De ragfijne koude oorlog van John Foster Dulles

John Foster Dulles and the Diplomacy of the Cold War door Richard H. Immerman (red.) 297 blz., Princeton University Press 1990, f 67,- ISBN 0 691 04765 0

John Foster Dulles genoot tijdens zijn ministerschap van buitenlandse zaken tussen 1953 en 1959 een zeldzame impopulariteit. Die slechte reputatie weet nog steeds van geen wijken. Eisenhowers secretary of state gold in zijn eigen tijd al als een roekeloze Dr. Strangelove die in het heetst van de Koude Oorlog herhaaldelijk dreigde met de inzet van kernwapens. Velen meenden dat hij de kunst van buitenlands beleid met zijn verbaal misbaar, buiteorig gemoraliseer en een legalistische kijk op de internationale verhoudingen tot een vulgariteit maakte.

Het hielp ook al weinig dat Dulles een nogal bars gezicht had en overkwam als een kil en onvriendelijk persoon. Door zijn bruuske optreden was hij een gewild mikpunt voor politiek commentatoren en cartoonisten in de jaren vijftig, en in het Congres was hij de bete-noire van de Democraten. Nog in 1987 werd hij bij een opiniepeiling onder rikaanse historici bij de vijf laagst gewaardeerde ministers van buitenlandse zaken gerangschikt.

Des te interessanter is de enige tijd geleden verschenen bundel John Foster Dulles and the Diplomacy of the Cold War, de neerslag van een geschiedkundig congres dat geheel aan hem gewijd was. Uit de verschillende bijdragen rijst een veel genuanceerder beeld op van zijn politieke handelen dan zijn reputatie wil doen geloven.

Het probleem bij de beeldvorming omtrent Dulles, zo blijkt uit dit boek, is voor een deel terug te voeren op het feit dat hij niet aan het schrijven van zijn gedenkschriften is toegekomen. Zo heeft hij de critici van zijn beleid niet de politieke arena van repliek kunnen dienen. Evenmin liet hij een dagboek of correspondentie van betekenis achter, en in de battle of memoirs tussen andere politieke leiders van zijn tijd werd zijn reputatie er niet beter op. Om verweer van de overleden Dulles hoefden die zich bij het schrijven van huherinneringen immers niet druk te maken.

Zo wordt hij in de autobiografie van Anthony Eden erg zwart afgeschilderd, zeker in vergelijking met Eisenhower, die nog wel leefde toen de verbitterde Eden aan het relaas van zijn kortstondig verblijf in Downing Street werkte. In Full Circle noemt de ex-premier hem 'as tortuous as a wounded snake, with much less excuse'. Het karakter en de omgangsvormen van de rauwe Amerikaan verschilden inderdaad radicaal van die van de gesoigneerde Brit. Zo verbleekDulles als hij door Engelse seksegenoten met 'my dear' werd aangesproken. Anderzijds voelde Eden zich tijdens de Suez-crisis door de secretary persoonlijk ondermijnd.

UITVOERDER

In werkelijkheid was Dulles echter, zoals Wm. Roger Louis in zijn doorwrochte stuk over deze kwestie weergeeft, de uitvoerder van het door Eisenhower uitgestippelde beleid. Hij was dan ook een carriere-diplomaat. Al lang voor 1952 had Dulles zijn zinnen ohet ministerie van Buitenlandse Zaken gezet. Hij had er uitstekende papieren voor en serieuze rivalen dienden zich niet aan. De jaren voorafgaand aan zijn ministerschap komen echter in dit boek nauwelijks aan de orde. Ze zijn het best beschreven in John Foster Dulles: The Road to Power (1982) van de historicus Ronald Pruessen, die nu aan het vervolgdeel van zijn biografie werkt en voor deze bundel het inleidende hoofdstuk leverde.

