Veertig jaar communisme heeft de taal in Tsjechoslowakije volkomen ontwricht; Dodelijke tendenzen in een hulpeloze samenleving

De politici in Tsjechoslowakije zijn zonder twijfel niet de enigen geweest die, un grote teleurstelling, hebben geconstateerd dat Fukuyama het volstrekt mis had toen hij het definitieve einde van alle politieke conflicten en de eindoverwinning van de pluralistische democratie en het liberale gedachtengoed uitriep. Hij verviel namelijk in de meest gemaakte fout van politieke denkers: hij hield geen rekening met de menselijke psyche.

De officiele, wettelijke veranderingen, hoe ingewikkeld en moeilijk ook, verlopen met verbijsterende snelheid vergeleken bij de verandering in het denken van de mensen die het nieuwe bestel moeten laten functioneren. De hierarchie van normen en waarden, de mentaliteit, ja de denkbeelden en de taal zelf weigeren koppig de officiele, wettelijke realiteit te weerspiegelen. Dit levert een uniek, waardevol moment in de geschiedenis op, dat echter een nachtmerrie is voor de politicus en de burger. Zoaanspraak te maken op volledigheid of zelfs maar systematiek kunnen we niettemin proberen de belangrijkste bronnen van actuele problemen te analyseren. De analyse gaat, met enig smaakverschil per land, waarschijnlijk ook op voor andere post-communistische landen.

De psycholoog Martin Seligman heeft de term 'aangeleerde hulpeloosheid' bedacht voor een specifieke geestesgesteldheid die bij sommige individuen tot schade aan de gezondheid en ernstige gsstoornissen leidt. Hij heeft daarbij waarschijnlijk nooit aan de politiek gedacht. Toch blijkt het concept daarvoor zeer bruikbaar als we kijken hoe men in Tsjechoslowakije reageert op onverwachte uitdagingen, het uitvloeisel van de nieuwe vrijheid.

Het communistische regime beperkte de ruimte voor persoonlijke beslissingen tot een minimum; iedere vorm van politieke onafhankelijkheid en rijpheid werd afgestraft, evenals iedere onafhankelijke economische activiteit. Er bestond dn permanente en zeer reele hulpeloosheid. Uiteraard is het gevoel van hulpeloosheid een mentaliteitskwestie die te veranderen en zelfs te genezen is. Maar gemakkelijk is dat niet, vooral bij wie zijn hele leven hulpeloos is geweest. En intussen kan het een van de lastigste obstakels worden op de weg naar economische heropleving, en een bron van zeer veel machteloze woede en vijandigheid.

Wie geleerd heeft hulpeloos te zijn is een gemakkelijk doelwit mythologieen en simplistische verklaringen die de sociale en politieke problemen aan uitwendige oorzaken wijten. Zo iemand heeft geleerd te leven met het gevoel dat over alles wordt beslist door onbekende, schimmige machten. Kort geleden hebben tal van politieke avonturiers daar misbruik van gemaakt door de meest wilde propagandaverhalen over vreemdelingen, joden enzovoorts te verspreiden, die in vruchtbare aarde vielen - blijkbaar vindt een groot deel van de bevolking het een rustgevend gevoel hulpeloos te zijn door rne oorzaken.

ONTWRICHTE BEGRIPPEN

Willen politieke ideeen effect hebben op de bevolking in haar geheel, dan moet er een vlekkeloze communicatie bestaan tussen de politieke leiders en de bevolking. Daarvoor is het nodig dat beiden dezelfde taal gebruiken. Meer in het bijzonder dienen woorden dezelfde betekenis te hebben aan beide uiteinden van het communicatieproces: de spreker die ze hanteert en de luisteraar die ze interpreteert.

