Ombra mai fu

Altijd ben ik diep onder de indruk wanneer tuiniers uiteenzetten wat de beste manier is om deze of gene plant te behandelen: de ene moet geplant worden in een mengsel van compost, kippemest en theebladeren, een andere flink teruggesnoeid op de 15e april van elk schrikkeljaar.

Zulke wijze raad lijkt de vruce zijn van zoveel geexperimenteer (koffiedik in plaats van theebladeren, elke drie jaar terugsnoeien...) en over zo'n lang tijdsverloop, dat men zich daarbij alleen maar een nederige beginner kan voelen.

Soms steunen zulke voorschriften op overgeleverde ervaring van andere tuiniers, soms op een combinatie van zuiver toeval (geen koffiedik in huis) en specifieke plaatselijke omstandigheden. Maar soms ook kje het uit de eerste hand. Margery Fish ging op een werkelijk proefondervindelijke manier te werk: ze schijnt planten altijd uitgeprobeerd te hebben op verschillende plaatsen in haar tuin: de ene ging onder, de tweede overleefde het min of meer, en de derde floreerde - ''hetgeen verbazend is'', schreef zij, ''aangezien die plant heel anders groeide in de tuinr zij oorspronkelijk vandaan kwam.''

Een van de weinige gewassen waar ik iets van wist voor wij een tuin hadden is de wonderbaarlijke Lavatera olbia 'Barnsley' (soms verkrijgbaar onder de naam L. thuringiaca 'Barnsley'), die de hele zomer en tot in het najaar non-stop lichtroze bloemen heeft. Alle boeken zeggen dat zij volle zon moet hebben, en dus plantte ik de mijne op een van de zonnigste plekken van onze tuin - maar wat bij ons voor zonnig doorgaat is misschien niet wat anderen zo zouden noemen k begon me er, dat kon niet uitblijven, zorgen over te maken. Toen las ik in een van de boeken van Margery Fish dat deze heesterachtige 'het goed doet in de schaduw'. Zij had het uitgezocht, ik had het moeten weten. En plotseling zag ik de plant met andere ogen: zij zit nu vol knoppen en het feit dat zij nog niet bloeit is vermoedelijk vooral te wijten aan het ongunstige weer. Enfin, ongerusd is nu eenmaal inherent aan het tuinieren, laten we hopen dat dit vermogen om schaduw te verdragen niet alleen tot de soort behoort, maar ook tot de Barnsley-incarnatie, die nog niet in cultuur was toen het boek van Mrs Fish verscheen, in 1956 (de plant werd ontdekt door Rosemary Verey in het dorpje Barnsley, Gloucestershire, omstreeks 1985).

Het wil maar niet vlotten met de zomer. Wat te doen? ''Wat de tuinier in de eerste plaats moet leren'', schreef Karel Capek in Het jaar van den tuinman (Amsterdam 1932), is ''het wcultiveren''. Hij noemt verschillende manieren om het weer te misleiden, zoals de warmste kleren aandoen die je hebt, want dan schiet meteen de temperatuur omhoog, of plannen maken om te gaan skien, want dan zet onmiddellijk de dooi in.

Maar zelfs dan is er altijd nog wel reden tot ontevredenheid. ''Als het iets zou helpen'', schrijft Capek, ''zou de tuinman iederen dag op zijn knieen vallen en ongeveer zoo bidden: 'Lieve Heer, geef dat het vandaag zal regenen en verder iederen dag, van ongeveer middernacht tot d uur in de morgen, maar, ziet U, het moet zacht en warm zijn, zoodat het in de grond kan trekken; geef dat het tezelfder tijd niet zal regenen op kamperfoelie, alyssum, helianthroop, lavendel en alle andere gewassen die U in Uw wijsheid kent als planten die weinig vocht behoeven - ik zal de namen op een stukje papier schrijven als U dat wilt - en geef dat de zon den heelen dag schijnt, maar niet overal (bijvoorbeeld niet op spiraea, of op gentiaan, zwaarlie en rhododendron). Geef, dat er veel dauw zal zijn en weinig wind, genoeg wormen, geen bladluis of slakken, geen meeldauw, en dat er eenmaal in de week dunne, vloeibare mest en guano uit den hemel mag vallen. Amen'.''

