Pincoffs legaat is een genoegdoening

ROTTERDAM, 24 JUNI. 'Het is nooit te laat om wroeging te krijgen,' moet Maurice Pincoffs hebben gedacht. 'Zelfs niet na ruim een eeuw'. Maurice C. Pincoffs is de kleinzoon van de Rotterdamse koopman Lodewijk Pincoffs die in 1879, na frauduleuze handelingen die tallozen in de Maasstad tot de bedelstaf bracht, naar de Verenigde Staten vluchtte. Lodewij Pincoffs werd bij verstek tot acht jaar gevangenisstraf veroordeeld, maar door het ontbreken van een verdrag met de VS nooit uitgeleverd. De schenking van ruim honderdduizend dollar is bedoeld als 'genoegdoening'.

De gemeente Rotterdam zal van de begin 1989 overleden Amerikaan Maurice Pincoffs een 'legaat onder last' aanvaarden. De 'last' die de Amerikaan heeft gestipuleerd is de oprichting van een studiefonds.

Volgens het onderzoek van de juridsch adviseur van de gemeente kan 'de door erflater beoogde genoegdoening met een gerust hart worden aanvaard'. Wanneer ook gedeputeerde staten akkoord gaan met de stichtingsaanvraag zal binnenkort een beperkt aantal personen 'geboren in en woonachtig in Rotterdam, wier financiele positie en-of die van hun ouders zodanig is dat zij zonder een studiebeurs niet in staat zouden zijn een bepaalde studie te volgen' in staat worden gesteld die studie te volgen'. Een en ander in de geest van van het testament, opgesteld door Maurice C. Pincoffs Junior.

Voornaamste compagnon van de uitgeweken Lodewijk Pincoffs was de bankier Marten Mees. Marten Mees maakte zich medio vorige eeuw sterk voor een betere verbinding van Rotterdam met de Noordzee. Zou dit niet gebeuren, zo waarschuwde hij herhaaldelijk, dan zou de transitohandel zich naar Antwerpen verplaatsen en Rotterdam een tweede Brugge worden.

Mede op zijn aandringen ondernam de regering uiteindelijk maatregelen om de verzanding van de Maasmond tegen te gaan. In 1863 namen Mees en Pincoffs het initiatief om de havencapaciteit op Feijenoord te vergroten.

Door de zuinigheid van de gemeente bleven de havenuitbreidingen vooralsnog beperkt van schaal. Dit gaf de Nieuwe Rotterdamsche Courant aanleiding in 1873 nog te schrijven: “De toestand van Rotterdam is niet ongelijk aan dien van den jongeling, die snel opgeschoten, zich in zijne nieuwe kleederen bekneld gevoelt.” Marten Mees en Lodewijk Pincoffs richtten - om de jongeling ruimere kleding te geven - de Rotterdamse Handelsvereeniging op. Een projectontwikkelingsmaatschappij die de havenuitbreiding op Feijenoord ter hand nam. Tegen de tijd dat dit werk zijn voltooiing naderde werd Rotterdam getroffen door een zakenschandaal dat zijn weerga niet kende; de affaire Pincoffs.

De Afrikaansche Handelsvereeniging van Lodewijk Pincoffs bleek voornamelijk op vervalste balansen en speculatie gebaseerd te zijn. De val van Pincoffs kostte de Rotterdamse handelsvereeniging, de Rotterdamsche Bank en R. Mees & Zoonen vele miljoenen guldens.

Relatief het zwaarst getroffen was de firma R. Mees & Zoonen met een verlies van een miljoen gulden. Slechts door de steun van de machtige zakenvrienden als de Hengelose gebroeders Stork, wist Marten Mees de familiefirma in stand te houden.

Marten Mees verklaarde de affaire uit de gebrekkige morele ontwikkeling van Pincoffs. “Hij miste een fond van moraliteit. Op dit punt stond hij laag; hij kende geen hooger beginsel, zoals wij, Christenen, dit willens of onwillens met ons meedragen, en dat zich telkens aan ons opdringt door kwelling van het geweten, wanneer wij daartegen zondigen.” Maurice Charles Pincoffs vertelde de biograaf van Lodewijk Pincoffs dat hij tot aan zijn vijftigste niet wist wat de werkelijke reden van zijn overgrootvader was om naar Amerika te emigreren. “Zijn havenbedrijf was failliet gegaan. De oorzaak was dat de orkaan van 1878 de monding van de Nieuwe Waterweg had vernield, zodat er geen schepen meer konden in- en uitvaren.” In 1968 vertelde een neefje hem pas iets over de affaire. Ook bij toeval kwam hij er achter dat zijn overgrootvader van Joodse komaf was.

Uitgenodigd om in het bestuur van de Stichting De Lodewijk Pincoffs Studiebeurs zitting te nemen is onder andere B.F. Mees. “Bernard, mijn overgrootvader was een halfbroer van Marten Mees”, aldus B. Mees die hoofd arbeidszaken is bij Smit Vlootbeheer BV is. Onder voorbehoud heeft hij de uitnodiging zitting te nemen in het bestuur van de stichting aanvaard. Bevreesd voor politieke sturing vindt hij dat “de gemeente in de besteding van het geld geen doorslaggevende stem mag hebben”. De begin 1989 te Maryland overleden Maurice C. Pincoffs heeft zijn legaat uitdrukkelijk als genoegdoening omschreven en alle andere nazaten van Lodewijk Pincoffs opgeroepen aan het fonds bij te dragen. Maar een genoegdoening voor de ooit geleden schade is dit natuurlijk niet, aldus de achterachterneef van Marten Mees. “Het is heel aardig, maar het ligt meer in de nostalgische sfeer.” Het is overigens niet uitgesloten dat verarmde leden van de Mees-familie, die eens per twee jaar bijeenkomen, een beroep op de Lodewijk Pincoffs Studiebeurs doen. B. Mees: “Maar die zullen dan net als alle andere kandidaten beoordeeld worden en geen voorkeursbehandeling krijgen”.