KOOS ZWART; De eenzame weg van de Flower-power-gedachte

Deze maand is het precies vijfentwintig jaar geleden dat 'de jaren zestig' in Nederland tot een hoogtepunt kwamen. Onder de jeugd het motto 'beter langharig dan kortzichtig', op de 14e juni 1966 brak in Amsterdam een straatoproer uit dat leidde tot het aftreden van burgemeester Van Hall. Hoe kijken betrokkenen vandaag de dag terug op die woelige jaren?

Koos Zwart verschijnt met zijn onafscheidelijke, immiddels tot op de draad versleten brandweerhoed in het grand-cafe met een voor het gesprek even symbolische naam als locatie: De Jaren in duwe Doelenstraat. Vanaf het zonovergoten terras kijken we uit over de Amstel. Uiterst links Hotel De Doelen, waar The Beatles in juni 1964 op het balkon verschenen. Verderop aan de Kloveniersburgwal was het 'magiese' Sigma-centrum, waarvan de directeur Matthijs van Heijningen een paar jaar later zijn theater-equipment aan Zwart beschikbaar stelde voor 'Provadya?'-avonden in het voormalige gebouw van de Vrije Gemeente aan de Weteringsschans. Recht vooruit, in de Paardenstraatte Willem de Ridder in de Sheherazade zijn Double Wow-club op. Koos Zwart draaide er zijn Tamla Motown-platen en Cuby & the Blizzards beleefden er hun eerste Amsterdamse optreden. Aan de rechteroverzijde van de Amstel bevindt zich het gemeentelijke Jongeren Advies Centrum (JAC), eind jaren zestig ondermeer opgezet voor weggelopen jongeren; Zwart noemt zich de geestelijke vader van een netwerk van voor hetzelde doel in het leven geroepen alternatieve 'Releaentra.

Koos Zwart groeide op in een sociaal-democratisch milieu; grootvader Koos Vorrink was de SDAP-voorman, grootmoeder zat nog tot op hoge leeftijd voor de PvdA in de Amsterdamse gemeenteraad. Moeder Irene Vorrink, getrouwd geweest met journalist Joop Zwart, werd minister onder Den Uyl. Geen wonder, stelt Koos Zwart, dat zijn beweegredenen altijd politiek geladen waren. Referentiepunt bij hem thuis was vaak de Tweede Wereldoorlog: omdat hij van zijn grootmoeder hoorde dat de latere burgemeester Vll in de oorlog in het grootouderlijk huis geld afleverde voor het verzet, gedeponeerd in een teiltje op het balkon, kon de Van Hall van de jaren zestig voor Koos eenvoudigweg niet 'fout' zijn. Het heeft hem juist in 1966 veel moeite gekost om zijn vrienden dat duidelijk te maken.

Volgens Koos Zwart had het meer zin om een autoriteit onder druk te zetten, dan om met spandoeken de straat op gaan; om leden van 'De Partij' - zoals de PvdA bij hem thuis steevast wenoemd - te overtuigen van het onrecht. Zijn moeder sloot zich in die dagen aan bij Nieuw Links, maar hij weet dat hij ook haar ten opzichte van het politie-optreden in 1966 toch tot nadenken gedwongen heeft. Hij wijst naar de overkant, een portiek in de Doelenstraat, waar bij de rellen het toenmalige raadslid Ed. van Thijn door de politie de bril van het hoofd werd geslagen: de huidige burgemeester van Amsterdam, constateert Zwart met instemming, was destijds een van de weinige politici die zich daadwerkelijk van de gewelddadigheden op de hoogte stelde en ze in zijn fractie aan de kaak durfde te stellen. Dat heeft volgens Zwart ook met de oorlog te maken. Evenals het optreden van commissaris P. Landman van Bureau Singel, aanvoerder van de 'meppers' bij het Lieverdje - volgens Zwart 'in de oorlog niet onbesproken'.

