn gegooid, maar dat ook het schoeiselprobleem nog recht overeind staat. Dat ontneemt toch wel enig gezag aan de conclusie van het rapport dat “de blessureproblematiek op kunstgras niet zozeer gerelateerd lijkt te zijn aan de technische eigenschappen van het kunstgrasveld op zich zoals demping, veerkracht en wrijving”.

Bij dit alles dient dan nog te worden bedacht dat het onderzoek zich richtte op standaardteams. Verreweg de grootste groepering, de recreatiehockeyers, is - overigens in overleg met de KNHB - niet ondervraagd. Als dat wel zou zijn geschied, had dat wel eens tot geheel andere uitkomsten kunnen leiden. Dan was bijvoorbeeld het saillant hoge percentage spelers dat te vroeg na een blessure weer naar de stick grijpt, mogelijk aanzienlijk lager uitgevallen. De al enige tijd door een pijnlijke enkel gekwelde speelster van het achtste damesteam zal nog een zondag buiten de lijnen blijven, terwijl de eerste-elftalspeelster met een vergelijkbaar euvel, ingetaped, toch de mat opstapt.

In het licht van een effectieve terugdringing van het blessuretal is het begrijpelijk dat enkels, knieen en bovenbeen ruime aandacht opeisen. Maar dat hoeft, waar het gaat om gebitsletsel, toch niet te leiden tot de aanbeveling “in voorlichting wel het gebruik van een gebitsbeschermer te noemen en na te streven, maar hiervan geen speerpunt te maken”. Zou die beschermer het aantal gebitsletsels niet juist laag (nog niet een procent van het gehele blessureprobleem) hebben gehouden en zou dat geen reden moeten zijn aan die bescherming extra aandacht te besteden? Oud-international en tandarts Andre Bolhuis, enkele jaren geleden gepromoveerd op 'Tandletsels in de hockeysport': “Kwalijk. Zo wordt dit probleem gebagatelliseerd. Het gaat ook om de ernst en de aard van de blessure, die in dit geval vaak drastische en permanente gevolgen heeft. En dat terwijl het preventieve middel voor het grijpen ligt.” En sportarts Cees Weidema, de niet eens zo grijze eminentie van de Nederlandse sportgeneeskunde, met deze aanbeveling geconfronteerd: “Wat krijgen we nou? Zullen we de weinig voorkomende botfracturen dan ook maar vergeten? Typisch voorbeeld van achterstelling van het individu bij de massa.”

Iets vergelijkbaars geldt voor de aanbeveling over het gebruik van scheenbeschermers. Tweederde van de onderzochte hockeypopulatie droeg tijdens de wedstrijd deze beschermers, die echter niet altijd kneuzing en breuk van het scheenbeen konden voorkomen. “In het kader van voorlichting kan het gebruik dan ook wel genoemd worden maar verdient het, gegeven de reeds vrij hoge toepassing, eveneens geen bijzondere aandacht,” aldus het rapport. “Weer zoiets”, zegt Weidema. “Je hebt echt geen onderzoek nodig om erachter te komen dat scheenbeschermers de kans op althans kneuzingen verminderen. Dat weet je toch van andere sporten!”

Hetgeen, alles bijeengenomen, tot de conclusie moet leiden dat het turven, splitsen en analyseren van kunstgrasblessures een relatieve waarde heeft en dat de weerbarstige materie nog lang niet is doorgrond.

Welk effect heeft kunstgras bijvoorbeeld op de gewrichten van de jeugd, met haar nog onvolgroeid bot- en spierstelsel? Om die vraag te beantwoorden is onderzoek nodig, langduriger en groter opgezet. En hoewel de overheid genteresseerd is geraakt in het probleem van de sportblessures is het de vraag of WVC bereid is daarvoor andermaal de beurs open te trekken.

Een ding is intussen wel zeker: het absolute aantal blessures is met de bloei van het kunstgras toegenomen. Voldoende reden om, met de chronische blessures in het achterhoofd, te luisteren naar deskundigen die pleiten voor een beter evenwicht tussen inspannin en rust, en die beseffen dat wat aan technisch vermogen ontbreekt niet altijd met duurtraining en fysieke hardheid kan worden gecompenseerd. En om voorzichtigheid te betrachten waar het gaat om ledematen die zich nog moeten ontwikkelen. Voorlopig blijft het dus zaak de wenkbrauwen te fronsen bij de aanblik van achtjarigen die door te enthousiaste huisvaders en te kordate huismoeders de harde mat worden opgejaagd.

'Orienterend onderzoek naar sportblessurs bij (veld)hockey op kunstgras.' NIPG-TNO Leiden.