Milieu zorgt voor enig herstel ingenieursbureaus; Ingenieursbureaus Nederland hoog op mondiale ranglijst

DEN HAAG, 22 JUNI. De verbreding en verdieping van het Suezkanaal in 1989 was, volgens Nedeco-directeur jhr mr A.W.G. van Riemsdijk, een van de mooiere opdrachten. Het Nederlandse consortium voor raadgevende ingenieursbureaus kaapte de order weg voor veertig andere gegadigden. Het project moet ruim baan geven aan mammoettankers die sinds de sluiting van het kanaal in de jaren zeventig rond Kaap de Goede Hoop varen. Tot de verbeelding spreekt ook de opdracht die Nedeco vorig jaar van de Wereldbank kreeg om een compleet plan voor de Mekong-delta in Vietnam te ontwikkelen, en gebied zo groot als Nederland.

Nedeco (3500 medewerkers bij zestien aangesloten groepsleden) is door de groepsstructuur in korte tijd in staat een heel scala aan deskundigheid te mobiliseren, van transporteconomen, oliedeskundigen, irrigatie-experts en landbouwkundigen tot scheepsbouwers en geologen.

“Er is bijna niemand die zulke projecten kan doen,” zegt Van Riemsdijk zonder valse bescheidenheid.

Nedeco bestaat deze maand precies veertig jaar. Luchtvaartpionier Albert Plesman behoorde nog tot de oprichters. Hem stond een bundeling voor ogen van kennis op waterbouwkundig gebied en van tropische landbouw, waarin Nederlandse landbouwingenieurs zich in Nederlands-Indie hadden bekwaamd. De oprichting van de 'Stichting Nederlands adviesbureau voor ingenieurswerken in het buitenland' in 1951 was een schot in de roos. Om commerciele redenen werd Nedeco vorig jaar omgevormd tot een BV. De overgebleven stichting heeft een meer ideele taak gekregen.

Met een buitenlandse omzet van 224 miljoen gulden aan adviesinkomsten in 1990 behoort Nedeco tot de absolute wereldtop. Het moet alleen de drie Noordamerikaanse bureaus Lavalin (Canada), CRSS (VS) en Louis Berger Group (VS) voor laten gaan. In Azie is Nedeco zelfs nummer twee. De Nederlandse adviseurs doen het trouwens toch niet slecht.

Nethconsult uit Den Haag is zesde op een vorig jaar gepubliceerde ranglijst. Fugro-McClelland uit Leidschendam staat twaalfde, DHV (onderdeel van Nedco) eenentwintigste, Euroconsult (ook onderdeel van Nedeco) zesendertigste.

Het is volgens Van Riemsdijk echter nog maar de vraag hoe lang de Nederlandse bureaus zich met deze stipnoteringen kunnen handhaven. Hij maakt zich vooral zorgen over de personeelskosten die door sociale premies en belastingafdrachten hoog oplopen. De hier gevestigde bureaus dreigen zich volgens Van Riemsdijk uit de markt te prijzen.

“Het wordt echt een heel groot nadeel,” aldus Van Riemsdijk. “Onze winstgevendheid staat stelselmati onder druk. We werken tenslotte met menselijk kapitaal. Multilaterale organisaties hebben billing rates.

Nederland scoort daarmee in de EG heel hoog. Op dit moment kunnen we niet concurreren met Engeland, Australie, Nieuw-Zeeland, en de vele bureau's uit het midden-oosten die met Britse collega's samenwerken.''

De Nederlandse raadgevende ingenieursbureaus hadden vooral in de jaren vijftig en zestig de wind volop mee. Maar de onstuimige groei is er een beetje uit. Nederlandse consutantbureaus hebben de laatste jaren flink in het personeelsbestand moeten snijden. Sinds kort treedt er enig herstel op vooral door groei in de milieusector.

De wereld was in de eerste decennia na de oorlog in de fase van de opbouw. De grote infrastructurele werken pasten in de kraam van de Nederlanders. In de jaren zeventig leverde de 'groene revolutie' in de landbouw veel opdrachten op. Het is volgens Van Riemsdijk echter al lang niet meer zo dat opdrachten voorwaterwerken vrijwel automatisch naar Nederland gaan vanwege de naam die ons land op dit gebied heeft.

“En op milieugebied moeten de Nederlandse bureaus nog een positie veroveren.”