Dulles was zoon van een presbyteriaans predikant, en afkomstig uit een geslachtt vertrouwd was met het buitenlands beleid. Hij beriep zich er veelvuldig op dat hij in de voetsporen trad van zowel zijn grootvader als zijn oom, die eveneens minister van buitenlandse zaken waren geweest. Zijn broer, Allen Dulles, werd onder Eisenhower directeur van de CIA en zijn zuster Eleanor werkte sinds 1942 op zijn favoriete ministerie.

John Foster begon zijn loopbaan als diplomaat al op negentienjarige leeftijd. In 1907 begeleidde hij zijn grootvader, de minister vanbuitenlandse zaken John W. Foster, op de Tweede Haagse Vredesconferentie als secretaris. Tijdens het Interbellum vervulde hij tal van adviesfuncties voor de regering, hij was nauw betrokken bij het economische herstel van Europa, en verrijkte zich in de big business. In 1945 maakte hij deel uit van de Amerikaanse delegatie bij de oprichtingsconferentie van de Verenigde Naties te San Francisco en was vervolgens lid van de Algemene Vergadering van de VN. Onder Truman fungee hij als speciaal adviseur van de ministers van buitenlandse zaken George Marshall en Dean Acheson. Met de rang van ambassadeur werd Dulles ten slotte in 1950-51 afvaardigd als hoofdonderhandelaar van het vredesverdrag met Japan. Hij weigerde daarna het aanbod voor de post van ambassadeur in Tokio. Hij wilde het power house, en dat kreeg hij.

Aanvankelijk lag Dulles in zijn begeerde functie permanent onder vuur van de rechtervleugel van de Republikeinse partij, waarvan hmeer te vrezen had dan van de Democratische oppositie. Vanwege de belegering van zijn departement door senator Joseph McCarthy en andere communistenjagers, hield hij de schijn op dat hij volledig brak met de buitenlandse politiek van de vorige regering. In werkelijkheid zette Dulles het beleid van Acheson, zijn door hysterische Republikeinen als 'Red Dean' in diskrediet gebrachte voorganger, in grote lijnen voort. Als onderdeel van zijn overlevingsstrategie ontdeed Dullezich wel van ambtenaren die door McCarthy en de zijnen ook maar enigszins verdacht werden gemaakt. Deze opportunistische zuivering in de eigen gelederen is hem uiteraard zeer kwalijk genomen. Veel uiterst bekwame lieden moesten, vaak op basis van vage beschuldigingen, het veld ruimen. Onder hen bevond zich George F. Kennan, architect van de Amerikaanse 'indammingspolitiek' tegenover het communistische blok.

OPZWEPEND TAALGEBRUIK

Met zijn roep om de vervanging van de 'negatieve, nutteloze en immorele politiek van containment' or een aanpak die was gericht op de 'bevrijding' van Oost-Europa, had Dulles al tijdens de verkiezingscampagne van 1952, onder andere in een legendarisch artikel in het tijdschrift Life, de toon gezet voor zijn beleid. Zo werd hij de man van opzwepend taalgebruik over het 'terugdringen' van Sovjet-invloed in Oost-Europa, de nucleaire strategie van 'massale vergelding', de dreiging Taiwan tot de aanval op Communistisch China te laten overgaan ('unleashing Chiang Kai-Shek'), de 'agonizing reappraisal' die de Europese bondgenoten zou treffen als deze er niet in zouden slagen de Europese Defensie Gemeenschap (EDG) tot stand te brengen (wat hen inderdaad niet lukte), en het zogenaamde 'brinkmanship' dat hij in de presidentiele campagne van 1956 propageerde, hetgeen neerkwam op het durven nemen van risico's tegenover de Sovjet-Unie die tot de rand van een oorlog zouden kunnen leiden.

