Misschien komt na de vakbeweging ook de overheid terug in het spel

De Haagse rituele dansen waarmee de overheid en de werkgevers- en werknemersorganisaties op centraal niveau de arbeidsvoorwaardenontwikkeling trachten te benvloeden, hadden hun bezwerende kracht allang verloren. Nu lijken ook de grijkste hoofdrolspelers in deze rituelen dat te beseffen en af te zien van verdere voorstellingen.

De FNV heeft bij monde van haar voorzitter immers al laten weten geen heil meer te zien in dergelijk overleg, evenals minister De Vries van sociale zaken. De werkgevers hadden al nooit veel op met de genoemde voorstelling. De vanaf 1982 ingezette decentralisering van arbeidsvoorwaardenvorming heeft definitief haar beslag gekregen. Hoewel de overheid, sinds in 1989 de uitkeringshoogte weerppeld is aan de loonindex, meer belang heeft bij de hoogte van de cao-lonen dan in de jaren daarvoor, kan zij niet meer ingrijpen om de loonhoogte te beteugelen. Het juridisch instrumentarium daartoe, tot 1986 neergelegd in de Wet op de loonvorming, ontbreekt thans immers. Onder druk van de Internationale Arbeidsorganisatie te Geneve heeft Nederland de bepalingen in de Loonwet die aan de overheid vergaande bevoegdheden verstrekten om in te grijpen in de loonvorming moetenschrappen. In 1989 heeft diezelfde Geneefse organisatie ook nog eens vastgesteld dat de mogelijkheden die de overheid nu nog heeft om ongewenste ontwikkelingen in de loonhoogte in de non-profitsector (ziekenhuiswezen, openbaar vervoer, welzijn) te benvloeden, in strijd zijn met het ILO-verdrag (nr. 87) waaraan ook Nederland gebonden is. In 1989 heeft de plenaire vergadering van de IAO de Nederlandse overheid immers dringend verzocht de artikelen 10 en 11 van de Wetidsvoorwaardenontwikkeling gepremieerde en gesubsidieerde sector in te trekken. Die thans nog bestaande artikelen geven de minister van Sociale Zaken de mogelijkheid om onder bepaalde omstandigheden de in de collectieve sector afgesproken arbeidsvoorwaarden te bevriezen.

Het juridisch framework om in te grijpen in loonontwikkelingen zowel in de commerciele als in de non-profitsector, is dus aan de overheid komen te ontvallen. Wilde ze in de jaren '80 dikwijls niet eden, nu kan het ook nauwelijks meer door het ontbreken van een juridisch instrumentarium. De overheid kan uiteraard nog wel met gebruikmaking van andere haar ten dienste staande beleidsmiddelen de loonhoogte proberen te benvloeden. Bijvoorbeeld met fiscale middelen.

STARHEID

Ook een andere bemoeienis van de overheid met de cao's komt steeds meer in discussie. Ik doel op het algemeen verbindend verklaren van cao-bepalingen. Krachtens een wet van 1937 heeft de minister van sociale zaken de bevoegdheidp verzoek van cao-partijen de belangrijkste bepalingen van een afgesloten bedrijfstak-cao verbindend te verklaren voor de gehele bedrijfstak. Dus ook voor werkgevers en werknemers die niet zijn aangesloten bij de contractsluitende partijen. De kritiek die thans op dit wettelijk systeem wordt uitgeoefend, heeft vooral betrekking op de veronderstelde starheid die het systeem met zich meebrengt en het daarmee gepaard gaande veronderstelde gebrn flexibiliteit. In feite, zo wordt gezegd, gaat het bij het algemeen verbindend verklaren om het vormen van een loonkartel voor een bedrijfstak waardoor werkgevers in een betreffende bedrijfstak geen lagere lonen kunnen betalen aan werknemers. Jonge startende ondernemers die nog niet in staat zijn het cao-niveau te betalen, krijgen daardoor geen kans. Dat is de dood in de pot voor economische bedrijvigheid en vernieuwing.