Een andere expert die zijn planten aan allerlei experimenten moet hebben blootgesteld is Graham Stuart Thomas, de samensteller van de inspirerende lijst van schaduwplanten waar ik het al eens meer over gehad heb. Van sommige planten op die lijst ik nog nooit gehoord, hetgeen het zoeken ernaar alleen maar opwindender maakte. Codonopsis clematidea klonk fantastisch, hoewel er ook iets onbereikbaars uitgaat van die naam, niet een plant die je gemakkelijk zou vinden. En dat bleek aanvankelijk ook waar te zijn, niemand had er ooit van gehoord; maar ten slotte kwam ik er een tegen onder de naam 'tijgerklokje', tussen de 'Ouderwetse tuinplanten en bijzondere heemplanten' van kwekerij De Hoveling. Ik weet nog steeds niet zij daar verzeild was geraakt: op hun lijst van ouderwetse tuinplanten komt zij niet voor, en zij is zelfs niet afkomstig uit Europa (Thomas plaatst haar, met een weids gebaar, in 'Azie').

Maar ik zou haar op iedere lijst binnensmokkelen; weinig bloemen zijn zo mooi en zo verrassend. De plant zelf is niet erg indrukwekkend, tenminste tot dusver; zij heeft kleine grijzige blaadjes, groeit tot een gemiddelde hoogte van 60 cm maar kan 90 cm bereiken, en heeft bescheiden klimneigingen (nog niet merar bij mijn exemplaren). De bloemen zijn al veelbelovend in de knop, vrij groot en neerhangend, en zij openen zich belvormig, in het teerste Chinese blauw, delicater dan het beste Sung-porselein, net iets donkerder geaderd. Het is een van die planten die op een verhoging of stellage zou moeten groeien, want de extatische verrassing is verborgen binnenin de bloem, een geheime genieting die de natuur alleen heeft weggelegd voor bijen, vlinders en opn buik liggende tuiniers.

Het ziet eruit alsof iemand had zitten spelen met verschillende kleurpotloden: het peilloze hart van de kelk is een vijfzijdige figuur, blauw-zwart van kleur, omlijnd in donkergeel. De volgende ring is een diep donkerrood, als heel oude wijn, met vijf kleine gouden plekjes erin, dan volgt een leemte en nog een tweede donkerrode ring. Zoals gebeurt wanneer je gedachteloos vormen om elkaar heen tekent, begint de oorspronkelijke omtrek te vervloeien: de eerste is duidelijk hoekig en de laatste vrijwel rond. Vereken hierbij wordt het porseleinblauw van de buitenkant bijna alledaags; het is alsof een non onder haar kloostergewaad een veelkleurig balletrokje aanhad. Om het goed te zien zou je een spiegel onder de bloemen moeten leggen, wat me weer herinnert aan hoe we op school door de Matron werden gewaarschuwd nooit lakschoenen te dragen, want daarin werd je ondergoed weerspiegeld.

De meest hartstochtelijke ode aan schaduw in de tuin werd geschreven, in 1654, door Nicolo Minato, maar is nu vooral bekdoordat zij op muziek werd gezet door Handel, in 1738. Ombra mai fu; het was een aria uit Serse (Xerxes) en ik vraag me af wat de functie ervan was in deze opera; was het Xerxes zelf die zong over de tedere loten (frondi tenere) van zijn geliefde plataan (mio platano amato)? Het opmerkelijke van die aria is dat er het voor ons wat zonderlinge woord vegetabile in voorkomt; dat hoor je eerst niet: Kathleen Ferrier glijdt er met onnavolgbare gratie overheen; m als je het eenmaal weet hoor je er toch iets moestuinachtigs in, en dat krijgt dan, aangeraakt door die bedwelmende muziek, iets eigenaardig vertrouwds, landelijk en weemoedig: Ombra mai fu, di vegetabile cara ed amabile soave piu: 'Een schaduw milder dan van dit beminde en beminnelijke gewas heeft nimmer bestaan'.