Uit John Foster Dulles and the Diploy of the Cold War blijkt echter dat de provocerende retoriek vooral een rookgordijn was waarmee Dulles het Amerikaans publiek, maar ook vriend en vijand in het buitenland, bewust misleidde omtrent de werkelijke doeleinden van zijn beleid. Op het gebied van buitenlandse politiek onder Eisenhower was sprake van een uitgekiende public relations-aanpak: Dulles fungeerde als boeman en bliksemafleider. 'I' kon dan poseren als staatshoofd op zijn zondags, als initiator van mooi klinkende plannen als 'Atoms for Peace' en 'Open Skies', als de bezonnen politicus die in zijn afscheidsrede nog eens waarschuwde voor de duistere macht van het militair-industrieel complex.

Daarom zijn, betoogt John Lewis Gaddis in een van de meest stimulerende essays van dit boek, de argumenten waarmee Dulles zijn beleid aan de man bracht een slechte handleiding voor het doorgronden van zijn buitenlandse politiek. In werkelijkheid was hij niet uit op een onmiddellij confrontatie: anders dan Truman en Acheson was hij ervan overtuigd dat in de Koude Oorlog de tijd uiteindelijk in het voordeel van het Westen zou werken. Zijn strategie op lange termijn tegenover de communistische landen was gebaseerd op de visie dat het uitoefenen van permanente druk hun interne desintegratie zou bespoedigen.

Ondertusen gaf de bombast van Dulles wel aanleiding tot bloedstollende krantekoppen. Maar in de praktijk bleef van zijn 'bevrijding' van Oost-Europa niet veel over: de diplomatie vaalle dag was niet te onderscheiden van de aloude indammingspolitiek. Dit bleek tijdens het Oostduitse oproer van 1953 en de Hongaarse opstand in 1956, toen de Amerikanen slechts protest bij de Verenigde Naties aantekenden.

RECHTSE ACHTERBAN

Overigens is het wel waar dat Dulles' anti-communisme en de noodzaak die hij voelde om zijn invloedrijke rechtse achterban te pacificeren, een vergelijk tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie ondebaar maakten tijdens zijn ministerschap. Hier is de kloof die gaapt tussen zijn woorden en gedachten het kleinst. Toch beschouwde hij de communistische wereld niet als een monolitisch blok. Hij ging er van uit dat een Amerikaanse politiek die de Sovjet-Unie en China naar elkaar toedreef de beste garantie was voor een snelle verzwakking van de relatie tussen de twee communistische staten.

In het algemeen ontbrak het Dulles, zoals veel van zijn tijdgenoten, wel aan begrip voor het verscussen nationalisme en communisme. Hij kon zich al helemaal moeilijk in de gedachtenwereld van politieke leiders uit niet-westerse culturen verplaatsen. Veranderingen die in ontwikkelingslanden plaatsgrepen, werden door hem steevast vertaald als deel van de mondiale strijd tussen kapitalisme en communisme. Onder andere daarom stuitte in de Derde Wereld de Amerikaanse containment-politiek op haar grenzen. De reikwijdte van de eigen macht werd enorm overschat lokale problematiek enorm onderschat. In het politieke mijnenveld van Indochina wist Dulles op korte termijn nog wel diplomatieke successen te behalen maar, zoals George Herring in de kortste bijdrage van dit boek betoogt, hij legde tevens de basis voor het grootste buitenlandspolitieke fiasco van de Verenigde Staten.

Het eigen halfrond was het ideale laboratorium voor anticommunistische experimenten van Dulles, die hij uitvoerde in samenwerking met zijn broer Allen - met wie hij eerke band had. De verhandeling van Stephen Rabe over het Amerikaans optreden in dit werelddeel is onthutsend. Voor Latijns-Amerika was de praktijk van de anticommunistische buitenlandse politiek van de Verenigde Staten in de jaren vijftig veel grimmiger dan de theorie. Economische hulp en democratisch bestuur waren voor de gebroeders Dulles niet aan de orde. De inter-Amerikaanse betrekkingen werden door hen vrijwel uitend als onderdeel van de confontatie met de Sovjet-Unie gezien, zelfs wanneer de eigen intelligence veronderstelde banden met Moskou niet kon aantonen. Dit laatste bleek het geval bij de in 1954 door de CIA gesteunde coup in Guatemala en tijdens een incident in Caracas in 1958, waar vice-president Nixon bijna door een woeste menigte om het leven werd gebracht.

