DE COUREUR DIE REED ALS EEN TANGO

De Argentijnse coureur Juan Manuel Fangio, vandaag tachtig jaar geworden, is een legende in de autosport. Hij behaalde vijf wereldtitels, won 24 van de 51 Grote Prijzen waarin hij startte. Totdat hij op een warme juli-zondag in 1958 als 47-jarige abrupt een streep zette onder zijn glanzende carriere.

Juan Manuel Fangio, de man over wie vele boeken zijn geschreven, enkele films werden gemaakt, aan wie een tango werd opgedragen en wiens bokalen en wagens in het naar hem vernoemde museum in zijn geboorteplaats Balcarce zijn te bewonderen, is nog steeds een magische persoonlijkheid.

Zijn staalblauwe ogen zijn nog even doordringend als in zijn glorietijd. Zijn manier van lopen trekt de aandacht door zijn kromme benen (daaraan dankt hij de bijnaam El Chueco); z'n hoofd houdt hij een tikje schuin. Het is de blijvende herinnering aan een ongeluk in 1952 waarbij hij in het Italiaanse Monza zijn nek brak. Een van de zeldzame keren dat hij gewond raakte.

“Door slecht weer kon ik niet van Parijs naar Italie vliegen, ik zat de hele nacht achter het stuur en stapte een half uur voor de start in de Maserati. Het was mijn eigen schuld, ik was bekaf en maakte een fout.”

De dreiging van de dood stond centraal in zijn rennersleven. “In de tien jaar dat ik in Europa aan races deelnam, verloor ik dertig van mijn collega's.” Fangio is dankbaar dat hij het allemaal kan navertellen. En dat doet hij de laatste jaren vrijwel onophoudelijk als eregast bij wedstrijden. Hij hanteert nog regelmatig het stuur van zijn vroegere bolides want vooral de firma Mercedes-Benz, die een terugkeer naar de eredivisie van de autosport voorbereidt, pronkt graag met de maestro en de onberispelijk onderhouden zilveren pijlen van weleer.

Fangio laat het zich allemaal welgevallen, hij praat onbevangen over het verleden. Bijzonderheden diept hij haarfijn uit want hij wil geen verkeerde voorstelling van zaken. De Argentijn is een beminnelijk mens. Zijn stem is aan de hoge kant, wat een merkwaardig effect oproept als je hem voor het eerst hoort praten over zijn carriere.

Controverses gaat hij uit de weg. Hij ontwijkt commentaar over Enzo Ferrari, voor wie hij in 1956 reed. De mannen konden het niet goed met elkaar vinden; een kwestie van botsende persoonlijkheden. In zijn tijd vond hij zichzelf de beste, wat volgens hem de enige manier was om te kunnen overleven en prestaties te leveren.

Het is lastig voor te stellen dat hij ooit de onverschrokken renner was als je hem ziet in zijn eenvoudige woning te Balcarce, zestig kilometer van de badplaats Mar del Plata. Daar woont hij met zijn broer en zuster en omringt zich graag met hun kinderen. Zelf trouwde hij nooit. De vrouw die hem tijdens zijn loopbaan over de gehele wereld vergezelde, Donna Andrea, verliet hem nadat hij zijn helm aan de kapstok hing. Zij trok verder met zijn vroegere manager.

Naast gevaar stond geluk centraal in zijn leven. Bij de 24-uurs race van Le Mans in 1955 werd hem bovenmenselijk reactievermogen toegedacht toen hij een botsing wist te vermijden waarbij teamgenoot "Levegh' de tribunes inraasde. Het drama vergde tachtig slachtoffers. Fangio hield het op geluk dat hem redde. Een hoedanigheid die hem altijd terzijde stond.

Zijn capaciteiten werden aangescherpt in de vooroorlogse wegraces door Zuid-Amerika. Om aan de start te komen werd hij geholpen door vrienden en loterijen. Er werd gereden over erbarmelijk slechte wegen, het publiek was uitzinnig en er vielen veel slachtoffers.

Hij dankt zijn wereldbekendheid aan die barre wegwedstrijden. Het winnen van de Grand Premio Internacional del Norte over tienduizend kilometer ging aan de rest van de wereld voorbij want dat was in 1940.

Na de oorlog reed hij verdienstelijk met een Simca-Gordini in eigen land, wat hem de uitnodiging opleverde om in Reims te starten. Hij reed twee races in Frankrijk en viel twee keer uit met panne. Eenmaal terug raakte hij in een Argentijnse race van de weg waarbij zijn bijrijder dodelijk verongelukte. Fangio wilde stoppen.

Bijna had de wereld nooit van hem gehoord, maar toen de Argentijnse automobielclub een Maserati voor hem kocht, keerde hij in 1949 als 38-jarige terug naar Europa. Hij reed vier races en won ze allemaal.

Het begin van een briljante carriere van een tamelijk oude coureur die ervaring koppelde aan een gepolijste stijl en een bijzonder gevoel voor de techniek. In 1951 werd hij wereldkampioen met Alfa Romeo, in 1954 met Maserati en Mercedes, in 1955 met Mercedes, in 1956 op Ferrari en in 1957 met een Maserati.

Zijn intuitie voor mechanische zaken was van grote invloed. Zonder schroom meent hij: “Een auto en een motor beschouw ik als een levend iets. Ik was verliefd op automobielen”. Hij raakte bekend als de man die zo hard reed als de tegenstanders toelieten. Niet alleen geluk hielp hem, ook koersinzicht. “In Monaco lag ik eens op kop maar ik zag de mensen niet naar mij kijken maar naar de volgende bocht. Dat vond ik vreemd, reed dus rustiger en kon nog juist de puinhoop ontwijken van al de wagens die op elkaar waren geknald.”

Hij was nooit te beroerd om collega's te helpen. In 1956 zei hij tegen Musso en Castellotti dat zij hem in de Grote Prijs van Italie maar moesten volgen, dat hij hen tien ronden voor de finish voorbij zou laten en dat zij maar moesten uitvechten wie er ging winnen. “Het liep anders. De jonge leeuwen gingen er als gekken vandoor en reden hun banden aan flarden.” Fangio zette zijn kapotte wagen aan de kant, maar de Brit Peter Collins stelde zijn wagen ter beschikking. Een geste die Fangio nooit vergat. Hij werd tweede en stelde zijn vierde wereldtitel veilig.

Een jaar later degradeerde hij Ferrari-rijders Collins en Howthorn door op de Nurburgring een achterstand van vijftig seconden na bandenwissel goed te maken. Zijn mooiste zege die hem zijn vijfde kampioenschap opleverde. “Zo veel risico neem ik nooit meer”, zei Fangio die er in 1958 na de Franse Grand Prix de brui aangaf. Zijn Maserati was matig, de koppeling ging stuk. “Ik dacht: wat doe ik hier. De mensen willen de wereldkampioen voorop zien rijden. Ik was het zat. Altijd stonden de beste wagens voor me klaar, dit keer niet.

Tien jaar aan de top is zwaar. Zeker als je 47 bent.''

Fangio had nooit spijt van zijn beslissing. Hij was de beste, overleefde het racen en werd een levende legende.