De Man Die Niet Meer In De Rij Wou Staan

Bij een vechtpartijtje brak zaterdag mijn pink. Wat te doen?

Elke illegaal weet dat hij bij een zweer, een griep, een buikpijn of een verzwikte enkel niet naar een dokter of ziekenhuis t, maar rustig moet wachten tot het over is. Bij een steek- of snijwond kan je naar de eerste hulp van een ziekenhuis, een valse naam opgeven en zeggen dat je in het ziekenfonds zit. Bij een druiper of sief ga je naar de geslachtsziektenkliniek waar ze aan valse namen gewend zijn. Maar wat moet een illegaal met iets dat herhaald doktersbezoek nodig maakt? Een illegaal moet gewoon zorgen dat hij gezond blijft, zoalshij ook nergens tegen op moet botsen, en aan de overkant van de straat moet gaan lopen als Kok er aan komt (grapje hoor: Kok loopt immers nooit op straat).

Mijn pinkbreker had de oplossing in zijn zak: een ponskaart van een ziekenhuis, dat zo groot is dat ze hem niet kennen.

Daar werd ik door een allerliefst meisje, met helaas een ringetje dat verlof of trouw aangaf om haar vingertje, van een gipsen handschoen voorzien, die ik zes weken moet blijven dragen. Mijn duw- en steunwerk van de Oude Heer Slech(Jter Been heeft daar niet onder te lijden.

“Peter”, zegt Slechter Been, “waarom sis en stamp en schreeuw en schop je toch naar elke hond of kat waar we langslopen?”

“Ach, dat zijn wij Russen nu eenmaal zo gewend. Ik zal het niet meer doen.” Dan maak ik achter Slechter Beens rug het internationale vervloekteken met de middelste vinger van mijn linkerhand - de rechter zit immers in het gips om pink gezelschap te houden. De beesten kennen dit teken en rennen voort.

“Peter”, zegt Slecr Been, “heb je al gehoord dat ze Leningrad nu weer Petersburg gaan noemen?”

“Ach, zo noemen wij in Rusland die pokkestad nu eenmaal. Ik ben er heus niet trots op dat ze dat opscheppersdorp naar mij noemen in plaats van naar Pet-waar-ga-je-met-dat-ventje-heen.” Ik zeg maar niet dat de halfjaarlijkse aftuigpartijen van de Pieterburgse voetbalfans mijn vrolijkste Moskouse herinneringen vormen. Zelfs al kochten ze de scheids om, winnen konden die kolereknakkers nooit.

“Peter”, zegt Slechter Been, “wat vind je van de nieuwe president, die Jeltsin, nu al weer op bezoek bij Bush, en helemaal geen communist.”

“Hij zuipt goed, dat kan hij nog uit de tijd dat hij wel communist was.” Met de linkerwijsvinger maak ik het koppie-koppie-gebaar tegen mijn linker voorhoofd.

Ik vermeld deze drie snippers van onze conversatie op weg naar het postkantoor, om te bewijzen dat ik mijn joet per uur heus niet zo makkelijk verdien.

Ik val haast in de termen van de uitgebuite illegale werknemer, die teneinde niet meer uitgebuit te worden nodig over de grens gezet moet worden. Zo trapten wij ook altijd op de smoelen van de Pietersburgers uit medelijden met hun verschrikkelijke facies.

Bij het postkantoor moet ik bij de deur blijven wachten om eventuele overvallers te verzoeken hun werkzaamheden nog even uit te stellen tot mijn werkgever veilig naar buit is geschuifeld. Hoe Slechter Been denkt dat ik de man met bivakmuts en schietgeweer zal tegenhouden, is onduidelijk. Waarschijnlijk denkt hij toch bij zichzelf: al die illegale criminelen kennen elkaar. Hoe graag zou ik hem uitleggen dat ik met dat tuig uit Afrika en Azie niets anders gemeen heb dan mijn visumloosheid. Maar ik ken de lichtgevoeligheid van de rijke Hollanders als het over bruinen of zwarten gaat. Daar mag je geen kwaad woord over spreken. Noem ze immigranten, allochtonen, minderheden, buitenlanders, en je kunt al t vuil spuiten. Maar ik ben zo bang dat ze dan ook mij bedoelen.

Verdomd, daar komt zo'n gozer met bivakmuts en schietgeweer. “Hee, joh, ik zou doorlopen als ik jou was. Kok zit binnen.” Hij loopt door. Was het wel een geweer? Was die muts niet omdat het zo veel kouder is dan in Afrika? In ieder geval had ik hem onder de duim.

(wordt vervolgd)