THEO VAN BOVEN

Van een enigszins serieuze boekbespreking mag men verwachten dat deze ingaat op de hoofdlijnen van het boek.

In het boekenbijvoegsel van 8 juni 1991 wijdt Willen Offenberg een recensie aan het werk van Iain Guest, 'De vuile Oorlog. De Argentijnse junta en de mensenrechten'. Er was Offenberg kennelijk zo veel aan gelegen om een ander beeld te schetsen van mijn functioneren als directeur van de afdeling van de rechten van de mens der Verenigde Naties dan in het boek van Guest naar voren komt, dat aan dit aspect vrijwel alle aandacht wordt besteed met voorbijgaan aan de hoofdzaken en de hoofdlijnen van het boek. Een van deze hoofdzaken is het verschil in beleid van de Amerikaanse regeringen van Carter en van Reagan.

Dat Offenberg een andere visie over mijn functioneren in de Verenigde Naties ten beste wil geven, is op zich prijzenswaardig terwille van een genuanceerde beeldvorming. Dat Offenberg zich echter in een aantal gevallen op fabels in plaats van op feiten baset en dat hij verkeerde suggesties wekt, draagt tot een zodanige beeldvorming niet bij. In deze brief moet ik mij beperken en daarom zal ik slechts enkele voorbeelden noemen.

Ten bewijze van mijn ondiplomatiek gedrag voert Offenberg aan dat ik zou geweigerd hebben de ambassadeurs van Chili, Zuid-Afrika en Israel de hand te schudden. Dit is nonsens. Met de verschillende ambassadeurs van Israel heb ik veelvuldige zakelijke en sociale contacten gehad. Mindevaak waren persoonlijke contacten met de ambassadeurs van Chili en Zuid-Afrika, maar er was geen sprake van weigering de hand te schudden. Ook heb ik de hand geschud, zij het met grote tegenzin, van generaal Pinochet tijdens een onderzoeksmissie in Chili.

Offenberg schrijft dat ik geen oog had voor de vele alternatieven tussen geheime diplomatie en openbare aanklachten. Hij is niet ervan op de hoogte dat ik tal van mondelinge en schriftelijke contacten met ambaJH)sadeurs vertrouwelijk aan de orde heb gesteld, hetzij op verzoek van het kabinet van de Secretaris-Generaal, hetzij op eigen initiatief. Aanvankelijk heb ik deze lijn ook gevolgd ten aanzien van Argentinie, maar daarbij werd ik bruut teruggewezen. Overigens reageerden vertegenwoordigers van andere landen beduidend positiever. Ik voelde mij vanzelfsprekend niet geroepen aan een en ander ruchtbaarheid te geven.

Aanzienlijk anders dan Offenberg voorstelt lagen de feiten rond mijn inleidende redevoering van feuari 1982 in de Commissie voor de Rechten van de Mens. Deze redevoering die, in tegenstelling tot vele van mijn andere verhalen, inderdaad onverbloemd was, had betrekking op de bescherming van het menselijk leven en was een reactie op berichten die ter tafel lagen en getuigenverklaringen over massamoorden in vele landen. Ik had lang met deze problematiek, die zwaar op mijn gemoed rustte, rondgelopen. Anders dan Offenberg schrijft, eisten mijn superieuren het schrappen van slechts een woord of van uitsluitend de verwijzing naar het land Guatamala. Zij vroegen schrapping van zes passages die tot de essentie van de inleiding behoorden. Ook is onjuist dat medewerker John Pace mij dringend had aangeraden bepaalde passages weg te laten. Noch bij de voorbereiding van de redevoering noch bij de daarover ontstane perikelen is Pace betrokken geweest. Overigens, maar dit terzijde, heeft de redevoering er mede toe bijgedragen dat de Commissie voor de Rn van de Mens op dezelfde zitting van 1982 een Speciale Rapporteur over willekeurige en standrechtelijke executies in het leven heeft geroepen. Als correspondent heeft Offenberg herhaaldelijk bericht over de activiteiten van deze Speciale Rapporteur Amos Wako, o.a. in verband met de decembermoorden in Suriname.

Vooral in de periode dat president Carters beleid op het gebied van de rechten van de mens een gunstig klimaat schiep voor initiatieven, heb ik een aanelangrijke ontwikkelingen mede kunnen stimuleren, zoals landenprocedures en thematische procedures, waarop later is voortgebouwd. Offenberg kwam pas als correspondent naar Geneve tegen het eind van mijn mandaat. Guest daarentegen was gedurende de volle periode van mijn mandaat als journalist bij de VN geaccrediteerd. Misschien is dit een van de redenen van het verschil in beeldvorming van beide journalisten.

Naschrift Willem Offenberg:

Om te beginnen: mijn persoonlijke waardering voor prof. Theo van Boven oorvechter van de mensenrechten staat buiten kijf. Velen met mij binnen en buiten het Palais des Nations betreurden zijn vertrek. Maar Van Boven ging de strijd zelf welbewust aan in talloze confrontaties.

Uit mijn weergave van Van Bovens eigen analyse van de gebeurtenissen, de avond na zijn ontslag, moge blijken dat hij zichzelf afvroeg of hij wel diplok en flexibel genoeg was geweest.

De meeste voorbeelden voor Van Bovens soms onorthodoxe optreden, vooral het jaar voor zijn vertrek, zijn te vinden in het boek van Iain Guest. Ik wilde er in mijn boekbespreking alleen op wijzen dat Guest te weinig kritische stemmen over Van Bovens methodiek en handelwijze aan het woord laat.

Mijn visie op Van Bovens functioneren is, net als die van Iain Guest, gebaseerd op een eigen selectie van voor- en tegenstanders, van wie een groot aantal nog steeds binnen de VN werkzaam is.