Als een plas niet op tijd komt

Niels Boogaard zal die dag in mei nooit meer vergeten. De amateurwielrenner uit Zwaag had zich in en rondom Bergen op Zoom volledig leeggefietst.

Eerst in een gewone etappe, 's avonds in de ploegentijdrit van Olympia's Ronde. Bekaf kwam hij in zijn hotel aan, waar hij werd afgemasseerd. Boogaard was al gereed voor het avondmaal toen hij plotseling vernam dat hij op de dopingcontrole had moeten verschijnen.

In ijltempo meldde hij zich bij de mannen in de witte jassen, maar helaas: zijn plas werd niet meer geaccepteerd.

Een renner die te laat komt bij het onderzoek naar verboden stimulerende middelen, wacht dezelfde straf als een betrapte coureur.

Dus sloot de wielerunie (KNWU) Boogaard voor drie maanden uit. De Noordhollander pikte het niet. In overleg met mr. Vixseboxse, secretaris van de Vereniging van Beroepswielrenners (VVBW), besloot hij ten slotte een kort geding aan te spannen tegen de KNWU. Boogaard en zijn raadsvrouwe mr. Hillen eisten van de wielerunie opheffing van het startverbod voor Nederlandse wedstrijden voor een periode die in augustus afloopt.

Mr. Vrakking, de president van de Amsterdamse arrondissementsrechtbank, stelde Boogaard afgelopen vrijdag in het ongelijk. Dat is nogal wiedes, vond het peloton, want regel is nu eenmaal regel. Boogaard en zijn juridische adviseurs hadden echter op een positieve uitspraak gehoopt. Daarbij verwezen ze naar een vergelijkbaar incident: het vorige seizoen verscheen amateur John den Braber, als lid van een nationale ploeg onder leiding van een bondscoach (Geserik), na de Omloop van Vlaanderen ook te laat bij de dopingcontrole.

Den Braber kreeg prompt drie maanden schorsing aan zijn broek, maar omdat de fout aanwijsbaar bij Geserik lag, besloot de KNWU die straf niet over te nemen voor Nederlandse wedstrijden. Mr. Vixseboxse: “Om Den Braber helemaal vrij te pleiten ging de KNWU zelfs in beroep bij de arbitragecommissie van de internationale wielerunie. Dat kostte 4.000 Zwitserse franken. Het beroep werd afgewezen. De heren vonden dat de verantwoordelijkheid bij de renner zelf lag.” De coureur dient dus altijd te weten of, waar en wanneer hij zich voor de dopingtest moet melden.

De vraag rijst of de reglementen op dit punt altijd helder zijn. In de praktijk ontbreekt die duidelijkheid vaak. Neem Olympia's Ronde. Mr.

Hillen: “Na de ploegentijdrit in Bergen op Zoom hing achter de finish een bord met, in het Frans, de tekst dat de eerste renner van de als eerste en tweede geklasseerde teams naar de dopingcontrole moesten.

Wie werden daar bedoeld? De winnende equipes of de twee leiders van het algemeen ploegenklassement?

”Vixseboxse: “Als ex-renner heb ik de ervaring dat je in zo'n discipline niet eens weet of je de streep als eerste, tweede of derde passeert, zo stuk ben je. De regels willen dat zo'n man zich uiterlijk een half uur na zijn finish bij de dokter meldt. Belachelijk, want het kan nog wel een hele tijd duren eer alle renners binnen zijn. Anders gezegd, het kan gebeuren dat een coureur pas een uur na zijn aankomst weet of hij tot de winnende ploegen behoort en dus naar de controle moet.”

Bovendien, meent Vixseboxse, is het reglement in deze vorm gevaarlijk. “De ploegen kunnen zeven renners prepareren en een man naturel laten rijden. Als die naturelman dan als eerste over de streep gaat, is er niets aan de hand. Nee, het aanwijzen van de renners voor de dopingcontrole zou moeten gebeuren op de wijze, zoals de UCI dat doet in het enige toernooi dat die bond organiseert: de wereldkampioenschappen. Elke renner wordt daar door een UCI-vertegenwoordiger schriftelijk uitgenodigd voor de controle. Het wordt tijd dat die werkwijze ook hier wordt ingevoerd.” Mooi, maar Niels Boogaard schiet daar niets meer mee op.