De werkwijze van Nedeco is nogal veranderd. Van Riemsdijk: “Waar we op scoren zijn samenwerkingsprojecten. Voor locale opdrachten ga je vaak een associatie aan of een joint-venture met bureaus uit het land zelf. Ook uit kostenoverwegingen is zo'n samenwerking aan te bevelen.

Veel werk wordt uitbesteed. Projecten worden mestal niet meer alleen vanuit Nederland bemand. Voor de continuteit hebben we in in verschillende landen zelfstandige kantoren gevestigd.''

Langdurige uitzendingen van ingenieurs en andere experts, die voor jaren naar het buitenland gaan, komen veel minder voor. Nederlandse deskundigen gaan nu vaker enkele weken op stap voor een inspectiereis.

Wat wel bleef, zijn idealisme en pioniersgeest. In het door Nedeco uitgegeven engelstalige blad Land & Water International verhalen Nedeco-ingenieurs regelmatig van hun indrukwekkende verrichtingen in al die verre landen.

De voorbereiding voor projecten, het uitvoeren van haalbaarheidsstudies en het het gereedmaken van bestekken blijven taken die voor het grootste deel in Nederland worden uitgevoerd.

Hetzelfde geldt voor het projectbeheer. In de kantoren van de ingenieursbureaus staan computers in plaats van tekentafels. De bureaus investeren dik in software voor hun computer aided design en computer aided management. De kennis over de waterhuishouding van het Suezkanaal of de kustbescherming in Bangladesh ligt dus in Nederlandse computers opgeslagen. Van Riemsdijk: “Het werk verschuift. Ons werk richt zich hoe langer hoe meer op hoogwaardige technologie en management.”

Nopen de toenemende kosten en investeringen tot schaalvergroting? Enkele van de bij Nedeco aangesloten bureaus zijn op overnamepad. Het jachtterrein is vooral Europa. Als men op die ene Europese markt aan zijn trekken wil komen, zal men tenslotte in de lidstaten zelf aanwezig moeten zijn. De overnames worden ook ingegeven door de angst dat moeizaam opgebouwde kennis naar de concurrent weglekt, indien het bij louter samenwerking blijft.

Van Riemsdijk neemt een genuanceerd standpunt in. “Het arsenaal beschermde kennis is relatief klein. De kracht van een bureau zit veel meer in de deskundigheid van de medewerkers om kennis van uiteenlopende vakgebieden te coordineren en grote projecten te managen.” Volgens de Nedeco-directeur zijn overnames in de EG bovendien moeilijk te verwezenlijken. “Grote bureaus zijn niet te koop en de bureaus die te koop zijn, zijn vaak niet goed.”

De markt is er voor de adviesbureaus toch al niet eenvoudiger op geworden. Een nieuw bedrijfsrisico vloeit voort uit de neiging van overheden om de aanleg en financiering van infrastructurele werken geheel in particuliere handen te leggen. Deze aanpak is vooral uit financiele nood geboren. Particuliere bedrijven worden in de gelegenheid gesteld bruggen, wegen of havens niet alleen te bouwen maar ook voor bepaalde tijd te exploiteren, waarna overdracht aan de opdrachtgevende overheid volgt. “We proberen natuurlijk op die ontwikkeling te anticiperen,” aldus Van Riemsdijk. “Maar je moet je wel afvragen wie bijvoorbeeld haven- en tolgelden vaststelt. Daarmee loop je groot financieel risico. Al is het natuurlijk ook een uitdaging.”

Ook branchevervaging, vooral in de Verenigde Staten sterk toegenomen, baart Van Riemsdijk zorgen. Steeds meer aannemers hebben eigen ontwerpafdelingen, die zich vervolgens op de adviesmarkt storten.

Anderzijds zijn adviesbureaus actief op het terrein van de aannemer. Van Riemsdijk: “Je taak schuift dan steeds verder op in de richting projectmanagement en constructiemanagement. Voor sommigen is dat een te zware taak. Je kunt die risico's alleen afdekken bij samenwerking in consortia.”

Van Riemsdijk denkt niettemin dat er nog altijd een goede markt is voor de klassieke ingenieursadviesbureaus. “Kleine bureaus moeten zich specialiseren. Maar wie een breed terrein wil bestrijken, moet een forse omvang hebben.”