Niet zo verbeten zijn over procedures Europese integratie Nederland is 'Europees' genoeg

Is Nederland nog gediend met de vertrouwde keuze van economische integratie in de EG en militaire integratie in de NAVO? 'Den Haag' zegt nog steeds ja. De revoluties in het Oostblok, de Duitse hereniging en de ervaringen met de Golfoorlog hebben weliswaar veel discussie veroorzaakt, maar de koers is dezelfde gebleven. Nu het Europa van de Twaalf voor een fundamentele stap vooruit staat, waarvan de intensiteit en de reikwijdte in het komende halfjaar in twee nieuwe verdragen worden vastgelegd, moet de vraag concreter op tafel komen. Is het in het nationale belang van Nederland om verder te integreren in Europa? Moeten de Oosteuropese landen erbij of niet? Blijft de organisatie van de veiligheid Atlantisch gericht of moet zij meer continentaal worden gedraaid?

Het instituut voor internationale betrekkingen Clingendael en NRC Handelsblad hadden dit weekeinde in Vinkeveen ruim dertig ervaren denkers op dit terrein bijeengebracht, (od-)bewindslieden, parlementariers, wetenschapsmensen, hoge ambtenaren, diplomaten, journalisten. Geen van hen betwistte de juistheid van de keuze voor de 'tweeslag' EG-NAVO, die na de oorlog werd gemaakt en die Nederlandse regeringen sindsdien hebben bevestigd. Het bondgenootschap bood het raamwerk voor internationale veiligheid en via de VS economische vervlechting op wereldschaal en de Gemeenschap leverde markt- en schaalvergroting en versterking van de Europese veiligheid, in het bijzonder door inbedding van Duitsland en Frankrijk. Zeker op dit moment, zo vond men, moet worden nagegaan hoe Nederland het beste greep op het eigen lot en invloed op de internationale omgeving houdt.

De integratie binnen de Twaalf is op vele punten zo ver voortgeschreden dat sturing van nationale besluitvorming nog slechts via Brussel verloopt. Deze sturing zou nog onvergelijkbaar veel lastiger worden in een Europese Gemeenschap met twintig lidstaten die niet allemaal meer een eigen Commissaris in Brussel hebben. Bovendien is Nederland vaak bijna hogepriesterlijk zuiver in de leer: men laat de Commissie in rust broeden en praat pas mee in de Europese ministerraad. En dat is veel te laat, maakte iemand uit de Brusselse keuken ondubbelzinnig duidelijk. Kijk maar eens naar de besluiten door deze ministerraden; die wijken nauwelijks af van de Commissievoorstellen.

Nu kan men dat nog afdoen als een gebrekkige lobbytechniek die in Nederland al gauw met gesjoemel wordt vereenzelvigd. De discussie wordt fundamenteler, en de gevolgen ingrijpender, als de vraag wordt gesteld welke relatie Nederland met de drie grote Europese landen wil onderhouden. Alledrie hebben ze grote praktische en psychologische problemen. De Fransen zijn zich door de Golfoorlog bewust geworden van de relatieve zwakte van hun defensie-apparaat en van het onvermogen van de Twaalf om bij bedreiging van vitale belangen hun eigen boontjes e doppen.

Die conclusie heeft het oude Franse streven naar een Europese defensie-identiteit sterk gestimuleerd. Parijs wil daarbij deze Europese defensiepijler wel verbaal vastleggen in het verdrag over de Europese Politieke Unie, maar daar geen militaire consequenties aan verbinden in de vorm van toewijzing van troepen aan een 'reaction force' van de Westeuropese Unie.

Het Britse probleem is: niet voluit voor Europa te kunnen kiezen en dan bang te zijn naar de rand gedrongen te zullen worden. Prmier Major die wel meer zou willen, gaat een harde confrontatie met de anti-Europa vleugel in zijn partij nog uit de weg want Europa heeft een destabiliserende werking in de Britse politiek. Ook een overname van de macht door Labour zou daar weinig aan veranderen.

In Duitsland zijn kanselier Kohl en minister Genscher weliswaar oprechte Europeanen (hoewel Genscher, zo merkte een deelnemer in Vinkeveen op, het altijd met iedereen eens is, in het bijzonder met de laatste spreker), maar aan die instelling zitten enige haken en ogen.

Het onvermogen van de regering in Bonn om een besluit voor militaire deelname aan out of area-activiteiten van de Westeuropese Unie te nemen, duidt op neutralistische tendensen. Onder een eventueel SPD-regime zou die tendens nog wel eens sterker kunnen worden.

Voor Nederland is een blijvende 'Westbindung' van Duitsland van eminent belang. Kanselier Kohl verkondigt weliswaar binnenskamers luid en duidelijk dat hij et politieke veld niet zal ruimen, voordat het land onverbrekelijk met het Westen is verbonden, maar bij een blijvend slechte economische ontwikkeling in het oostelijk deel van het land worden zijn kansen op herverkiezing kleiner.

Er wordt door minister Van den Broek veel gezegd over het aantrekkelijk houden van Europa voor de Amerikanen, maar zouden we ons eigenlijk niet meer moeten bezig houden et het aantrekkelijk houden van Europa voor de Duitsers en de Fransen, zo werd gevraagd. De Amerikaanse militaire aanwezigheid loopt sterk terug en Europa moet ernstig rekening houden met de mogelijkheid dat het steeds in financieringsproblemen verkerende Amerika helemaal van het Europese continent verdwijnt. Zo geredeneeerd, zou Nederland zijn scepsis moeten opgeven tegen een Europese defensiepoot.

