Kinderpsychiater wil onderzoek doen naar kinderen NSB-ouders; 'Kinderen foute ouders blijven verborgen'

NIJMEGEN, 22 JUNI. Hij is niet ver verwijderd meer van zijn pensioen. Maar bij het scheiden van de markt gaat voor de Amster(JHe kinderpsychiater prof.dr. D.J. de Levita een van zijn jeugdidealen alsnog in vervulling: te kunnen getuigen van de oorlog in zijn nieuwe functie van bijzonder hoogleraar transgenerationele oorlogsgevolgen aan de Katholieke Universiteit Nijmegen.

Zijn inaugurele rede houdt hij in het najaar, vandaag gaf De Levita een voorzetje van de invulling van zijn nieuwe leracht tijdens het symposium 'Kinderen van de oolog' dat in Nijmegen plaats had. De instelling van de leerstoel en het symposium zijn het initiatief van de Stichting Kunstenaarsverzet 1942-1945.

Behalve de eerste- en de tweede generatie oorlogsgetroffenen wil De Levita ook aandacht besteden aan de kleinkinderen van joodse oorlogsslachtoffers. En ook wil hij zijn arbeidsterrein niet beperken tot Nederland: er zijn bijvoorbeeld al contacten met de universiteit van Tel Aviv om onderzoedoen naar de gevolgen van de Golfoorlog op Israelische kinderen.

Onder de noemer 'kinderen van de oorlog' vallen volgens de Stichting Kunstenaarsverzet niet alleen de nakomelingen van (joodse) oorlogsgetroffenen, maar ook de kinderen van hen die tijdens de oorlog de kant van de bezetter hebben gekozen. Zij vallen dan ook binnen de leeropdracht van De Levita.

Volgens hem hebben deze kinderen “een andere identiteit” dan de kinderen van verzetsstrijders of kampslachtoffers. En, zegt hihet maakt ook verschil of hun ouders naeve idealisten waren of opportunisten of eenvoudig uit rancune tegen alles waren waardoor hun keuze werd bepaald.”

De laatste jaren is een dicussie ontstaan over de vraag of de kinderen van joodse oorologsslachtoffers op een lijn gesteld kunnen worden met de andere groepen, onder wie ook de nazaten van verzetsstrijders en van overlevenden van de Jappenkampen worden gerekend.

Volgens De Levita kan dat niet: “Alleen joden hebben lang voor de Tweede Wereldooal een geschiedenis van vervolging achter de rug, en zoiets kan invloed hebben op mensen. Het ergert mij weleens dat die invloed van eerdere generaties wordt verwaarloosd”, zei hij onlangs in het Nieuw Israelitisch Weekblad. Los van die discussie staat het recht op adequate hulpverlening voor elk van de groepen, aldus De Levita.

Voor wat betreft de kinderen van foute ouders wijst hij er op dat de verschillende motieven die aan de keuze van hun oudern grondslag lagen, consequenties heeft voor de hulpverlening. “En het vereist enige zelfbeheersing van bijvoorbeeld een joodse therapeut om vast te houden aan de wetenschap dat kinderen van hun foute ouders hielden en waarschijnlijk nog houden en dat het niet de bedoeling van de therapie kan zijn dat te veranderen.”

Maar de moed om hulp te vragen, zoveel jaar na dato, ontbreekt met name nog steeds bij deze kinderen. Liever houden zij zich schuil, verzwijgen zij weer voor hun kinderen (t Opa of Oma in de oorlog heeft gedaan' en komen ze hoogstens een of twee keer per jaar naar het weekend van de zelfhulpgroep Herkenning. Wordt toch hulp gezocht dan is de kans groot dat de vragende partij stuit op onbegrip (“Heb je daar nog last van, je hebt de oorlog niet eens meegemaakt”) en in het slechtste geval op afwijzing.

“De fout die de afwijzende hulpverlener echter maakt is dat hij vergeet, dat hij niet te maken heeft met een NSB'er, mat een persoon die aan de keuze van zijn ouders destijds part noch deel heeft gehad”, schrijft drs. T. Vorst in haar onlangs verschenen onderzoeksrapport over kinderen van foute ouders. Vorst is als medisch-socioloog verbonden aan het Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn.

Via de werkgroep Herkenning benaderde zij dertien, inmiddels volwassen, kinderen van foute ouders. De omvang van de totale groep van deze kinderen wordt geschat op 200.000. Maar volgens Vorst is het schier onmogelijk via een representatsteekproef onderzoek onder hen te verrichten. “Ze houden zich verborgen. Ik heb geprobeerd een indicatie te geven van hun ervaringen in hun jeugd en de gevolgen daarvan in hun latere leven.”

Kinderen van de oorlog: “Een oorlog die in '45 weliswaar eindigde, maar toch ook voortging, voor sommigen van ons zelfs pas begon en voortduurt en heviger wordt met het klimmen van de jaren”, zegt De Levita.