Probeemloos eten

Onlangs weer eens zonder problemen lekker ten de deur gegeten. Als er aan het einde van dit stukje een regel over is, zal ik u misschien vertellen waar dat is gebeurd; en verwacht om te beginnen al niet zo'n restaurantrecensie waarin ik als een gediplomeerde Lucullus over 'de wijnen' en de mate van rose in de lamsbout vertel. De vraag is: wat is probleemloos eten.

Remco Campert heeft een gedicht geschreven waarin hij met een regel al een blik in de afgrond geeft: 'En die banaaeet ik ook niet op.' Een banaan: de vrucht die je bijna niet zo kunt noemen, 't is meer een wat hard uitgevallen pudding in een schil. Maar toch, daar staat de jongen voor de hand die een banaan vasthoudt. Nee, dank u wel mevrouw. Een stukje dan? Nee, werkelijk niet. De banaan komt nog een beetje dichter bij zijn hoofd. Hoe kom ik hier weg! Godzijdank, het vriendje verzwelgt de hele banaan.

In de loop der jaren leer je wel wat lekker is, maar het blijft een van de onbarmhartigste onderdelean de opvoeding. Met mijn vader en moeder moest ik gaan eten: Restaurant Wolff, in een steeg achter de Rotterdamse Bijenkorf van Dudok. Het is al meer dan vijftig jaar geleden allemaal afgebrand, maar de beroemde biefstuk van Wolff herinner ik me als een nooit overwonnen vijand; en alle biefstukken daarna: in beginsel ook vijanden. Je kunt je leven van veel gezichtspunten uit beschrijven. Ik zou gemakkelijk een autobiografie kunnen maken die bestaat uit mijn nederlagen tegen de bieuk.

We hebben een woord en een uitdrukking die de ervaring goed weergeven: kieskauwen en met lange tanden eten. Bij kieskauwen denk je meer aan het proces: hoe het kind het rundvlees tot een grijze bal zit te verwerken terwijl het de kans afwacht om die ongezien onder de rand van het bord te verstoppen. Lange tanden hoort tot de categorie van beeldspraak waarin lichaamsdelen tot onbruikbaarheid worden getransformeerd. Loden voeten, zwaar hoofd, houten kop, omgedraaidemaag, stenen hart, kleine ziel, we komen dan al op ander terrein. Maar 'eten met lange tanden' heeft, als je je dat goed voorstelt, die beklemmende overdrachtelijkheid waardoor je het ongemak in je eigen kaken gaat voelen.

In de oorlog was er op den duur weinig te eten. Ik vertel niets nieuws. Maar dit betekent voor de betrokken generaties ook vijf jaar hiaat in de opvoeding tot tafelgenot. Daarna is het er op los gegaan. Er kwamen o.a. wegrestaurants waar je overweldigd werd mkarrevrachten snijbonen, doperwten en gebakken aardappels, en opnieuw de biefstuk. De capucijners met spek en uien keerden terug, Albert Heijn ontdekte de sherry en de Franse kazen, hele buurten zijn ernaar gaan ruiken. Zo heeft de vaderlandse geschiedenis zich verder ontwikkeld. Komt het door dit overhaast de schade inhalen dat het lekkere eten in Nederland ook nu nog maar al te vaak op een gevecht met de biefstuk uitdraait?

Iedereen leert op den duur haar of zijn archetype van lekkeeten kennen. Karel van het Reve, om eens een markant voorbeeld te noemen, ziet het in een dikgesmeerde boterham met hagelslag. Bij Broodje van Kootje staat dat gerecht op het menu, je zou gaan denken dat het een typisch Nederlands volksvoedsel was, maar ik heb het er nog nooit iemand zien eten. Misschien hebben we hetzelfde met het kindermenu in de restaurants: dat zou je wel willen bestellen, maar het ontbreekt je aan moed en dus krijg je weer de gewone mishandelde grondsffen op je bord.

Ik wil me niet schuldig maken aan dat klagelijk gezeur over alles wat uit de Nederlandse keuken komt en evenmin de kosmopolitische fijnproever uithangen. Wat je buiten de deur te eten krijgt is meestal passabel als je een beetje kritisch in het uitzoeken van het restaurant bent. Hoe dat komt heb ik nog niet goed kunnen ontrafelen, maar vaak valt het al aan de buitenkant te zien. Maar het neemt niet weg dat het eten nog te vaak in nuttigen ontaardt, d.w.z. het is nuttig om in leven te blijven maar hoort te veel tot de strijd om het bestaan in plaats van het plezier van. Er zitten te veel obstakels in het geserveerde. Dat is overal min of meer hetzelfde, voorzover ik de wereld heb gezien.

Zit er niet omheen te draaien! Waar hebt u dan zo probleemloos gegeten en wat?

1. De Tocororo in Havana, kreeft. 2. Sazerac House, op de hoek van Hudson en Charles Street, New York, crab cakes. 3. Savas, Paphos, Cyprus, lamskarbonade. 4. Efes, Amsterdam, kof en baklava met ijs en slagroom.

Iedereen heeft zijn eigen Michelin. Dit is de mijne van de afgelopen acht maanden. Een maal in de twee maanden eten zonder de oude problemen: zo wordt het duidelijk hoe moeilijk dat is.