Vlak voor dure feestdagen blaast Indonesische politieman vaker op zijn fluit; Bekommernis om amarenlegioen

JAKARTA, 22 JUNI. “Wij, militairen buiten dienst, bedanken de regering voor de verhoging van onze pensioenen. Maar als u mij vraagt of dit voldoende is, moet ik zeggen: belum (nog niet).”

De kolonel b.d. van de Indonesische landmacht is zijn minister van financien, J.B. Sumarlin, dankbaar. Die kondigde onlangs aan dat de ambtenarensalarissen, militaire weddes en pensioenen met ingang van 1 juli met 15 procent worden verhoogd.

Toch is de ex-officier, die een maandelijks pensioen krijgt van 200 gulden, niet tevreden: “Eerlijk gezegd kan ik met dit extraatje net mijn elektriciteitsrekening betalen en de tarieven gaan binnenkort omhoog”. De meeste Indonesische ambtenaren verdienen nog niet de helft van dit kolonelspensioen. Ook na 1 juli blijven zij aangewezen op bijverdiensten.

Sumarlins besluit komt tamelijk onverwacht. Tijdens de behandeling van de begroting 1991-'92 in uis van Afgevaardigden, het parlement van Indonesie, wilden alle fracties - ook die van de strijdkrachten - dat de salarissen en weddes met 10 procent werden verhoogd. Indonesie, het belangrijkste OPEC-lid van Azie, streek in het begrotingsjaar 1990-'91 een meevaller op van 2 miljard gulden als gevolg van de Golfcrisis. Een deel daarvan moest ten goede komen van de over het algemeen onderbetaalde overheidsdienaren, aldus het Parlement.

Minister van financien, Sumarlin, hield echter het been stijf. noemde een aantal financiele perikelen: minder buitenlandse hulp, een onzekere olieprijs, oplopende kosten als gevolg van stijgende energiesubsidies en het gevaar van een uit de hand lopende inflatie.

In 1990 steeg het prijspeil in Indonesie met iets meer dan 9 procent. Sumarlin stelde alleen een dertiende maand in het vooruitzicht voor het geval de gemiddelde olieprijs aan het einde van het begrotingsjaar 1991-'92 boven de begrotingsnorm van 19 dollar per vat zou uitkomen. Dat leverdm een complimentje op van IGGI-voorzitter Jan Pronk: “Dit is verstandig beleid. Een salarisverhoging moet structureel zijn; je moet die ook nog kunnen financieren als de olieprijs omlaag gaat”.

Toch besloot het kabinet op 5 juni tot een opslag van 15 procent, niet alleen over het basissalaris, maar over de inhoud van het hele loonzakje, inclusief toeslagen. Totale kosten: 1 miljard gulden.

Kennelijk is er een nieuwe situatie ontstaan. Sommigen houden het op de naderende verkiezi van 1992, anderen wijzen op de ongewone onrust in de volksvertegenwoordiging. Minister Sumarlin wees deze speculaties echter van de hand. In zijn toelichting voor het Huis van Afgevaardigden zei hij dat de maatregel was ingegeven door bekommernis om het “welzijn van de ambtenaren, militairen en pensioentrekkers”. Bovendien had de olieprijs zich gestabiliseerd, dankzij het voornemen van OPEC om de produktie te beperken.

Het welzijn het overheidspersoneel in Indonesie laat inderdaad te wensen over. Het merendeel van het ambtenarenlegioen (3,8 miljoen mannen en vrouwen, van wie ruim 10 procent van de 180 miljoen Indonesiers financieel afhankelijk is) gaat maandelijks met niet meer dan 100.000 rupiah (100 gulden) naar huis. Daarbij zijn de toeslagen, bij voorbeeld voor kinderen, inbegrepen. Dat is nog altijd meer dan het minimumloon in de industrie (ongeveer 60 gulden per maand), maar halverwege de maand is het meestal op. Grootste kostenpost is de huur (in de kampongs van Jakarta gemiddeld 50 gulden per maand), daarna volgen de kosten van het woon-werkverkeer (in Jakarta, afhankelijk van overstappen, 50 cent tot een gulden per dag, dat is 12 tot 25 gulden per maand) en het schoolgeld voor de kinderen. In veel gevallen gaat het maandsalaris geheel op aan deze uitgaven.

