Pragmatische communisten in India blijven springlevend; Leider overtuigd van rencarnatie van partijen elders

NEW DELHI, 22 JUNI. Er is nog hoop voor de marxisten-leninisten aller landen. In India is het com)munisme springlevend. Het land kent vier communistische partijen waarvan twee, de CPM en de CPI, geducht meetellen in de landelijke politiek. Bij de jongste verkiezingen hebben ze hun posities weten te bestendigen.

Prakash Karat (43), secretaris en rijzende ster van de CPM, gelooft heilig dat de afgestorven communistische partijen elders in de wereld, zullen “rencarneren” en alsnog “de overwinng voor de arbeiders zullen opeisen.”

De hoofdkwartieren van de twee voornaamste communistische partijen liggen op een steenworp afstand van elkaar aan de Ashoka Road in New Delhi. Ondanks de armetierige indruk werden de partijcentrales na de uitslag van de parlementsverkiezingen druk bezocht door delegaties van andere partijen.

Nadat de meeste stemmen zijn geteld, staan de twee partijen samen op 44 zetels in de Lok Sabha, het nationale parlement. Oeen aantal van 545 volksvertegenwoordigers is dat niet indrukwekkend, maar aangezien geen enkele partij een absolute meerderheid heeft behaald, zitten de communisten op de wip. De Congrespartij - samen met haar bondgenoten goed voor 230 zetels - kan met gedoogsteun van de communisten regeren. De voorzitter van de Congrespartij, Narasimha Rao, heeft al overleg gevoerd met Jyoti Basu, de sterke man van de CPM. Dat de Congrespartij, in het centrum van het Indiaselitieke spectrum, haar oor neigt naar de CPM, zegt veel over de lange mars die de marxisten hebben afgelegd.

“De Communistische Partij van India werd in hetzelfde jaar als de Chinese partij opgericht, in 1921”, zegt Prakash met van trots twinkelende ogen. De oude Lenin had een helder beeld voor ogen van het traject dat de wereldrevolutie zou afleggen: via Peking en Calcutta. Tot zover had Lenin gelijk, Chinese hoofdstad en Calcutta, de hoofdstad van de Indiase deelstaat West-Bengalen zijn in communistische handen. Maar het Chinese imperium lijkt in zijn nadagen te verkeren, terwijl in India de revolutie weinig verder is gekomen dan Calcutta, alleen in de zuidelijke deelstaat Kerala kregen de communisten een voet aan de grond. Voor Prakash is dat voorlopig voldoende. “We zijn communisten en dus geduldig”, zegt hij.

Tijdens de Indiase onafhankelijkheidsstrijd stond de toen nog verenigde communistische partij aan de kant van de Britse overheersers. De Congrespartij was voor de Stalin-getrouwe Inase kameraden een niet te vertrouwen bourgeois-organisatie, Mahatma Gandhi werd een “aartsreactionair” genoemd, Nawaharlal Nehru “de loophond van de Amerikaanse imperialisten”. Dan nog liever de Britten.

Nadat India, ondanks de weerstand van de CPI in 1947 toch een onafhankelijk land werd, hadden de communisten grote moeite zich staande te houden in de overwegend agrarische samenleving. De partij zag de achterlijke en feodale plattelandssenleving niet als revolutionair bolwerk en verliet zich op de elitaire, kleine groep van arbeiders.

Pas onder de invloed van de Chinese boerenrevolutie zag de CPI in dat er meer opstandig potentieel was dan de door de Komintern voorgeschreven arbeidersklasse. In 1965 scheurde de CPI in twee facties: Moskou-aanhangers die doorgingen onder de naam CPI, terwijl de maosten de naam Marxistische CPI aannamen (CPM). Beide partijen kenden, volgens de beste cmunistische tradities, nieuwe schisma's zodat India uiteindelijk vier 'echte' communistische partijen kreeg en veel splintergroeperingen. Terwijl de huidige CPI voornamelijk bestaat uit oude mannetjes, kan de CPM zich verheugen in een enthousiaste jonge garde.

