Justitie: aanwijzingen in overvloed, bewijs in Ira-zaak blijft moeilijk

's-HERTOGENBOSCH, 24 JUNI. “De overtuiging is er dat de vier betrokken zijn geweest bij de aanslag. Probleem voor het hof is dat ook wettig bewezen te achten.” Met die conclusie raakte advocaat-generaal mr. F. van Straelen zaterdag op de laatste dag van het hoger beroep in de IRA-zaak de kern van het probleem waar hij negen dagen lang mee heeft moeten worstelen.

Aanwijzingen dat de vier verdachten zich begin vorig jaar in Nederland, Belgie en Duitsland met IRA-activiteiten hebben bezig gehouden, zijn er in overvloed, maar of zij en niemand anders de moord op twee Australische toeristen hebben gepleegd, is opnieuw moeilijk aantoonbaar gebleken.

De president van het hof,mr. W. Smulders, attendeerde de advocaat-generaal erop dat het hof zich in zijn arrest (op 5 juli) zal baseren op de wettige bewijsmiddelen. Van Straelen blijft er echter bij dat er genoeg wettig bewijs is om de drie Noordieren en de Ier schuldig te achten aan de moord op de twee Australiers: “Ik verkeer in een moeilijke bewijspositie, maar uit de getuigenverklaringen zijn geen contra-indicaties te voorschijn gekomen.” De advocaat-generaal hield het hof nogmaals voor dat de vier verdachten zonder middelen van bestaan in Nederland verbleven, dat zij kort voor de aanslag op diverse plaatsen werden gesignaleerd, dat zij kort na de aanslag werden herkend en dat zij drie weken later in de Belgische plaats Meerle-Hoogstraten werden aangetroffen bij de wapens waarmee de aanslag was gepleegd.

De advocaat-generaal gaf toe dat door het opsporingsteam grove fouten zijn gemaakt bij de Oslo-confrontatie van een pompbediende uit Sittard, die een half uur nade aanslag drie Engels sprekende bezoekers te woord stond, die hem de kortste weg naar Duitsland kwamen vragen.

Toen de pompbediende vanachter een spiegel een verdachte moest aanwijzen, die stond opgesteld tussen vijf figuranten, wees hij er telkens twee aan - de verdachte en een figurant -, omdat hij verkeerde instructies had gekregen. Volgens Van Straelen is de herkenning ongeldig. Hij kondigde maatregelen aan om herhaling van dergelijke fouten te voorkomen.

Vorige week eiste de advocaat-generaal tegen Sean H., Gerard H. en Donna M. gevangenisstraffen van achttien jaar wegens het medeplegen van meervoudige moord. Tegen de vierde verdachte, Paul H., eiste hij twaalf jaar wegens medeplichtigheid aan moord. De rechtbank in Roermond heeft in april alleen Gerard H. schuldig bevonden. Hij werd veroordeeld tot achttien jaar gevangenis. De vier verdachten staan op 1 juli opnieuw terecht voor de Roermondse rechtbank op beschuldiging van het deelnemen aan een criminele organisatie.