Poolse cineast Jan Kidawa-Blonski teleurgesteld in eigen optimisme; Onze kunst is afwaswater geworden

WARSCHAU, 24 JUNI. “We zijn andere mensen geworden”, zegt Jan Kidawa-Blonski, cineast. “We zijn niet wie we een jaar geleden waren. Herinner me niet aan wat ik toen zei, ik was naief. Wishful thinking. We zijn verpletterd door de realiteit. Ik zeg niet dat het slecht is: we worden normale mensen in een normale wereld.”

De Poolse kunstenaar, zei Jan Kidawa-Blonski een jaar geleden, is na de val van het socialisme in een vacuum beland. Vijfenveertig jaar lang heeft die kunstenaar in zijn boeken en zijn films en zijn toneelstukken gestalte gegeven aan de Poolse identiteit en de Poolse aspiraties en het verzet tegen de totalitaire saat gesymboliseerd.

Vijfenveertig jaar lang was boven elke pagina het wapperen van de nationale vlag te horen, was tussen de regels in de boeken de ziel van de natie verstopt, en de waarheid die niet hardop mocht worden verkondigd. Maar toen midden 1989 met het socialisme de censuur, de leugens en de ideologische grenzen verdwenen en de kunstenaar op zoek moest naar een nieuwe rol, liet hij het afweten: opeens had hij niets meer mee te delen. De nieuwe vrijheid was er een die verlamde: de schrijver mocht nu schrijven wat hij wilde, en opeens wist hij niet meer waarover hij moest schrijven. Maar, zo zei Jan Kidawa-Blonski toen, midden 1990, dat was maar tijdelijk: geef die kunstenaar de tijd, hij moet wennen, aan het prestige dat hij kwijt raakt, aan de samenleving die verandert, aan de nieuwe uitdagingen.

Nu, een jaar later, moet Jan Kidawa-Blonski lachen om zijn optimisme. “Het is heel moeilijk stil te staan bij dingen die een jaar geleden speelden, of twee jaar geleden, of ten tijde van het socialisme. Het is al zo lang geleden. We zijn niet meer dezelfden. Geestelijk staan we nu, twee jaar later, veel dichter bij het Westen dan bij het socialisme van vroeger. Ik weet nu al niet meer wat ik mooi vond aan de films die we ten tijde van het socialisme mooi vonden. We zien ze nu terug en ze komen ons voor alsof ze over Noord-Kongo gaan. Ze zijn exotisch. Wat maakte ons creatief? Wat maakte ons aantrekkelijk, en authentiek? Ik weet het niet.”

“De Poolse kunstenaar is van wereld veranderd” zegt Kidawa-Blonski. Tientallen jaren lang heeft hij geleefd in een vreemde wereld van illusies, in een kunstmatige werkelijkheid. “Het was een wereld waarin menig kunstenaar zich niet onprettig voelde. De kunstenaar werd gesubsidieerd door de staat en mocht - een stilzwijgende afspraak - niettemin in zijn kunst zachtjes protesteren tegen zijn eigen sponsors, en dat leverde hem ook nog eens veel sociale prestige op. We leefden in een verzonnen wereld, in een satanische constructie waarin substituten voor het vrije denken werden verzonnen.”

Dat na de ineenstorting van die satanische constructie de kunstenaar even de weg kwijt zou raken, was niet verbazingwekkend, en een jaar geleden stoelde Kidawa-Blonski zijn optimisme nog op de verwachting dat de gewenning aan de normale wereld snel zou verlopen, een pijnlijk maar kort proces. Die verwachting is niet uitgekomen. Hij geeft het toe: “Het afgelopen jaar is er niet 'een goede film gemaakt, niet 'e'en goed boek geschreven, niet 'e'en goed toneelstuk bijgekomen. Het nieuwe geestelijke leven is armoedig. Wat we in onze boekwinkels aantreffen is afwaswater met wat etensrestjes. Het is de schade die de vrijheid ons heeft toegebracht. Onder het socialisme was het kunstmatige van de samenleving kennelijk een raison d'etre voor de kunstenaar. We zitten aan de grond. We raken met onze voeten de realiteit. Het is moeilijk om die realiteit te ondergaan. En het is moeilijk om dit te zeggen, maar het is waar: we weten niet hoe we ermee moeten omgaan.”

De harde realiteit. “De Poolse cultuur is veramerikaniseerd” zei onlangs Kidawa-Blonski's collega Andrzej Wajda. Vijfenveertig jaar communisme zijn niet genoeg geweest om de Poolse cultuur te sovjetiseren, twee jaar vrijheid zijn voldoende om op de cultuur een Amerikaans stempel te drukken. In 1990 is er welgeteld 'e'en Poolse film voltooid, tegen normaliter 45. Negentig procent van de films die in de Poolse bioscopen draaien zijn Amerikaanse films, en niet de beste: Batman, Dick Tracy en Superman. In de literatuur is het niet anders: het aantal uitgeverijen loopt naar de duizend, maar die nieuwe uitgevers hebben geen geld en spelen op zeker, en zeker betekent, als anti-reactie op decennia van communistische censuur, voornamelijk Amerikaanse thrillers van het type Ludlum, Forsythe en MacLean, zoetelijke romans type-Boeket die men in twee uur uitleest en een kwartier later is vergeten, en boeken waarvoor ten tijde van het socialisme ook al geen aandacht bestond: kookboeken, boeken over huisdieren, boeken over verre landen.

En zelfs die boeken zijn onbetaalbaar. De produktiekosten zijn in een paar maanden verdubbeld, en al die nieuwe uitgevers hebben geen reserves om met de opbrengst van goedverkopende flutprodukten slecht verkopende literatuur te financieren. Op de Poolse markt heersen catch-as-catch-can-regels, drukken is duur, papier is duur, de risico's zijn groot, ambitieuze boeken leiden tot verlies, en verlies kan niemand zich veroorloven: 'e'en flop kan het eind van elke uitgeverij zijn.