Belangrijke voordelen van het mechanisme van de algemeen verbindendverklaring, zoal verzekeren van arbeidsrust in de bedrijfstak gedurende de looptijd van de cao en het leggen van een bodemprijs voor het aanbod van arbeid worden door de critici uit het oog verloren. Nog belangrijker is wellicht dat, wanneer het mechanisme van de algemeen verbindendverklaring opzij wordt gezet, het hele systeem van collectieve onderhandelingen over arbeidsvoorwaarden op de tocht komt te staan. Dan wordt immers bevorderd dat werkgevers geheel individueel voor hun eigen bedrijf ganderhandelen over de daar geldende arbeidsvoorwaarden en ze hun lidmaatschap van de werkgeversvereniging die voor de bedrijfstak onderhandelt, zullen opzeggen. De versnippering van de arbeidsvoorwaardenvorming zal dan compleet zijn: in Nederland zullen we dan enkele duizenden ondernemings-cao's kennen zonder dat daar van coordinatie sprake is.

Geconstateerd kan in ieder geval worden 1) dat de overheid in het spel van de arbeidsvoorwaardenvorming voor een g deel buiten spel is gezet omdat het juridisch instrumentarium is komen te ontbreken en 2) dat voor zover dat instrumentarium nog aanwezig is in de Wet op het algemeen verbindend verklaren van cao's er druk wordt uitgeoefend om ook die mogelijkheid op te geven.

ROTTERDAMSE HAVEN

De positie van de vakbeweging om de arbeidsvoorwaardenvorming te coordineren en er enige samenhang in aan te brengen is ook geen eenvoudige. Alom wordt de situatie in de Rotterdamse haven zoals die in de maanden mei en juni heeft afgespeeld, tot voorbeeld gesteld om aan te tonen dat de bonden hun mensen ook niet meer in bedwang hebben. In de haven probeerde de Vervoersbond-FNV immers om een cao tot stand te brengen voor zowel de containersector als de stukgoedsector. Dat is niet gelukt: de werknemers in de containersector wilden geen actie voeren voor een dergelijk doel. Een pijnlijke nederlaag voor de Vervoersbond.

Het voorbeeld is exemplarisch voor de al eerder beschreven ontwikkelingen in rbeidsverhoudingen zoals individualisering en decentralisering. Werknemers zien niet meer zo direct in dat zij solidair moeten zijn met hun collega's in de bedrijfstak, ze kijken veel meer alleen naar hun eigen bedrijf en hoe het daarmee gaat. Met name spreekt het Rotterdamse voorbeeld aan, omdat de havenarbeiders juist daar altijd een grote onderlinge solidariteit ten toon spreidden.

De positie van de vakbonden bij de arbeidsvoorwaardenontwikkeling is de laatste jaren sterk wisselend. Komend uit een diel in de jaren 1985-1987 klimmen zij sindsdien weer op in tal en macht. Met name is opvallend de sterke toename van het aantal leden in sectoren die traditioneel niet erg vakbondsgezind waren, zoals de commerciele dienstensector, het bankwezen en het verzekeringswezen. Niettemin komt het aantal leden daar niet boven de twintig procent van het totaal aantal werknemers. Ook een traditioneel moeilijke sector voor de akbonden als de detailhandel, laat een forse toename van het ledental zien. Het groeiende zelfbewustzijn van vakbonden heeft ook uiting gevonden in onderhandelingen in het voorjaar bij belangrijke cao's zoals Hoogovens, de Metaalindustrie en zelfs bij een versnipperde sector als het Schilderswezen: collectieve acties in de vorm van prikstakingen of zelfs langdurende stakingen waren zichtbaar.

Kortom, de vakbonden zijn weer terug op het speelveld, nadat ze in de jaren '80 een tijdlang waren weggespeeld. Of deze comebenige stabiliteit zal vertonen is nog lang niet zeker. De organisatiegraad van de Nederlandse werknemers is immers landelijk gesproken nog steeds erg laag, zo'n achtentwintig procent van de beroepsbevolking is lid van een vakbond. Ter vergelijking: in 1970 was dat nog bijna veertig procent. De fusiegolf in het bank- en verzekeringswezen is zeker verantwoordelijk voor de toename van het aantal vakbondsleden daar, en ook de economische mogelijkheid om vrijhoge loonsverhogingen te eisen heeft een rol gespeeld bij de grotere aantrekkelijkheid van de bonden. De vrees zoals uitgesproken door voorzitter Vreeman van de Vervoersbond dat bij de eerstkomende flinke economische recessie de gemiddelde organisatiegraad in Nederland onder de twintig procent zal zakken is nog steeds gerechtvaardigd.

