Memoires (14)

De twee jongens liepen nog geen tien meter voor mij, maar het was duidelijk dat ze niets in de gaten hadden.

Ze gingen volledig in elkaar op; de knappe praatte aan een stuk door, de jongen met het dehtige gezicht reageerde met korte laconieke tegenwerpingen. Ik stapte achter hen aan, Hamlet nog altijd onder mijn jasje, en probeerde erachter te komen waar ze over spraken. Ik ving niets op dat betekenis voor me had, maar af en toe dacht ik wel ploseling een Duits woord te horen.

We kwamen op het Leidseplein en de twee Engelsen bleven een moment staan voor de ingang van cafe Americain. Aan de lucht boven ons te zien, kon het ieder moment gaan regenen. Ik hoopte vurig dat ze niet naar binnen zouden gaan, want door de rondvaart had ik nauwelijks geld meer. Maar de jongen met de flaporen trok de ander aan de jas van zijn mouw en ze verdwenen lachtend het cafe in.

Ik aarzelde. Ik dacht aan de regels in het gastenboek: Read about us and marvel! Ik herkende de woorden niet (nu weet ik dat ze van Maiakovski zijn), maar er ging iets fascinerends van uit, alsof ze speciaal voor mij waren geschreven. Waarom ik achter de giechelende Engelsen was aangelopen wist ik niet - of liever gezegd, ik voelde wel waarom, ik kon of durfde dat alleen niet onder woorden te brengen. Het was niet omdat ik de twee jongens zo mysterieus vond; hun uiterlijk en gedrag fascineerden me, maar juist omdat ze zich zo volkomen op hun gemak leken te voelen, hun omgeving zo achteloos naar hun hand wisten te zetten. Ze gedroegen zich alsof de wereld van hen was. Eerder dan een mysterie scheen het me dan ook toe dat zij de oplossing van een nder raadsel met zich mee droegen.

In de ogen van de portier van Americain lag de achterdocht die ik in die jaren overal leek op te roepen: wat heb jij hier te zoeken? Ik rechtte mijn schouders en liep met grote passen langs hem heen, hem kort toeknikkend. Het duurde een moment voor ik hen zag zitten: aan een tafeltje bij het raam. Tegen de ober die op me af kwam - dezelfde achterdochtige blik - zei ik, ik wil aan het raam zitten, alstublieft. aar, zei ik, en ik wees. De man bracht me naar een tafeltje naast de twee vreemden.

Ik was niet bang dat ze me zouden herkennen uit de rondvaartboot, ik hoopte zelfs dat ze me zouden betrappen en me zouden aanspreken. Ik was het cafe binnengegaan zonder geld en moest zo snel mogelijk hun aandacht trekken. Tegen de argwanende ober zei ik, eerst een glaasje water, alstublieft. Om mezelf interessant te maken legde ik mijn Hamlet op het tafeltje.

Eerst leek het niet te werken. De Engelse jongens waren nog altin een druk gesprek gewikkeld. Ze dronken koffie en rookten aan een stuk door sigaretten. Ze giechelden nu niet meer. Ze hadden het over iemand anders, ene 'Bubi', die ergens op een schip naartoe was gegaan. Ik luisterde en nipte voorzichtig aan mijn glas water.

Des te meer ervan afhangt, des te moeilijker het is een vreemde aan te spreken. In mijn hoofd formuleerde ik tientallen openingszinnen, allemaal even onzinnig, en stuk voor stuk bleven ze in mijn keel steken. Ik begon te wanho)pen en stond op het punt het cafe weer uit te lopen, toen een van hen, de jongen met de flaporen, me plotseling doordringend aankeek en iets tegen me zei dat ik niet verstond. Wat, zei ik verschrikt, in het Nederlands. De lelijke jongen glimlachte. There is nothing either good or bad but thinking makes it so, zei hij. Hij had een lichte, nogal lijzige stem.

Mijn gezicht moet een en al paniek geweest zijn, want om me te helpen wees hij naar het boek op tafel. Het. Ik glimlachte opgelucht en knikte als een dwaas om te laten zien dat ik het had begrepen. Ik zag dat de jongen zich weer tot zijn vriend wilde richten en vroeg hem snel of zij hier misschien op vakantie waren. Er viel een korte stilte.

No, dear, we're here on a mission, zei de jongen met de flaporen. A very important mission. Hij keek glimlachend naar zijn vriend. Om te zien of zijn woorden wel de juiste uitwerking hadden. De ander zei niets; hij had zichtbaar geen zin in een gesprek met vreemde.

Ik zei niets, maar liet een groot vraagteken op mijn gezicht verschijnen.

A mission of love, dear

O, zei ik.

Tell me, dear, what do you know about love?

Ik stotterde niet eens, ik zei niets. Ik was met stomheid geslagen. Niemand had me ooit zo'n vreemde vraag gesteld. Wat moest ik deze eigenaardige, lelijke jongen met zijn theekopjesoren en zijn zeurderige stem antwoorden? Nu ik aan die middag in Americain terugdenk, voel ik weer diezelfde mengeling vangst en opwinding; angst voor het onbekende, opwinding, omdat ik instinctief begreep dat dat onbekende me niet vreemd zou zijn.

Ieder woord dat de jongen zei was in ironie gedrenkt, maar hij klonk niet kwaadaardig. Op zijn revers lag as van zijn sigaret en op zijn stropdas zag ik een grote gelige vlek.

Ook de aantrekkelijke jongen met de grote neus keek nu naar mij. Niets, zei ik.

Nothing! Ze keken elkaar een moment aan en barstten toen in lachen uit. Ik voelde het bloed naar mijn hoofd stromen. Ik besefte nauwelijks at ik gezegd had.

Never mind, dear, zei de lelijke jongen. Met zijn wijsvinger wees hij op zijn borst. We knew nothing about love either. We're English, you see, that's why. Then we went to Germany. Hij keek opnieuw naar zijn vriend. Now we know all about love. You could say we're experts.

Het was het vreemdste gesprek dat ik ooit gevoerd had. Terwijl ik het opschrijf, twijfel ik zelf aan mijn geheugen. Wat deze twee Engelse jongens deden, ft achteraf de allure van een mythe gekregen, zodat Audens woorden tegen mij nu onecht en bedacht aandoen. Maar ik herinner me precies hoe hij het zei: Then we went to Germany.

Dat zinnetje maakte een overweldigende indruk op mij. You could say we're experts. Toen de twee jongens even later vriendelijk afscheid namen - Auden gaf me zelfs een telefoonnummer - stond mijn besluit vast: ik zou zo snel mogelijk naar Berlijn reizen.