Hoge Raad (1)

Vrijdagmiddag 21 juni werd mij door redacteur Folkert Jensma de laatste passage voorgelezen uit het interview dat hij met het kamerlid Van der Burg had gehad en dat die avond in NRC Handelsblad is geplaatst.

Desgevraagd heb ik op het voorgelezene gereageerd.

Door de combinatie van 'kop' en citaten kan mijn reactie, die eveneens in de vrijdageditie is opgenomen, licht misverstand doen ontstaan over hetgeen ik bedoeld heb te zeggen.

Natuurlijk staat het iedere volksvertegenwoordiger vrij een mening te hebben en te uiten over het optreden van de rechterlijke macht in het algemeen. Ook is begrijpelijk dat Van der Burg en zijn fractie - en naar ik aanneem de andere fracties evenzeer - adequaat genformeerd wensen te worden over de kwalificaties van diegenen die worden aanbevolen voor het ambt van lid van de Hoge Raad. Maar de schrik slaat mij om het hart als er een koppeling wordt gelegd tussen een verondersteld ''te verlicht'' staan van de rechterlijke macht tegenover criminaliteit en de personen die deel moeten gaan uitmaken van de Hoge Raad. En een heilloze weg zou worden ingeslagen als de Tweede Kamer niet meer zou volstaan met een toetsing van de kandidaten op basis van de bij de aanbeveling door de Hoge Raad overgelegde bescheiden, maar zou menen zelf de harten en nieren van de aanbevolenen te moeten proeven.

De rechters zijn dus niet woedend over hetgeen Van der Burg te berde heeft gebracht, maar ik ben daar wel bezorgd over.