Er is beweging in den Haag op dat gebied; ook minister Van den Broek accepteert, op termijn, “een rol” op het gebied van defensie voor Europa, maar de forJH)mulering gaat gepaard met bezweringen dat de prioriteit voor het veiligheidsbeleid bij de NAVO blijft liggen en dat die Europijler eerder onder de NAVO dan onder de EG hoort te staan. De indruk bestaat echter dat flinke delen van de regeringsfracties bereid zijn hier verder te gaan dan Van den Broek. Bovendien zegt ook de Adviesraad Vrede en Veiligheid dat Nederland als EG-voorzitter de ontwikkeling van een Europese veiligheidsidentiteit “dient te bevorderen”.

Essentieel is daarbij de houdig van de Fransen. Als een Europese defensie voor hen zo belangrijk is en zij er elke Nederlandse gesprekspartner indringend op wijzen dat men nu, onder Kohl en Genscher, een kans heeft het land blijvend westelijk georienteerd te houden, moeten ze zelf met militairen over de brug komen, zo werd gezegd. Bereidheid op dit punt is een soort test voor Parijs om te tonen dat deze hele exercitie niet slechts tot doel heeft de relatie van Europa met de Verenige Staten te verzwakken.

In de wat wanordelijke situatie van om zich heen tastende grote Europese landen heeft Nederland, in het bijzonder als EG-voorzitter, de gelegenheid een leidende rol te spelen. In veel opzichten weet Nederland beter wat het wil dan de drie grote Westeuropese landen.

Maar om daarmee iets te kunnen doen, moet de regering wel met een stem spreken. Suriname-achtige discussies tussen premier Lubbers en minister Van den Broek zijn taboe, zo klonk het bestraffend n Vinkeveen.

De achterliggende conclusie, ook bij verklaarde atlantici op het colloquium, was dat een Europese defensiepijler inderdaad onvermijdelijk is. Daarnaast, zo werd aangegeven, kan men niet volstaan met het opnemen van een Europese defensiepijler in het EPU-verdrag zonder de indringende vraag te stellen: hoeveel integratie willen we nog? Met voltooiing van de interne markt, de monetaire unie, met regelingen over vrij verkeer van mensen, goederen, diensten en geld en met goede afspraken over de doorlaatbaarheid van de buitengrens, is Europa toch eigenlijk af, zo luidde een van de stellingen.

Europa dient zich in de eerste plaats niet met het sociaal beleid te bemoeien, dat moet het aan de nationale staten overlaten. Zoiets is zozeer ingebed in de cultuur van de afzonderlijke landen, dat men dat op nationaal niveau moet laten. Meer direct betrokkenen bij EG-onderhandeingen waren het niet eens met deze praktische blokkade van verdere Europese integratie, maar ook zij, net als vrijwel alle aanwezigen, vonden wel dat zeer zorgvuldig moet worden gekozen wat op Europees niveau moet worden behandeld en wat nationaal of regionaal kan blijven. De bewijslast dient te berusten bij degene die bepaalde onderwerpen naar Europees niveau willen tillen.

Een duidelijke conclusie wilde men hier niet uit trekken, omdat de meeste aanwezigen kozen voor een Europa dat van onderaf ontstaat, via ontwikkeling en zonder een duidelijk gedefinieerd eindpunt. “Elke stap wordt zuiver pragmatisch beoordeeld, waarbij wordt gecodificeerd wat rijp is”, zei een ervaren Eurodiplomaat. De Europese Politieke Unie, zo vreesde men, zou wel eens een principiele verschuiving van dit 'bottom up' beginsel naar een meer 'top down' structuur kunnen inluiden. Er wordt geen bestaande ontwikkeling meer vastgelegd, maar er wordt een doel geformuleerd, waarnaar de werkelijkheid zich dient te voegen. In plaats van een versterkin van de cohesie, zou de EPU wel eens een twistappel kunnen worden.

Niemand, zeker Nederland niet, moet in scherpe en onwrikbare termen formuleren wat er verder met Europa moet gebeuren, zo vond de meerderheid. Het moet juist wat flexibeler, wat minder verbeten allemaal. Representanten van het officiele Nederlandse standpunt gaven daarentegen aan, dat af en toe een baken zetten juist heel goed is en dat men wel de instituties enigszins zuiver moet houden. Als we te soepel worden, ontstaat een Europa a la carte: iedereen doet alleen aan datgene mee, wat hem gunstig lijkt.

Sommigen spraken daar neerbuigend over, anderen aanvaardden die mogelijkheid, in het bijzonder de mensen die grote prioriteit geven aan verbreding boven verdieping van de EG, ook naar Midden- en Oost-Europa. Tot uitsluitsel over de wenselijkheid van snelle toetreding van die landen kwam men trouwens niet; zonder verdieping zal de EG de verbredin niet aan kunnen en kopen nieuwe leden dus in zekere zin een kat in de zak, luidde het oordeel van een deelnemer.

Het Nederlands belang ligt blijvend bij Europese Gemeenschap en NAVO, maar wat minder bij de tweede, nu er geen collectieve verdediging meer lijkt nodig te zijn. Dat schept ruimte voor een Europese defensiepijler, die er moet komen, niet in het minst om Europa aantrekkelijk te houden voor Franrkijk en Duitsland. De Europese Gemeenschap mag echter geen bureaucratische moloch worden, maar alleen datgene behandelen wat het efficienter of beter kan. Van een opgaan van Nederland in een groot Europa, is voorlopig geen sprake.

Integendeel: pleiten voor nationale belangen en nationale identiteit mag juist weer.