Binnen de FNV worden al enkele jaren pogingen ondernomen om de organisatie af te stemmen op de toekomst. De centrale bestaat nu uit achttien individuele bonden, waarbij de vanouds machtige en rijke Ambtenarenbond, Bouwbond en de Industriebond de dienst uitmaken. Voorstellen om de organisatie te hergroeperen in drie sectoren, overheid, industrie en dienstverlening, waardoor ook fondsen van de rijke bonden naar de arme bonden kunnen vloeien, worden nog niet warm onthaald binnen de FNV. Tegen de achtergrond van de eerder geconstateerde individualisering en decentralisering is ook goed denkbaar dat de achterban voor een dergelijke hergroepering warm loopt. De hernieuwde aantrekkingskracht van enkele bonden lijkt thans juist ook te schuilen in hun herkenbaarheid voor de in de betreffende bedrijven werkende werknemers.

NIEUW ELAN

Hoewel een aantal vakbonden de laatste jaren met nieuw elan aan het werk is gegaan en ledenwinst hebben kunnen boeken, is de positie van de FNV als centrale coordinerende factor in de arbeidsvoorwaardenvorming er niet sterker op geworden. Bij het CNV en MHP zijn en aanwijzingen dat het daar in essentie anders is.

Bij het afsluiten van bedrijfstak-cao's is nog een andere trend waarneembaar, een ontwikkeling die al jaren aan de gang is en langzaam maar zeker vordert: bedrijfstak-cao's worden in toenemende mate raamregelingen die per onderneming nog aanzienlijke invulling behoeven. Die invulling geschiedt dikwijls in overleg met de ondernemingsraden. De toenemende behoefte van werkgevers aan maatwerk voor wat betreft de arbeidsvoorwaardenvorming hun eigen bedrijf leidt er ook toe dat de ondernemingsraad steeds meer wordt betrokken bij de arbeidsvoorwaardenvorming. Blijkens onderzoek hebben ondernemingsraden ook juist interesse in onderwerpen die met arbeidsvoorwaarden en sociaal beleid te maken hebben. Dat sluit dus mooi aan.

Bij de onderhandelingen over de cao voor de metaalindustrie, die in het voorjaar gepaard gingen met stakingsacties hebbenonden wel kunnen bereiken dat de loonhoogte werd opgeschoven in de door hen gewenste richting, maar de gewenste arbeidstijdverkorting voor de ploegendienst is niet in de cao terecht gekomen. Dat onderwerp vonden de werkgevers niet geschikt om voor de bedrijfstak te regelen, dat was nu typisch iets wat per onderneming moet worden bekeken. Op dat punt konden de bonden in de rug gesteund door actiewillige werknemers geen resultaat boeken. Al met al is het beeld dat oprijst ten aanzien van de positie van de werknemers bij de arbeidsvoodenvorming onrustig: toenemende ledentallen en actiebereidheid leiden tot toenemende machtsstrijd bij de benvloeding van de af te sluiten cao'sen tot afnemende bedrijfstak-solidariteit. Bovendien leidt de grote behoefte van werkgevers, ondernemingsraden en individuele werknemers aan maatwerk op ondernemingsniveau tot decentralisatie en differentiatie per bedrijf.

De werkgevers tenslotte als derde speler in het spel lijog immer hun positie als spelbepaler die zij in de jaren '80 stevig vestigden, niet te hebben verloren. Behoefte aan op centraal niveau gemaakte en afdwingbare afspraken hebben zij niet. Flexibilisering en deregulering zijn de meest gekoesterde wensen, die het best kunnen worden gerealiseerd door zoveel mogelijk op decentraal niveau te overleggen met werknemersdelegaties. Tegen de oplossing van grote maatschappelijke problemen als het hoge ziekteverzuim en het hoge percentage langdurig arbeidsongeschikten kijken gevers anders aan dan werknemers.

ZWAKKE POSITIE

Het bovenstaande overziende moet worden vastgesteld dat zich in de jaren '80 in Nederland een essentiele wijziging heeft afgetekend in het stelsel van arbeidsverhoudingen. Die verhoudingen zijn eerst gekanteld in het nadeel van de vakbeweging, omdat zij door een terugtrekkende overheid en een forse vermindering van het ledental in een zwakke positie terecht kwamen. In de beginnende jaren '90 lijken de arbeidsverhoudingen op drift aken, waardoor de posities weer zullen wijzigen, maar in steeds wisselende vorm.

Per bedrijf, meer nog dan per bedrijfstak, worden de posities bepaald. Gebrek aan coordinatie, versnippering van regel- en loonvorming en uiteindelijk vermindering van de kwaliteit van het geldend arbeidsrecht zijn het gevolg van deze ontwikkeling. Of komt na de vakbeweging ook de overheid weer terug in het spel?