Prof.dr. H. Pleij, hoogleraar Middelnederlandse letterkunde: Nederland lijdt aan polderkoorts

Wat zal er van de Nederlandse cultuur worden als we straks opgaan in Europa? Een collectief gevoel van gene verhindert ons, Nederlanders, op die vraag in te gaan. Want we schromen al om te erkennen dat een nationale identiteit ons bindt, laat staan dat we voor onze Nederlandse cultuur op de bres springen, meent Herman Pleij, hoogleraar Middelnederlandse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, in zijn onlangs verschenen boekje et Nederlandse Onbehagen. Een interview.

Nederlanders generen zich voor alles wat naar nationalisme riekt, “voor alles wat ons aan de padvinderij doet denken, zoals het hijsen van de nationale driekleur en het zingen van het volkslied met de hand op het hart. Zelfs het culturele verleden offeren weop aan dat onbehagen over een gemeenschappelijke identiteit”, schrijft de Neerlandicus H. Pleij (48). Hij wil niet doorgaan voor een late pleitbezorger van de Groot-Nederlandse gedachte en al helemaal niet voor een verkondiger van fascistode bloed- en bodemtheorieen. Maar hij wil wel het Nederlandse gebrek aan belangstelling voor de eigen cultuur aan de orde stellen en de zware prijs die daarvoor moet worden betaald. Bevangen door 'de polderkoorts van het internationalisme', zo stelt hij, nemen we onze eigen taal, onze eigen literatuur, onze eigen cultuur niet meer serieus.

“En je bezighouden met je eigen cultuur is een noodzaak, een levensvoorwaarde, geen luxe of franje”, zegt hij in de stijlvolle werkkamer die hem is toebedeeld sinds hij decaan van zijn faculteit is. Desiderius Erasmus kijkt vanuit een portretlijst aan de muur goedkeurend toe. “In cultuur worden gedachten aangemaakt, wordt geopinieerd. Dat gebeurde in de Middeleeuwen, dat geeurde in de zeventiende en de achttiende eeuw en dat gebeurt in onze tijd. Als je wilt weten wie je bent en waar je naar toe gaat, dan moet je je afvragen waar je vandaan komt. Cultuur speelt daar een hoofdrol in.”

De naderende Europese eenwording was voor Pleij overigens niet de aanleiding om zich met de onverschillige houding van Nederlanders ten opzichte van hun cultuur te gaan bezighouden. “Ik deel de bezorgdheid van mensen die zeggen: hoe moet dat nu met de cutuur en vooral met de taal van zo'n klein landje? Maar voor mij speelde vooral mijn eigen vak: Middelnederlandse letterkunde. Ik ben daar al meer dan twintig jaar mee bezig en op een gegeven moment dacht ik: behalve de mensen die hier hun geld mee verdienen en de leerlingen die overhoord worden, interesseert dat verder niemand een bal, die hele Middelnederlandse letterkunde, of de Renaissance-letterkunde of de achttiende-eeuwse letterkunde. Dat zette mij wel aan hetdenken: wat doen wij eigenijk met onze literaire cultuur, als je dat vergelijkt met het buitenland?

“Daar komt dan nog bij dat je steeds meer ziet dat buitenlanders, buitenlandse onderzoekers, allerlei studies schrijven over onze cultuur, onze identiteit en ons zelfbeeld. De historicus Simon Schama met zijn boek The Embarrassment of Riches (vertaald als Overvloed en Onbehagen, red.) is daar een voorbeeld van. Dat heeft iets ontgoochelends: waarom doen we dat zef niet?”

“En detail zoeken we van alles uit over onze eigen cultuur: de graanprijzen tussen 1510 en 1513 mogen we graag in kaart brengen. Maar dat dan onderbrengen in een grote studie, met een visie, dat zie je hier niet gebeuren. Huizinga blijft een uitzondering. Buitenlanders doen dat wel en beginnen nu bovendien op te merken: wat doen die Nederlanders toch gek met hun cultuur, ze hebben een prachtige martelaar, Willem de Zwijger, en een prachtige revolutie, waarom zijn ze daar zelf niet mee bezig?”

Maar we richten ons liever op het buitenland, want aan de andere kant van de dijken begint pas de echte wereld. “De angst voor provincialisme”, schrijft Pleij in zijn boekje, “vreet het onderscheidingsvermogen aan van een land, dat in permanente vrees verkeert om voor een provincie te worden aangezien, een uithoek van iets veel groters, een afhellend vlak naar de zee waar men vanaf dreigt te tuimelen wanneer men zich niet mondiaal verankert.”

Maar zijn we ook niet langzamerhanddeel gaan uitmaken van een internationale cultuur? We zijn behalve Nederlanders toch ook Europeanen, Europese burgers in een Europese cultuur? Pleij: “Natuurlijk. We maken deel uit van de Nederlandse taalgemeenschap, die al groter is dan alleen Nederland. We maken deel uit van Europa, van de wereld - we zijn wereldburgers, nergens ter wereld wil men zo graag wereldburger zijn als in Nederland. Maar je kunt pas wereldburger zijn vanuit een eigen cultuur. Je kunt je alleen ontwikkelen tot een Europees burger, als je actief blijft participeren in je eigen cultuur. Anders werk je vanuit een vacuum.

“Het voorstel van minister Ritzen om Engels als voertaal in te voeren aan de universiteiten vind ik echt verbijsterend. Wanneer je als land voor de sector wetenschap overgaat op de wereldtaal, dan kun je dat land maar beter opheffen. Je moet in je eigen taal wetenschap kunnen bedrijven, kunnen vloeken, liefdesgedichten kunnen schrijven - anders ontneem je jezelf een heel belangrijk instrument. Als je zegt: we gaan onvermijdelijk naar een Europese eenheidsstaat toe, orienteer je maar op dat Engels, dat vasthouden aan de eigen taal is een achterhoedegevecht, dan kom je gedurende vijftig of honderd jaar in een overgangssituatie terecht zonder echt eigen taal.