Op het ogenblik is dat niet zo. Veertig van Orwelliaanse newspeak heeft de semantiek in het honderd gestuurd. Begrippen als parlement, democratie, partij, macht, sociale rechtvaardigheid, gelijkheid, markt, liberalisme, links, rechts, en zelfs vrede zijn zo vaak misbruikt, dat hun inhoud - soms enigszins, soms totaal - is veranderd. Pas langzamerhand zijn de leiders van de revolutie (veelal intellectuelen die hun semantiek ontleenden aan westerse bronnen en een exclusieve opleiding) de dagelijkse communicatoornissen tussen hen en de burger gewaar geworden. Deze situatie werd al veel eerder onderkend door demagogen van allerlei pluimage, die er schaamteloos van profiteerden in hun streven naar macht en invloed. De revolutie wordt zelfs wezenlijk bedreigd door haar eigen retoriek.

Jorge Luis Borges heeft jaren geleden een verhaal geschreven waarin hij een geheime samenzwering verzon van grote denkers die langzamerhand de wereld veranderen door eerst nieuwe woorden en ten slotte eezelfbedacht land compleet met geschiedenis, in sommige edities van de Encyclopaedia Brittanica binnen te smokkelen. De analogie is treffend: een samenleving die lang genoeg “semantische deprivatie” moet ondergaan zuigt grif nieuwe woorden op die dan, als ze maar vaak genoeg worden herhaald, dikwijls een geheel onvoorspelbaar eigen leven gaan leiden.

'Perestrojka' en 'glasnost' zijn misschien het populairst, maar het zijn zeker niet de enige. Zo heeft het woord 'totaliteit' in echoslowakije geholpen de gemeenschappelijke vijand een naam te geven, terwijl het tegelijk de communisten hielp om met geringe kleerscheuren uit de revolutie te komen. Het woord is zo vaag, zo abstract, zo voorzichtig, dat het misdadigers en slachtoffers op een hoop deed belanden. Iedereen is tegen 'totaliteit' - iedereen is er altijd tegen geweest.

Het relatieve belang van normen en waarden is een van de doorslaggevende determinanten van het sociaal, politiek en economisch gedrag. De succesvolle economieen van het westen ontlenen hun kracht aan de door de bevolking gehuldigde waarden. De communistische machthebbers zijn erin geslaagd enkele van de belangrijkste waarden hun rangorde in de hierarchie te ontnemen, althans bij de meerderheid van de Tsjechoslowaakse bevolking. Individuele vrijheid geldt als veel minder waardevol dan zekerheid, streven naar persoonlijk succes en rijkdom is vert en wijst vermoedelijk op een slecht karakter en rijkdom is op zichzelf al haast een misdaad. Tegelijkertijd is het respect voor prestatie en arbeid verzwakt doordat die als zinloos worden ervaren - loyaliteit en gehoorzaamheid zijn in het verleden veel beter beloond. Het sociale waardenstelsel is gehavend door jaren van gedwongen argwaan tussen de mensen. Dit alles kan zand in het raderwerk van een beginnende economische gedaanteverwisseling blijken.

ACTUELE DREIGINGEN

De meest voorkomende overtuiging o hen die zich nog verbonden voelen met de 'Praagse Lente' is het geloof dat een planeconomie wel degelijk zou kunnen werken, als het plannen maar door de juiste mensen gebeurt. Mensen die aan zoveel brutaal, vulgair 'wetenschappelijk materialisme' zijn blootgesteld vertrouwen meer dan de rest van de wereld, op de hardnekkigste aanmatiging van het menselijk intellect die er is: dat economische, sociale en zelfs biologische processen te formaliseren zo zijn, uit te drukken in een paar complexe vergelijkingen, en daarmee te voorspellen en te beheersen tot heil van iedereen. Het denkbeeld dat die essentiele processen aan zichzelf zouden worden overgelaten wekt bij de meeste mensen een soort onbedwingbare ongerustheid, een gevoel van onverantwoordelijkheid, zodat het haast een taboe wordt. Daarom komen zelfs ministers die luide de noodzaak van de markteconomie verkondigen met denkbeelden waarin de staat betrokken is bij haast iederem van economische activiteit.

