Eerder dan Den Haag had Tralles zijn Kounellis

Een kunstenaar krijgt het verzoek een werk te scheppen ter opluistering van een parlementsgebouw. Hij levert naar beste vermogen een ontwerp af, dat past in de ontwikkelingsgang van zijn oeuvre. Geen parlementarier die ervan opkijkt, totdat men zich, min of meer door een toeal, gaat afvragen wat dat kunstwerk nu eigenlijk voorstelt. Wat betekent het precies? Is het wel 'mooi'? Past het wel bij een bouwwerk dat staat voor onze hoogste principes, al of niet mensenwerk? Het parlement raakt verwikkeld in een kunstkritisch debat. En wijst vervolgens de kunstenaar zijn plaats als schepper, neen, niet van een gedurfd project, maar van kolen in een 'roestige kit'.

Kounellis in Nederland. Een novum in de geschiedenis? Neen, dat niet.We moeten alleen wel ver teruggaan in de tijd en het dan vooral niet zoeken in de toenmalige centra van macht en cultuur. Maar dan vinden we ook, diep in de provincie, een niet onaardige parallel. Het verhaal speelt zich af in Tralles, een stadje in Klein-Azie, niet lang voor het begin van onze jaartelling. Het wordt verteld voor Vitruvius, de Romeinse architect die ons een tractaat 'Over de bouwkunst' naliet, waarin hij ook over de decoratie van bouwwerken preekt. In de hoofdstukken over de wandschilderkunst vermeldt hij (boek VII 5.3-7) dat de schilder Apaturius van Alabanda opdracht kreeg het ekklesiasterion (gebouw van de volksvergadering) van Tralles van een nieuwe muurschildering te voorzien.

Apaturius liet zijn fantasie de vrije loop, zette zijn volledige ambachtelijke kunnen in en creeerde een decoratie die afweek van wat zijn tijdgnoten kenden. Op de wand van de vergaderzaal schilderde hij, ten dele genspireerd door toneelcoulissen, een collage van architectonische motieven, verdeeld over twee 'verdiepingen': beneden zuilen, schijnbaar naar voren springende gevels, koepeldaken en andere dakmotieven, kroonlijsten en waterspuwers in de vorm van leeuwenkoppen, kentauren die het balkwerk ondersteunden en hier en daar standbeelden: boven ronde tempeltjes, zuilengalerijen, gehalveerde gevels en opnieuw allerlei dakelementen.

In eerste instantie viel het resultaat bij de burgers van Tralles niet slecht. Apaturius werd gepreJH)zen om zijn verrassende contrast-effecten. Totdat een zekere Likynos zich verhief en de Tralliers belerend toesprak. Scherp kritiseerde hij het anti-realistische karakter van de schildering. Wie van de aanwezigen woonde in een huis dat op dakpannen stond? Gebouwen horen een stevig fundament te hebben. Ook op een schildering. Want het gaat niet aan zaken af te beelden die nooit hebben bestaan en ook niet kunnen bestaan. Met zulke smakeloze ongeijmdheden zouden de inwoners van Tralles zich even belachelijk maken als die van Alabanda, Apaturius'

geboortestad. Daar stonden volgens Likynos op het sportveld uitsluitend standbeelden van advocaten, terwijl op het Forum, het centrum van het juridisch leven, marmeren discuswerpers, hardlopers en balspelers met elkaar wedijverden.

De reactie liet niet lang op zich wachten. De burgers in vergadering herzagen hun oorspronkelijke oordeel. Apaturius deed er wijselijk het zwijgen toe, maar zag zich gedwongen zijn werk ongedaan te maken en te vervangen door een schildering van conservatievere snit, 'in overeenstemming met de werkelijkheid'. Hoe die er precies uitzag vermeldt de historie niet, maar we mogen ervan uitgaan dat het wederom om een architectuurschildering ging. Een waarin de elementen fatsoenlijk op hun plaats stonden, zodat ook de minst kunstlievende back-bencher onmiddellijk kon zien waarom het ging.

Vitruvius fulmineert tegen de anti-naturalistische tendensen in de wandschilderkunst van zijn tijd, de laatste jaren van de Romeinse Republiek en het eerste decennium van de Keizertijd (circa 40-20 voor Christus). Hij citeert Likynos met instemming. Maar net als Likynos voert hij een achterhoedegevecht. Nog tijdens zijn leven (hij moet omstreeks 20 voor Christus gestorven zijn) komt in Rome een manier van schilderen in zwang die voortbouwt op het erfgoed van Apaturius, maar in nog veel mindere mate uitgaat van de zichtbare werkelijkheid. De kunst trekt zich immers niets aan van de orerende politici en andere moralisten. Zij ontwikkelt zich onverbiddelijk volgens haar eigen wetten.

Kounellis als moderne Apaturius? De vergelijking gaat niet geheel op. Anders dan de Trallische volksvergadering kan het Nederlandse parlement 'zijn' kunstenaar niet dwingen zijn werk in tweede instantie aan de smaak van het realistische midden aan te passen. Het is er de tijd niet meer naar. De Hagenaars verwierpen Kounellis' creatie dan ook reeds in het stadium van een ontwerpschets terwijl de burgers van Tralles bij hun motie van afkeuring althans de voltooide schildering van Apaturius voor ogen hadden.

Interessanter is de vraag of men betekenis mag toekennen aan het feit dat ons parlement voor het eerst in zijn bestaan een staaltje van kunstkritiek ten beste geeft. De discussie in de volksvergadering van Tralles wordt door moderne geleerden wel beschouwd als illustratief voor de tanende vitaliteit van het politieke leven. In de laat-hellenistische tijd waren de Griekse steden met hun bijbehorende ommelanden in naam 'vrij en autonoom'. Maar de werkelijke macht berustte bij Rome. In de luwte van de provincie behartigden de stedelijke elites in raad en volksvergadering de zaken van lokaal belang. In zo'n situatie kon het gebeuren dat de ethische en esthetische kwaliteiten van een kunstwerp tot inzet van een politiek debat werden ge(J)maakt. Herhaalt de geschiedenis zich werkelijk nooit? Of zou het Kamerdebat over Kounellis soms vooruitwijzen naar Nederlands plaats in de marge van een verenigd Europa?