Eisenhowers man op Buitenlandse Zaken rijst uit deze bundel evenwel voor alles op als Atlanticus en een echte alliantiebouwer. Hij werkte hard aan de bestendiging van de transatlantisverhoudingen, was een belangrijke kracht achter de nuclearisering van de NAVO en hij drong voortdurend aan op Europese integratie.

ADENAUER

Overigens waren de bondgenoten in Europa niet bovenmatig gecharmeerd van de als weinig inschikkelijk bekend staande minister van Buitenlandse Zaken. Alleen met Konrad Adenauer, van wie wel gezegd is dat hij de band met de Verenigde Staten als een tweede Grundgesetz van de Bondsrepubliek beschouwde, had hn succesvolle werkrelatie. In de bundel schrijft Hans-Jurgen Grabbe over de band tussen deze twee mannen. Ze verstonden zich goed met elkaar, al liep hun communicatie via een tolk, en deelden de mening dat de uitoefening van hun ambt een wat afstandelijke omgang vereiste. Dulles' meer dan loyale steun aan de kanselier leidde tot een enorme diplomatieke blunder toen hij, twee dagen voor de Westduitse verkiezingen van 1953, op een persconferentie waarschuwde dat het 'desastreus' zou zijn als Adenaueet zou worden herkozen.

Dulles' visie op een stabiele wereldorde draaide om de as tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie. Op dit centraal aspect van zijn beleid zou hij zelf ongetwijfeld het liefst zijn beoordeeld. Dat gebeurt in John Foster Dulles and the Diplomacy of the Cold War eigenlijk onvoldoende, met uitzondering van het deutschgrundlich maar kleurloos hoofdstuk van Rolf Steininger over de Europee Defensie Gemeenschap en het Duitse vraagstuk. Hieruit blijkt dat Dullna het stuklopen van de EDG geen alternatief achter de hand had. De Europeanen zelf creeerden daarop in 1955 de West Europese Unie (WEU). Of Dulles' politiek de bondgenootschappelijke verhoudingen nu positief of negatief benvloedde, komt in deze studie niet aan de orde. Wel helpt dit boek een scherper beeld te krijgen van de omstreden minister. Dulles schuwde de harde confrontatie niet, maar hij blijkt minder roekeloos naar de nucleaire afgrond te zijn gebeend dan in het algemeen over hem is beweerd. dossiers kende hij goed, hij was beslist pragmatisch, vindingrijk en ook bereid zijn standpunten te herzien. Wie door Amerikaanse overheidsdocumenten uit de jaren vijftig bladert, leert aldus een heel andere kant van Dulles kennen. Bovenal blijkt dat hij zijn werkelijke bedoelingen en standpunten zo weinig mogelijk onthulde, in de veronderstelling dat dit zijn diplomatie alleen maar schade zou kunnen doen.

Nu pas wordt duidelijk dat Dulles over kernwapens of erhouding met de Sovjet-Unie binnenskamers veel genuanceerder dacht dan we tot op heden konden vermoeden. Maar de onmiddellijke vraag is wel wat de betekenis was van dat gefilosofeer in de vertrouwelijke conversaties met de president, of tijdens vergaderingen van de National Security Council, als dit geen consequenties had voor zijn veiligheidspolitiek? Wapenbeheersing stelde in de jaren vijftig immers weinig voor en de Sovjet-nie moest, spionage daargelaten, toch voor een groot deel op Dulles' retoriek afgaan. De vraag of Dulles' grand strategy het conflict met de Sovjet-Unie al of niet heeft aangewakkerd blijft, totdat de archieven in de Sovjet-Unie open gaan, nog onbeantwoord. De spannendste verhalen moeten dus nog komen, al zijn er mensen die beweren dat over de Koude Oorlog alles wel zo'n beetje gezegd is.