Er is in de Tsjechoslowaakse samenleving een drietal tendenzen zichtbaar die ik niet aarzel te omschrijven als dodelijk - zeker als ze elkaar versterken. Het zijn verering van autoriteit, nationalisme en socialisme. Deze tendenzen begonnen zich af te tekenen toen de euforie van de revolutie begon te tanen. Het gevoel van onzekerheid veroorzaakt door het onbekende riep, samen met de aangeleerde hulpeloosheid, een wanhopige behoefte autoriteit op, voor sterke lieden die op alles een antwoord klaar hadden, die de weg zouden wijzen, die zouden weggen wat de mensen wilden horen, die een gevoel van veiligheid zouden geven.

Vandaar de groeiende impopulariteit van de revolutionairen die niets dan 'bloed, zweet en tranen' beloven. Dezelfde gevoelens van onveiligheid en hulpeloosheid, gecombineerd met het verlies van persoonlijk zelfvertrouwen veroorzaken een versterking van het nationalisme, het verlangen naar een ectieve, beschermende identiteit, de behoefte aan een duidelijk identificeerbare gemeenschappelijke vijand die schuld aan alle narigheid zou hebben. De achteruitgang van het identiteitsbesef veroorzaakte, gecombineerd met de ontwaarding van waarden, een collectieve denkwijze en collectieve opvattingen ten aanzien van sociale behoeften. En er zijn al lieden ten tonele verschenen die zich willen opwerpen als autoriteiten, als leiders, die argwaan jegens de “zw” parlementaire democratie en een pijnloze overgang naar toekomstige voorspoed prediken en zo, gebruik makend van de twee andere tendenzen, een steeds groeiende aanhang om zich heen verzamelen. Dit dodelijke drietal dreigt als het nog sterker wordt, niet alleen het land in tweeen te splijten maar ook de democratie om hals te brengen.

ONERVAREN PARLEMENT

Gustave le Bon was de eerste die een parlement gewoon een soort mensenmassa durfde noemen. En inderdaad kan een parlement, net alsiedere andere groep mensen, onder de juiste omstandigheden een 'collectieve geest' creeren en zich geheel irrationeel gaan gedragen. Komt dit slechts zelden voor bij de 'oude' parlementen waar de macht in balans en nauwkeurig omschreven is en waar een traditie van regels bestaat, bij de pasgeboren, onervaren parlementen in de post-communistische landen is de kans op zo iets veel groter.

De nieuw-verkozen leden van die parlementen hebben het hele psychische erfgoed van het verleden met zieegebracht. De anti-parlementaire krachten in de samenleving zouden een situatie kunnen doen ontstaan, zouden zoveel druk kunnen uitoefenen, dat het parlement zijn onafhankelijkheid zou verliezen en zijn leden hun individuele beslissingsvermogen. De situatie in het zuidelijke deel van Europa geeft al een voorproefje van een dergelijke ontwikkeling.

Om niet met zulnheilsvisioenen te besluiten wil ik met klem bestrijden, ondanks alle genoemde psychische obstakels voor een gunstige ontwikkeling in Tsjechoslowakije, dat de democratie in dit land ten dode opgeschreven zou zijn of dat het onafwendbaar naar een chaos zou afglijden. De obstakels zijn er, en ze zijn potentieel gevaarlijk, maar andere, positieve tendenzen bieden tegenwicht. Ik heb ze willen uiteenzetten omdat het nodig is een compleet beeld te geven. Analyses van westerse commentatoren hanteren vaak uitsluitend materiele criteria (zoals de toestand in de industrie) en besteden geen aandacht aan de 'factor mens'.

Die kan echter van doorslaggevend belang zijn in sommige fasen van de ontwikkeling, en het is alleen maar gunstig als we weten wat ons te wachten staat. Ik meen dat de symptomen die ik heb beschreven in mindere of meerdere mate zijn aan te wijzen in alle postcommunistische samenlevingen en dat ze niet te veronachtzamen zijn. Een strategie waarbij steun en hulp niet uitsluitend in de vorm van economische middelen wordt vend maar ook in de vorm van onderwijs en benvloeding, via de media, van factoren als normen en waarden en mentaliteit zou bij wijze van ontwikkelingshulp wel eens de beste kunnen zijn.

Foto:

Praag, najaar 1989 (foto NRC Handelsblad- Rien Zilvold)