Polen, zo schreef onlangs de Poolse schrijver Stefan Kisielewski, gaat op Amerika lijken: “Philip Roth heeft gezegd dat in Amerika niemand is geinteresseerd in schrijvers; als alle Amerikaanse schrijvers bij een vliegramp zouden omkomen, zou niemand het merken. In dat opzicht normaliseert Polen zich. De tijd van de literaire profeten - Sienkiewicz, Prus, Wyspia'nski - is voorbij. De tijd van de 'ingenieurs van de ziel', zoals de communisten de schrijvers noemden, is ook voorbij. Van nu af aan zullen alleen nog gewone boeken worden gepubliceerd. Het recreatieve boek overleeft. Wie wil er nog boeken kopen over het communistische Polen?”

Kidawa-Blonski: “Wat we aan nieuwe literatuur zien, in de boekwinkels, is rommel. Het is de prijs van de vrijheid, de prijs van de normale wereld. Niemand vertelt de Poolse schrijver wat goed of slecht is. De Poolse schrijver is alleen gelaten met zijn ziel en zijn geweten. En dat is een eenzaam bestaan. Er zijn veel vragen waarop we het antwoord niet weten. Waarom leest men geen Poolse schrijvers meer?

Waarom gaat men niet meer naar de Poolse film? Misschien ligt het antwoord op die laatste vraag in de tijd van de staat van beleg, toen jaar geleden. Toen werden de films die de Polen wilden zien, verboden.

Als reactie keerden de Polen de bioscoop de rug toe, net zoals ze indertijd, om uiting te geven aan hun protest, hun televisietoestellen omdraaiden. Er is in de jaren tachtig een hele generatie verpest.''

Er zullen weer nieuwe films worden gemaakt, zegt Kidawa-Blonski, die zelf bijna klaar is met de voorbereiding van een Frans-Canadees-Russisch-Poolse coproduktie over wat hij noemt “een Opper-Silezische familie-saga”. Er zullen weer films worden gemaakt, zodra de Poolse cineasten het nieuwe probleem van de financiering hebben opgelost. Vroeger subsidieerde de staat films voor honderd procent; nu subsidieert de staat films nog voor zeventig procent, en moet de producer zelf op zoek naar de rest, een taak die bepaald niet simpel is: Polen heeft geen financiele reserves, heeft geen banksysteem, geen fatsoenlijk kredietsysteem en geen ervaring met kunstsponsoring.

Kidawa-Blonski: “En voor het buitenland is de doorsnee-regisseur doodsbenauwd. Buitenlandse geldschieters zullen concessies eisen waardoor de film toegankelijk of begrijpelijk wordt voor een buitenlands publiek, en aan concessies heeft de Poolse regisseur een broertje dood. Met andere woorden: er zullen weer goede Poolse films worden gemaakt, maar het zal lang duren, misschien zo lang als het duurt voordat Polen weer een normaal land is.”

Er wordt - net als een jaar geleden - geklaagd over de crisis van de Poolse cultuur. Lege bioscopen en theater, lege concertzalen, lege boekwinkels: het is het einde van een tijdperk, vindt menigeen. Een jaar geleden zei Andrzej Szczypiorski, de schrijver: “Het is de illusie van de twintigste eeuw dat iedereen boeken zou moeten lezen.

In de vorige eeuw waren er minder lezers, het boek was er voor de rijken in hun salons. In de Middeleeuwen werden boeken alleen in kloosters gelezen. Maar er was wel een literatuur. Het boek is een artikel voor de elite. De mensen lezen minder, en dat is jammer, maar het is nog geen criis van de cultuur, of van de literatuur. Er gaan theaters dicht, maar de beste theaters blijven open. Er zijn musici werkloos, maar de beste musici blijven spelen. Het is de concurrentie, maar de concurrentie is een genade van de cultuur.''

Kidawa-Blonski: “Een jaar geleden was ik over de toekomst van de Poolse cultuur optimistisch uit onwetendheid. Ik ben nog steeds optimistisch, maar nu uit wanhoop. Net zoals Szczyporski optimistisch is uit wanhoop: optimistisch omdat hij geen keus heeft, optimistisch omdat hij anders niet zou kunnen blijven leven. We moeten ervan uitgaan dat het onmogelijke mogelijk is. We moeten ervan uitgaan dat het vitale in de kunst weer werkzaam wordt. Hoe? We weten het niet, we weten ook niet wanneer en onder welke voorwaarden het gebeurt.

Szczypiorski heeft gelijk als hij stelt dat minder consumenten van cultuur nog geen crisis in de cultuur betekent. Maar er is ook een gevaar: hoeveel manusJH)cripten worden vandaag door uitgevers niet gelezen omdat ze voor literatuur geen markt zien? Hoeveel films worden er niet gemaakt, hoeveel toneelstukken niet geschreven?''

De hoofdpersoon in Kidawa-Blonski's volgende film, de Opper-Silezische familiesaga, wordt gevolgd vanaf zijn geboorte in 1945 tot na de val van het socialisme. Hij heeft een bochel. Op het eind van de film staat de man met zijn bochel in de rij voor een gebedsgenezer - waarvan er nu zoveel rondlopen in Polen. Of het wonder in vervulling gaat en hij zijn bochel kwijtraakt, wordt niet getoond.

Kidawa-Blonski: “Misschien is de Poolse cultuur wel net zo'n man met een bochel. Na al die misere van de afgelopen vijftig jaar wacht hij op een wonder”.