Relatieve rust in niemandsland tussen rebellen en leger van El Salvador; Halt! Een kwartje voor het wegenfonds

RIO TOROLA, 22 JUNI. Aan beide oevers van de Torola-rivier is niemand te bekennen. Het water staat stil en verder is er alleen dehitte en het geluid van krekels. De Torola markeert de overgang tussen regerings- en guerrillagebied. Een provisorische ijzeren brug over overspant de restanten van zijn voorganger, al jaren geleden opgeblazen.

Na een reis van vier uur per taxi vanuit de hoofdstad San Salvador willen wij hier in de noordoostelijke provincie Morazan oversteken van het officiele El Salvador naar het gebied dat in handen is van de guerrillabeweging FMLhet Nationale Bevrijdingsfront Farabundo Marti, de overkoepelende organisatie van een vijftal kleinere guerrillagroepen. Al enkele kilometers voor de brug over de Torola heeft het officiele El Salvador zich teruggetrokken. De laatste van de drie wegversperringen van het leger tussen de garnizoensstad San Francisco Gotera en de brug over de Torola is verlaten. Bij de tweede ligt een soldaat onder een overkapping te soezen. Met een lome zwaai beantwoordt hij onze gr

“Alles is rustig, geen problemen hier”, had luitenant Lainez van het Vierde Detachement (DM-4) in San Francisco gezegd, toen hij een vrijgeleide uitschreef voor de tocht naar het Morazan van de guerrilleros. In de kazerne hing een groepje commando's lusteloos rond. Burgers stonden in de rij voor vrijgeleides, terwijl een affiche hen aanspoorde wapenopslagplaatsen van het FMLN bij het leger te melden. Een Dragunov- of AK 47-geweer levert 2.000 colones beloning op (ongeveer vinderd gulden), een 120 mm mortier is goed voor 2.500 colones. De door de Salvadoraanse luchtmacht zo gevreesde SAM-luchtdoelraketten - die volgens president Alfredo Cristiani via het Nicaraguaanse leger bij de Salvadoraanse guerrilleros zijn beland - komen op de lijst niet voor.

'Geen missie is voor ons onmogelijk', luidt het motto van deze Salvadoraanse militairen, de meesten niet meer dan twee tur(JH hoog, sommigen beroeps, anderen dienstplichtige tieners en eerder rijp voor de school- dan voor de slachtbank. De afstand naar ons even voorbij de rivier gelegen reisdoel Segundo Montes berekenen zij op “zeker twee uur”, maar op een kwartier rijden van de garnizoensstad roept een bordje al 'halt' toe.

Een vriendelijke jongedame buigt zich naar het open raampje en vraagt op zachte toon de chauffeurs om een kleine bijdrage voor het onderhoud van de weg. Met 25 centavos is het wegenfonds van de Salvadoraanse guerrilla al gesteund. Want dat wij in rillagebied zijn, maken de spandoeken langs de weg wel duidelijk: “Het volk verwerpt de onderdrukking door de militairen”.

In Segundo Montes - de verzamelnaam van een vijftal nederzettingen van enkele duizenden mensen elk - leven sinds twee jaar onder supervisie van het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties (ACNUR in het Spaans) de retornados uit Honduras. Zij komen oorspronkelijk uit Morazan, maar zijn in 1979 naar het nabijlegen buurland gevlucht voor “de repressie van het leger en de bombardementen”, zoals dorpswoordvoerder Benito Sanchez omschrijft als .

Dankzij ACNUR, die de omstandigheden voor hun veilige terugkeer rijp maakte, wonen de mensen van Segundo Montes weer op hun geboortegrond. Maar hun levensomstandigheden zijn sinds het uitbreken van de Salvadoraanse burgeroorlog, nu bijna twaalf jaar geleden, nog niet veel zijn verbeterd, zeggen ze. “We li geen honger, maar er is wel gebrek aan verschillende levensmiddelen en ook schoenen hebben we hard nodig”, zegt een met machete en breedgerande hoed uitgeruste man.

Teruggekeerd in El Salvador proberen zij met wat landbouw en veeteelt het hoofd boven water te houden. Een kleine hoeveelheid produkten wordt verkocht in de hoofdstad, als de barriere van de Torola-rivier en de garnizoensstad San Francisco Gotera kan worden genomen. Regelmatig verdwijnen inwoners van Segundo Montes in de kazernes van DM-4 achter de tralies, op verdenking van guerrilla-activiteiten. In die gevallen bemiddelt en intervenieert ACNUR. Dankzij de tussenkomst van ACNUR kon ook de Baileybrug over de Torola worden gelegd en in stand worden gehouden.

Het is rustig, zo beamen de inwoners van San Luis, een van de vijf gemeenschappen van Segundo Montes. “Er doen zich nog wel eens schermutselingen voor tussen de muchachos van de FMLN en legerpatrouilles, maar doorgaans gebeurt er niet veel”,gt dorpsoudste Benito Sanchez. De vraag waar de guerrilleros zich hier ophouden, laat hij onbeantwoord. Opvallend in de vijf gemeenschappen is dat het beeld wordt bepaald door ouden van dagen, kleine kinderen en vrouwen.