Daar komt bij dat de openbare dienst in Indonesie zo zijn dure eigenaardigheden kent. Inkoopsommen van meer dan 1 miljoen ah (1000 gulden) voor een overheidsbaan zijn niet ongewoon. De zeer lage inkomens en de hoge lasten leiden tot misbruik van functies. Dienstverlening die officieel (bijna) gratis is, kost de burgers veel geld. Bij nadering van dure feestdagen blaast de politieman vaker op zijn fluit en lopen de boetes op. De legeskosten voor een verplichte identiteitskaart bedragen 3000 rupiah (3 gulden), maar bijna iedereen betaalt meer. Eenah (wijkhoofd) in Jakarta vroeg onlangs 120.000 rupiah aan iemand die zijn identiteitskaart was kwijtgeraakt en snel een nieuwe nodig had.

Binnen de regering is men zich bewust van het probleem. In een recent interview over de veelbesproken “nieuwe openheid” zei de coordinerend minister van veiligheidszaken admiraal b.d. Sudomo: “Die openheid moet ook toenemen in de dienstverlening aan het publiek. Ambtenaren vragen te veel geld voor hun diensten en anders kost het te veel tijd. Daar bestaan veel klachten. De overheidssalarissen zijn inderdaad laag, maar gelukkig zijn er ook veel eerlijke mensen”.

De behartiging van de ambtenarenbelangen is feitelijk in handen van de overheid zelf. Minister van binnenlandse zaken, Rudini, 's lands grootste werkgever, is tevens landelijk bestuurslid van Korpri, de enige ambtenarenorganisatie, waar alle staatsdienaren verplicht lid van zijn. Minister Rudini is overigens niet blind voor het ambtenarenbelang. In een interview met het weekblad Editor larde hij vorige week het voorstel om de salarisopbouw bij de overheid aan te passen door een trapsgewijze verhoging: niks extra's voor ministers, 2,5 procent extra voor de hoogste ambtelijke rang, 5 procent voor echelon 2, 10 procent voor echelon 3 en uiteindelijk 27 procent voor de laagste rang. Op de vraag of hij dit idee al had besproken in het kabinet, antwoordde Rudini: “Nee, dat moet ik als Korpri-bestuurder apart opnemen met mijn collega van financien”.

Een aantal ontwlingen dreigt de aangekondigde salarisverhoging uit te hollen. De laatste verhoging dateert van 1 april 1989, toen de ambtenaren en militairen 10 procent extra kregen. In 1989 bedroeg de inflatie volgens officiele opgaven 5 procent, in 1990 was die al 9 procent. Daarmee is de komende opslag niet meer dan een inhaalmanoeuvre ten opzichte van het officieel geregistreerde prijspeil. Ten slotte hangen er twee maatregelen in de lucht die de koopkracht van de lagere inkogroepen, waaronder de meeste ambtenaren, gevoelig zullen aantasten.

Met de recente verhogingen van de wereld-marktprijzen voor ruwe olie zijn de kosten van de binnenlandse energiesubsidies bijna verdubbeld; in de begroting voor 1991-'92 is daar 1,2 miljard gulden voor uitgetrokken. Bovendien draait het staats-elektriciteitsbedrijf PLN met forse verliezen. President Soeharto en minister van mijnbouw en energie, Ginandjar Kartsasmita, hebben al aangekondigd dat de brandstofsubsidies binnenkort omlaag gaan en de elektriciteitstarieven omhoog.

Het is de vraag of de kolonel b.d. dan zijn rekening nog kan betalen.