Edith de Eerste botst op Franse werkelijkheid

PARIJS, 22 JUNI. Edith Cresson trad op 15 mei aan als eerste minister om Frankrijk en vooral haar eigen socialistische partij een 'nieuw elan' te geven. President Franois Mitterrand gaf zijn 'trouwe soldaatje' de opdracht mee “de fronte beweging te brengen”. Ruim een maand later is de nieuwe beweeglijkheid haar grenzen genaderd. Politiek en publicitair doet Cresson vrijwel dagelijks van zich spreken, maar financieel-economisch blijft het nieuwe elan beperkt. Ook in Franse welvaartsstaat zijn de marges smal.

Edith de Eerste, zoals The Economist haar betitelde, is openhartig, fris van de lever en niet bang. Haar uitlatingen ove Angelsaksische viriliteit - “een op de vier Engelsen is homoseksueel” - zijn daarvan een, zij het gedateerd voorbeeld. Het gesprek waarin ze vaststelde dat “Londense mannen niet naar de vrouwen kijken” vond vier jaar geleden plaats. Maar er zijn andere en betere voorbeelden.

Drie dagen nadat ze haar intrek had genomen in het Matignon, de ambtswoning van de Franse premier, liet Cresson zich ontvallen dat “ze niets te maken had met de beurs”, waar haar benoeming juist met enige tevredenheid was ontvangen. re Beregovoy, de super-minister die verantwoordelijk is voor financien, economie, industriebeleid, buitenlandse handel en de begroting, noemde ze tegenover vrienden “opgeblazen”. Toen kort daarop geruchten gingen dat Beregovoy in september ontslag zal nemen, wekte dat eigenlijk geen verbazing.

In het masculiene milieu van de Nationale Vergadering, waar vrouwen ver in de minderheid zijn, hield zij tijdens een debat enkele machistes voor, dat “mannen in het gl niet onvervangbaar zijn, behalve in het prive-leven”. En toen een liberale afgevaardigde haar vergeleek met Madame de Pompadour, zei Cresson gevat: “Ik ben misschien een favoriet, maar alleen van mijn kiezers”. Dat verhinderde overigens niet dat Edith als de wulpse tijger Amabotte ('Aan mijn laars') optreedt in de populaire televisieshow Bebete, de Franse versie van Spitting Image, waarin ze voortdurend kopjes geeft aan de Kermitachtige kikker Dieu die de rol van Merrand vertolkt.

Binnen de socialistische partij is Cresson onafhankelijk. Zij behoort niet tot de verschillende groepen die elkaar onder leiding van 'olifanten' als Fabius (voorzitter van de Nationale Vergadering), Jospin (minister van onderwijs) en Rocard (de afgetreden premier, die al enige weken over de Middellandse Zee zeilt) het leven zuur maken. En ze laat dat merken. Toen de 'bende van Fabius' kandidaten naar voren schoof voor adviseursposten in het Matignon, zei Cres “Ik ben er niet om de ene groep boven de andere te bevoordelen. Ik sta boven die keuken.”

Maar boven de beperkingen waaraan de politiek is onderworpen staat ze niet, voorzover het niet om retoriek gaat. Dat bleek voor het eerst in het Europese industrie- en handelsbeleid: met haar krachtige kritiek op het Japanse protectionisme verwierf Cresson zich onmiddellijk de reputatie van 'Jeanne d'Arc van de economische oorlog'. Maar net zoals met de heilmaagd liep het ook met Cresson slecht af: ze moest inbinden nadat Japan ongewoon krachtig protesteerde, Franse bedrijven in Tokio tijdelijk werden genegeerd en uiterst rechtse groeperingen voor de Franse ambassade in de Japanse hoofdstad demonstreerden.

Haar pleidooien voor een krachtige EG-politiek tegenover Japan - dat “tegenprestaties” moet geven in ruil voor het openstellen van de Europese markt voor Japanse export - krijgen echter nog wel een vervolg. Het probleem van de geleidelijke toelatvan Japanse auto's op de interne markt van de Gemeenschap is nog lang niet opgelost. En in elk geval weet de Europese Commissie in Brussel nu, dat de Franse regering het spel hard wil spelen - Cressons anti-Japanse tirades waren meer op Brussel dan op Tokio gericht.