Het antwoord dat Sanchez niet gaf, presenteert zich na vijf minuten rijden in de richting van de Hondureense grens. Wij worden aangehouden door vier jongeren in camouflagekleding, de FAL-geweren achteloos onder de arm. De F-patrouille bestaat uit de 17-jarige Guillermo, Carlos (16), patrouilleleider Anastasio (18) en de 19-jarige Claridia. Op het meisje na zijn zij allen kinderen van Salvadoraanse vluchtelingen. Bij het zien van een bandopnameapparaat wordt gegiecheld en nerveus gefriemeld aan de loop van het geweer. “Nee, ik ben niet bang”, zegt Anastasio desgevraagd, “want ik kijk de dood in de ogen in het gezelschap van mijn companeros.”

De tiener-guerrilleros zijn optimistisch over de vredesdialoog tussen de regering-Cristiani, het leger en het FMLN. “Ik geloof niet dat je met wapens iets kunt bereiken”, erkent Anastasio, “maar door een dialoog moet het mogelijk zijn tot een akkoord te komen”. Claridia, haar op het leger buitgemaakte uniformjasje half opengeknoopt waaronder een zwart-kanten bh zichtbaar is, glimlacht haar twee ontbrekende voortanden bloot. “We zullen nooit de hoop op vrede in El Salvador verliezen”, fluistert zij. “Het ga je goed”, roepen zij ter afscheid.)Terug gaat het over de brug over de Torola-rivier en richting San Miguel en San Vicente. Die steden zijn in handen van het regeringsleger, maar in de buurt hebben regelmatig confrontaties met het FMLN plaats. Ook in de zuidelijke provincie Usulutan en in het noordelijke Chalatenango wordt nog regelmatig gevochten. De controle over het gebied is voor beide partijen een belangrijke element bij de onderhandelingen. Bij de provisorische bruggeie de Pan-Amerikaanse hoofdweg over de rivieren dragen, zijn militaire versterkingen gebouwd. Legerpatrouilles doemen bij tijd en wijle links en rechts van de weg op uit het groen.

Toerisme

In weerwil van de niet-aflatende stroom regeringspropaganda die via de Salvadoraanse media wordt uitgedragen, zeggen vrijwel alle gesprekspartners in El Salvador dat de invloed van de moeizame vredesgesprekken op de oorlogssituatie duidelijk merkbaar is.

“Ik geloof dat het niet lang meer zal duren voor er vrede is”, voorspelt een Europese zakenman die al een aantal jaren in de hoofdstad San Salvador verblijft. “Je merkt het aan het optimisme van de mensen, aan de relatieve rust. En aan het toenemend aantal delegaties buitenlandse zakenmensen dat hier op bezoek komt om alvast positie te kiezen voor de na-oorlogse situatie. Dit land is dankzij zijn natuurschoon zeer geschikt voor de ontwikkeling van toerisme en dankzij de lage lonen voor de assemblage-industrie.”

Maar de gesprekken tussen regering, rellen en leger, recentelijk in Mexico, San Jose (Costa Rica), Caracas en deze week opnieuw in Mexico, verlopen moeizaam. Bovendien is de situatie van de mensenrechten in El Salvador nog steeds “uiterst zorgelijk”, zegt Maria Julia Hernandez, hoofd van de op dit gebied werkzame organisatie Tutela Legal van het aartsbisdom van Salvador. “En de zaak van de moord op de zes jezuetenpriesters die eind 1989 in San Salvador door het leger werden vermoord, is tenisch gezien wel rond, maar het is nog maar de vraag of er ook veroordelingen zullen volgen.”

De ultra-rechtse, met het leger en de regeringspartij ARENA verbonden doodseskaders hebben hun morbide werk nog niet gestaakt. Recentelijk lieten deze terroristen - onder de verzamelnaam Salvadoraans Anti-communistisch Front FAS - weten dat nu ook de werknemers van internationale organisaties als het Rode Kruis, de Verenigde Naties en Artsen Zonder Grzen als internacionalistas worden beschouwd; in hun vocabulair dus als 'marxistische subversieven'.

Leila Lima Santos, het Braziliaanse hoofd van het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen van de VN in El Salvador, blijft er nuchter onder. “Deze groepering heeft nog niet door hoe de sfeer in het land nu is; de mensen hebben genoeg van het geweld. We laten ons werk niet in de steek.”

Het aartsbisdom is voorzichtig optimistisch over kans op vrede op korte termijn. “We zitten met de dialoog in een intereante fase”, zegt mevrouw Hernandez, “er kunnen nu langzame, maar zekere stappen vooruit worden gezet. Vrede is dichterbij dan ooit”.