In West-Bengalen slaagde de CPM erin een machtsbasis op te bouwen. In 1977 kwam de partij onder leiding van Basu via democratische verkiezingen aan de macht in de deelstaat en zij heeft die niet meer afgestaan. De verkiezingen or een nieuw deelstaatparlement werden vorige week tegelijkertijd met de landelijke stemming gehouden. De CPM kreeg 187 zetels, tweederde van de 291 zetels.

Jyoti Basu leerde snel. In de eerste jaren van zijn bewind joeg hij de ondernemers in de deelstaat weg met zijn revolutionaire retoriek en bleef Calcutta wat het was: de grootste sloppenwijk van Azie. Basu zag in dat revolutie een ding is, het besturen van een deelstaat iets anders en hij begon het kapitaaug te lokken. Vandaag is Basu de lieveling van de kapitalisten, omdat, zoals ze zeggen, hij de enige is die de machtige Indiase vakbonden op hun plaats kan zetten.

Ondanks hun sociaal-democratische gezicht heeft het 'Amerikaanse imperialisme' 'het' nog steeds gedaan voor de Indiase communisten. Volgens Prakash Karat wil Washington India, net als Pakistan, Indonesie en de Filippijnen, ondergeschikt maken aan zijn eigen belangen. Het Internationale Monetaire Fonds (IMF) is een instrument van Aaanse machtswellust, meent Prakash.

Maar India zit in een diepe economische crisis, en de staat wordt geconfronteerd met een hoog begrotingstekort en een buitenlandse schuld van 70 miljard dollar, die haar twee weken geleden heeft gedwongen voor het eerst in haar geschiedenis goud te verkopen. De deviezenreserves zijn teruggebracht tot twee weken import, en onder die omstandigheden geeft geen bankier krediet tenzij het IMF met een pakket leningen komt.

Maar ook de Indiase communisten zijn goed-geoefend in marxistische dialectiek, en Karat zegt dat zijn partij een minderheidskabinet van de Congrespartij niet ten val zal brengen. Ondanks het gevaar van “dienstbaarheid aan buitenlands kapitaal” heeft hij er geen probleem mee de regering uit te nodigen leningen te vragen aan “bevriende kapitalistische landen” als Japan en Duitsland. Deze geestelijke acrobatiek geldt echter niet de Verenigde Staten, die het enige vaste punt blijven in deunistische demonologie.

'Internationalisme' en 'anti-imperialisme' blijven als het ware de idelogische reddingsboei en bestaansreden van de CPM, die in haar binnenlandse politiek een doorsnee-partij is geworden. Haar anti-imperialistische politiek heeft als paradoxaal effect gehad dat de partij nationalistisch werd, haar beleden 'internationalisme' ten spijt. De crisis in Punjab bij voorbeeld is het resultaat van de “Amerikaanse pogingen India te destabiliseren vet clienten-regime in Pakistan”, en een sterke militaire aanwezigheid is volgens de CPM een noodzakelijke voorzorg tegen deze boosaardige plannen.

Paradoxaal genoeg moet de reden van het overleven van de CPI in Kerala worden gezocht in het meest reactionaire sociale mechanisme dat er is: kaste. De meeste leiders van de CPI zijn Brahmanen en in een deelstaat met een hoge graad van alfabetisme en onderwijs is kennis van de teksten, of het nu gaat om religieuze hindoe-teksten of om 'Das Kapital',s waaraan sociaal prestige en macht wordt ontleend.

Ook in West-Bengalen, het bolwerk van de CPM, speelt de literaire traditie een rol. Boven alles heeft de CPM haar sterke positie te danken aan haar leider, deelstaat-premier Jyoti Basu en diens handige manoeuvres tussen marxistische retoriek en politiek pragmatisme. Hij heeft de communisten tot respectabele politici gemaakt.