Debat over illegalen dreigt taboes te creeren

De discussie in Nederland over het minderhedenbeleid krijgt nauwelijks de kans goed te worden gevoerd. Als er gesproken wordt over een beleid om illegae vreemdelingen uit het land te verwijderen, wordt direct geroepen dat we bezig zijn met razzia's en jacht op illegalen. Een voorstel uit de Tweede Kamer om te komen tot coordinatie van de inspanningen van overheden en instellingen voor een effectieve aanpak van problematische situaties waarin Marokkaanse en Antilliaanse jongeren in Amsterdam verkeren, kan niet worden opgevat als n roep om weer een 'globaal beleidsplan'. Integratie gebeurt niet door een plan maar in de wijk, op school en op het werk .

Het door elkaar halen van het onderwerp illegaliteit en de situatie van de hier wonende jongeren maakt de discussie warrig. Het resultaat van dit alles is dat het binnen de kortste keren niet meer om de zaak zelf gaat, maar om uitspraken van deze of gene en er een klimaat ontstaat waarbij een reeel probleem wordt omgeven door zoveel overtrokken kwalificaties dat het bijna onbespreekbaar is en tot taboe wordt verklaard. Het gesprek stokt en actie blijft uit. Alle energie gaat op aan het bestrijden van gecreeerde misverstanden en de mensen om wie het gaat zijn van het toneel verdwenen.

Het is niet verwonderlijk dat de discussie over mensen die hier illegaal verblijven stuk dreigt te lopen, als niet het juiste evenwicht als basis voor de discussie wordt gezocht. Wie de besluiten van het kabinet over bestrijding an illegalen de afgelopen weken heeft gevolgd, moet beseffen dat de aanpak veelzijdig is en zich niet uitsluitend op verwijderingsbeleid richt. Terecht stelde Wim Kok dat het verwijderen van illegale vreemdelingen het sluitstuk van het beleid is. Dat betekent dat hier andere maatregelen aan vooraf moeten gaan. Allereerst moet er sprake zijn van een effectieve bestrijding van de illegale tewerkstelling. De huidige praktijk van de afgifte van Sofi-nummers aan hier niet-rechtmatig verblivende vreemdelingen moet tot de onmogelijkheden gaan behoren. Het kabinet heeft hiertoe besloten.

Ten tweede dient er een strengere strafmaat te worden opgelegd aan bedrijven die zich schuldig maken aan aanstelling en vaak uitbuiting van illegalen. Hieraan dient daadwerkelijk uitvoering gegeven te worden. Pas in laatste instantie worden illegalen het land uitgezet.

Die volgorde staat de PvdA voor ogen, anders wordt uitvoering van het beleid een mislukkng. Wanneer we het circuit dat illegaliteit veroorzaakt niet weten te doorbreken (werkgevers die goedkope arbeidskrachten willen, gebrekkige arbeidsbemiddeling, onvoldoende controle en bestraffing) dan dweilen we met de kraan open.

Diegenen die deze opstelling niet willen onderschrijven, beroepen zich op zelf gecreeerde spookbeelden van razzia's. Terwijl ze een beroep doen op genuanceerdheid en behoedzaamheid maken ze zichzelf schuldig aan ongenuanceerde uitsprakn en verdraaiing van de feiten.

Sinds 1980 spreken we in Nederland zeer intensief over het minderhedenbeleid. Over de doelstellingen van dit beleid bestaat in grote lijnen overeenstemming; de problemen doen zich voor bij de uitvoering. Echter, wanneer het daarover gaat, wordt de discussie snel mistig.

De inzet van het beleid voor de jaren negentig is, mede in het kader van de Sociale Vernieuwing, meer en meer gericht op de praktische uitvoering en op het aanspeken van instellingen en burgers teneinde een kwalitatieve bijdrage te leveren door nuchter en effectief te handelen.

Voor het minderhedenbeleid betekent dit eerst en vooral accent leggen op het zelfoplossend vermogen van de groeperingen zelf. Niet alle beleid is een kwestie van geld. Geld is noodzakelijk, maar het moet wel op de juiste wijze worden ingezet. Ik ben ervan overtuigd, dat er in de afgelopen jaren niet optimaal gebruik is gemaakt van de potenties die de gemeenschappen van Marokkanen en Antillianen in Amsterdam hebben om het hoofd te bieden aan de problematiek van bepaalde groepen van hun jongeren.

Wij moeten ons afvragen of we niet te veel de tekortkomingen van burgers benadrukken en hen tot onderwerp van zorg en aandacht maken in plaats van hen uit te nodigen het lot in eigen hand te nemen. Ouders, geestelijken en opinieleiders binnen deze gemeenschappen kunnen veel meer verrichten dan ze tot nu toe hebben gedaan. Financiele steun moet ook worden verlegd in de richting an diegenen die het werk beter aankunnen. Dat dit een gevecht is met de gevestigde instellingen staat buiten kijf. Het is niet voor niets dat men dan roept om extra financiele middelen, aparte projecten en experimenten, terwijl het de reguliere taak van voorzieningen is om zich te richten op diegenen die dit het hardst nodig hebben. Dat betekent er veranderingen nodig zijn in de werkwijze en de personele samenstelling van de arbeidsvoorzining, de politie en de hulpverlening.

Emancipatiebewegingen binnen de gemeenschappen van migranten verdienen alle steun en stimulans. De situatie die ontstaat door de veranderingen in de gezinsstructuur, de emancipatorische tendensen onder migrantenvrouwen en -jongeren, de sociale implicaties die deze met zich meebrengen alsmede de claim die wordt gelegd op andere opvoedingspatronen, zijn zaken die moeten worden begeleid en ondersteund. Niet de hoeveelheid hulpverleners is de oplossing maar het onderlinge gsprek en de dialoog binnen het gezin en de familieverbanden van de diverse gemeenschappen. Voorlichting en aanzetten tot gesprek via de media kunnen daarbij helpen.

Het Nederlandse minderhedenbeleid heeft veel migranten kansen gegeven en wil die kansen blijven vergroten. Wie het minderhedenbeleid alleen in negatieve zin benadert als mislukt en onmachtig veranderingen aan te brengen, ziet niet dat er goede dingen worden gedaan in dit land en wil niet erkennen dat de oplossing va hardnekkige problemen tijd, veel energie, creativiteit en geduld vereist.