Binnen de landsgrenzen zijn de marges het smalst. Naast het verbale geweld dat in elk geval de socialisten moet mobiliseren, blijft de polek van zuinig beleid onverminderd gehandhaafd. De franc moet hard en de inflatie laag blijven, het begrotingstekort mag niet groter worden. Er is weinig ruimte voor loonsverhogingen of het inhalen van achterstanden. Talloze beroepsgroepen hebben dat in de afgelopen weken, het seizoen van het CAO-overleg, moeten vaststellen. Stakingen - bij trein, metro, luchtverkeer, anesthesisten - en demonstraties van onder anderen verpleegsters en gemeentepolitie waren dan ook in Parijs en elders aan de orde van de dag.

Cresson kondigde in haar regeringslaring aan dat de indirecte belastingen niet zouden worden verhoogd. Drie weken later viel het besluit enkele btw-tarieven (onder anderen voor bloemen en voor de diensten van reisbureau's) per 1 juli te verhogen onder het motto dat het hier een aanpassing aan EG-harmonisatie betrof.

De uniforme EG-tarieven moeten per 1 januari 1992 worden ingevoerd. Het halve jaar extra winst wilde minister Beregovoy niet missen. Om het gat in de begrog van de sociale zekerheid (ruim acht miljard gulden) te dichten werden de premies die werknemers moeten betalen met 0,9 procent verhoogd, eveneens met ingang van 1 juli.

De oppositie stelde smalend vast dat de regering verdeeld is in twee 'sultanaten'; dat van Cresson, de 'Franse furie', en dat van Beregovoy, die samen met de nieuwe minister van sociale zaken Bianco, ex-secretaris-generaal van het Elysee, nieuwe lasten oplegt en herhaaldelijk op de rem trapt bij financieel-economische beslissingen. Zo is de kostbare iening van de pensioenregeling alvast een half jaar uitgesteld. Een programma ter bestrijding van de grote werkeloosheid - 9,4 procent van de beroepsbevolking, ofwel 2,6 miljoen mensen en tegen het eind van het jaar waarschijnlijk 2,8 miljoen - komt pas in de herfst.

Voor linkse mensen kon Cresson dus tot nog toe nog maar weinig leuke financiele dingen doen. De jaarlijkse aanpassing van het minimumloon (SMIC) per 1 juli kreeg de afgelopen dagniet bij toeval een onevenredig grote symboolwaarde als toetssteen voor het socialistische gehalte van de regering-Cresson. Het partijbestuur van de Parti Socialiste riep de premier op tot een 'nieuwe sociale etappe'. De vakbonden verklaarden de verhoging tot een casus belli. De deskundigen van het ministerie van financien bepleitten een beperkte verhoging op grond van de huidige slechte conjuctuur.

Volgens de bestaande wettelijke regeling zou hetnimumloon per 1 juli moeten worden verhoogd met de helft van de gemiddelde stijging van salarissen die de midden-inkomens genieten. Dat zou 1,7 procent betekenen - te weinig volgens de PS en de vakbonden, omdat de premieverhoging voor de sociale zekerheid al meer dan de helft van deze aanpassing opslokt. Cresson kon ook voor een andere methode van berekening kiezen die haar voorganger Rocard vorig jaar toepaste. Dat zou resulteren in een verhoging met 2,3 pent (tot 5.510 francs bruto per maand, bijna 1.900 gulden). Het PS-bestuur liet doorschemeren dat 2 procent aanvaardbaar zou zijn.

Edith Cresson hakte de knoop snel door. Voor het miljoenenpubliek dat het avondnieuws van de populaire tv-zender TF 1 volgt, onthulde ze donderdagavond dat ze voor 2,3 procent had gekozen. Onder verwijzing naar haar voorganger Rocard zei Cresson dat 'de staat woord moet houden'. Een commentator op de regeringsgezinde zender Antenne 2, die het uws enkele minuten later analyseerde, noteerde dat de premier van het elan om politieke redenen niet met minder kon komen dan haar voorganger Rocard. En macro-economisch maakt het niet veel uit, zo voegde hij eraan toe; de 0,6 procent verschil betekent immers evenveel als drie pakjes sigaretten. De marges voor Mitterrands trouwe soldaat kunnen dus snel in rook opgaan.