Zijn dwingende betoogtrant en jargon ('Weet je wel', 'Bullshit') verraden de onmiskenbare invloed van de 'jaren zestig', die we gemakshalve situeren t 1965 en 1975. Het waren zijn hoogtijdagen. Hij voltooide het Barlaeus Gymnasium niet en leerde het vak van elektricien. De bouwvakkersrellen herinnert hij zich nog goed: de aankomst van de de politie en de gewelddadige wijze waarop ze zich door de menigte werkten. Dat daarbij een dode viel verbaasde hem niets, wel dat de volgende dag de Telegraaf zich volstrekt conformeerde aan de lezing van de politie: “Godverdomme the same shirwijl die oorlog al 21 jaar voorbij was schrijft de Telegraaf weer wat de bezetter wil!” Wat hem echt verontwaardigde was dat ook op de radio of in het NTS-Journaal met geen woord werd gerept over de werkelijke gang van zaken. Toen de volgende dag de eerste Telegraaf-auto vlam vatte, repte hij zich naar huis: “Er is een machtsvacuum” had hij tegen zijn oma gezegd. “Als ze schieten moet je plat op de grond gaan liggen”, antwoordde zij. Volgens Koos heeft de regering destijds op het punt gestaan het 24ste pantser-infaebataljon onder leiding van 'Crazy Joe van Velzen' in te zetten, maar dank zij de wijsheid van Van Hall bleef Amsterdam de intocht van 150 tanks bespaard.

Zwarts bijdragen over 'happenings' in het blad Kink vielen in de smaak bij Nieuw-Linkser Andre van der Louw, redacteur van het in 1965 opgerichte Hitweek en huisvriend van zijn moeder. Dat blad zette zich niet alleen in voor de popmuziek, maar ook voor het lot van langharigen in de provincie, voor nieuwlichtn de krijgsmacht en voor hennep-gebruikers. Onder de slogan “Lees die eh... krant even” bereikte het weekblad een oplage van 30.000 exemplaren. Al snel vestigde Zwart zich in het redactiepand aan de Alexander Boersstraat, waar ook hij de liquidatie van de krant in 1974, toen het onder de naam Aloha gezakt was naar een oplage van 13.600 exemplaren, moest uitvoeren.

Provo kende voor Zwart een te sterke 'inner cicle' met een duidelijke pikorde waar het de beschikbaarheid van de meisjes uit de provincie betrof. Bjn politieke vrienden in de PvdA tekende hij protest aan tegen het rigoureuze beleid tegen de bezitters van een paar gram marihuana, ondertussen organiseerde hij in den lande 'Provadya?'-avonden, waarop met vloeistofprojecties, het blote-dans-groepje 'Kunst Baart Kracht' en popmuziek een eredienst aan de hennepprodukten werd bewezen.

Samen met Willem de Ridder kreeg hij met zijn 'multi-media-show' vaste voet in een bovenzaal bij Felix Meritis, daaruit kwamen Paradiso, Fantasio e van soortgelijke initiatieven in de provincie voort. Hij vervolgde zijn kruistocht tegen het verbod op hash later op de VARA-radio, waar hij met het jarenlang voorlezen van de 'Beursberichten', de richtprijzen voor cannabis-produkten, de aandacht van vele tientallen internationale cameraploegen trok. Aan het feit dat nu in de talloze coffeeshops waar hash wordt verhandeld een duidelijke prijslijst voorhanden is, ligt zijn pionierswerk ten grondslag.

Terugblikkend erkent Koos Zwart dat de visie van zijn Flower-Power-generatie stoelde op een 'wazig alternatief'. Zeker, er viel destijds veel eer te behalen aan de strijd om eruit te mogen zien zoals je wilde, de gewenste genotmiddelen te kunnen gebruiken en naar de muziek van je voorkeur te luisteren. De vraag is echter of de huidige autoriteiten hebben begrepen wat hij al die jaren heeft uitgedragen: “Meegroeien, in plaats van zelf groeien.” Hij wilde 'zulthoofen' aanpakken door solidariteit aan de basis, met 'dissidente' jongeren, drugsgebruikers of jonge soldaten en agenten. Een moderne hoofdcommissaris die zijn oren te luisteren legt, zoals dat nu gebeurt, is volgens Zwart een grote vooruitgang.

Zijn belangrijkste spreekbuis ontviel hem een paar jaar geleden: de omroep die hij jarenlang bestreed vanwege de onrechtvaardige behandeling van free-lancers zette hem aan de kant. Sindsdien solliciteert hij zich suf. Voor een ichtingsavond over drugs is hij nog wel beschikbaar. Helaas kan de schoorsteen daar niet van roken. Hij troost zich met de gedachte die hem thuis al werd bijgebracht: wie 'politiek handwerk' doet kan ineens van zijn voetstuk lazeren; 'Ondank is 's werelds loon', zei zijn oma altijd. Hij is niet uit op erkenning; men hoeft hem niet aan te nemen om van wat hij tot stand bracht. Natuurlijk, constateert Zwart met een mengeling van trots en begrip, hij blijft een 'aperte dwarsgeest'.