“In de literatuur zie je ook die orientatie op het buitenland. Eigentijdse literatoren stellen zich in de traditie van de Zuidamerikanen of zo. Als een schrijver zich eens beroept op de Nederlandse literaire traditie, denkt men dat hij gek is of de boel belazert. Toen Frans Kellendonk eens op Vondel inging, werd hij meteen niet meer serieus genomen.”

“Kennis van vreemde talen vinden wij in Nederland heel belangrijk, daar geven we veel les in op school, dat hebben we nodig. Maar de tol is dat je dan minder les geeft in je eigen taal. Gevolg is dat de verbaliteit van Nederlandse kinderen en studenten, mondeling zowel als schriftelijk, relatief laag is. Als men zich erover beklaagt dat Nederlanders door de bank genomen geen redevoering kunnen houden, dan weet ik wel hoe dat komt.”

“Of neem die musical Les Miserables, dat vindt iedereen prachtig. Waarom komen we niet op het idee om onze Gysbrecht ook eens op zo'n manier te ensceneren? Dan kun je ook nog heel historisch te werk gaan.

We kunnen reconstrueren hoe ze de Gysbrecht van Aemstel in de zeventiende eeuw speelden. Er is bijvoorbeeld een studie die stelt dat De Nachtwacht de openingsscene van de Gysbrecht is. Er zijn rekeningen van de schouwburg bewaard gebleven, waaruit blijkt dat mensen betaald zijn die niet bij de sprekende personages voorkomen en dat zijn allemaal mensen die je op De Nachtwacht ziet staan: zoveel lansknechten, zoveel dit en dat. Dat betekent dat de Gysbrecht in de zeventiende eeuw niet werd opgevoerd als een vervelend declamatorium, maar als een stille opvoering met een enorm spektakel, verklede types die zwijgend in beeld brachten wat er allemaal gebeurde. Bovendien werden al die hexameters half gezongen. Nou, daar heb je Les Miserables al! Waarom maken wij er niet zo'n fantastische show van? En waarom doen we dat wel met een Peruaans schimmenspel?''

Het is, meent Pleij, vooral een gevolg van de fundamentele burgerlijkheid van onze samenleving, zoals die in de steden van de late Middeleeuwen gestalte kreeg. Die burgerlijkheid, de eeuwige strijd tegen het water en de overlevingsmora van de geboren underdog die zijn plaats moest bevechten op de traditionele macht van de adel, geestelijkheid en zelfs het platteland, zouden aan de wortels staan van allerlei nationale eigenschappen (aan de term volksaard, besmet door een onguur nationalisme en rassenwaan, waagt Pleij zich niet).

Zo heeft het adagium 'Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg' de status van hoogste nationale wijsheid kunnen krijgen, zo zijn behoedzaamheid en voorzichtigheid basisdeugden geworden en zo zijn aarzeling en terug()houdendheid bijna ingebakken in het politieke systeem, stelt Pleij. En kunst en cultuur? Ach, dat is al gauw opsmuk.

“Zuinigheid, hard werken, investeren en voor jezelf zorgen - die waarden danken we niet aan het calvinisme zoals vaak wordt beweerd, maar aan de geboorte van de burger in de veertiende en vijftiende eeuw, in Vlaanderen en Brabant. Later is dat overgeslagen naar Holland.” Binnen dat geestelijke klimaat van nuchterheid en pragmatisme was en is voor bewoerende bezinning en feestelijke herdenking van kopstukken uit het verleden geen plaats. Zo kon de onbedwingbare neiging ontstaan om elke grandeur in heden en verleden te ontkennen of te ridiculiseren.

Kritiek dat Pleij in zijn boek te weinig oog heeft voor de verzuiling als obstakel bij de ontwikkeling van sterke nationale gevoelens, noemt de Neerlandicus terecht. “Het versnipperde erfgoed van een katholiek en een protestant erfdeel verstevden het nationale gevoel natuurlijk niet. Ik had die ervaring met mijn vrouw, die van katholieken huize is: we hebben thuis nooit een goed gesprek over de Tachtigjarige Oorlog kunnen voeren, want onze basisinformatie is geheel verschillend. Zij had het over de martelaren van Gorkum, dat had ze op haar katholieke school geleerd, die opgeknoopt waren door de Geuzen.

Ik had daar nooit van gehoord, ik wist niet beter dan dat de Geuzen helden waren.''

“Het enige terrein waarop de Nederlander zijn nationale gevolens de vrije loop laat, stelt Pleij, is de sport. “Daarin slaan we helemaal door. Met sport worden we ineens de grootste gekken ter wereld. Ik geloof dat er langzamerhand geen gekkere supporters op de wereld rondlopen dan Nederlanders. Oranje geschilderd, driekleuren over je hele lijf - niet alleen hooligans, ook mijn zoon, toch een heel beschaafd Goois type, studerend te Amsterdam. Tot mijn stomme verbazing kwam hij tijdens het Europees kampioenschap voetbal opeens met een Nederlandse vlag omwikkeld de huiskamer binnen.”

“Ik denk dat het deels een generatiekwestie is. Altijd dat serene en niet van helden houden van de ouders... Dat nationale gevoel moet je toch ergens kwijt, en dan gooien we het maar op die sport, want sporters zijn eenvoudige jongens en meisjes, net zo als jij en ik, en geen enge helden. Zo worden ze ook altijd benaderd: je bent er een van ons. En zo moeten ze zich ook blijven gdragen. We kloppen ze amicaal op de schouders en roepen 'Joooopie!'