DE OORLOG ALS PRODUKT

'Bij alle verschillen tussen de jungle en de woestijn blijft het een feit dat een week oorlog in Vietnam een grotere verscheidenheid aan beelden heeft opgeleverd dan vier weken Golfoorlog.' Oorlog behoort geen produkt te zijn. Het gaat om het meest barbaarse fenomeen dat als gemengd nieuws dient te worden behandeld.

In de krant ermee en op de televisie! Een bekorte en enigszins gewijzigde vorm van een lezing die de auteur onlangs, bij de opening van de World Press Photo in Maastricht, heeft gehouden.

Als de mensen in staat waren van afbeeldingen zoveel te leren dat ze daarmee als mensheid, als denkend collectief er verstandiger van werden, zouden we kunnen volstaan met een permanente tentoonstelling van Goya's tachtig etsen over de verschrikkingen van de oorlog. Bij wijze van definitieve aanvulling zouden we er de fotocollectie van het Duitse anti-oorlogsmuseut de jaren twintig aan kunnen toevoegen, om te laten zien wat de gemechaniseerde oorlog bij ons, naakte apen, kan aanrichten. Menig bezoeker heeft dit museum ziek verlaten. Het is dan ook door de nazi's ogenblikkelijk gesloten toen ze het voor het zeggen kregen. Dat was voor de oprichters een compliment. Voor zover World Press Photo over de oorlog gaat, beschouw ik de etsen van Goya en de verzameling uit dit museum als de klassieke voorlopers.

Op het gebied geweldpleging heeft de techniek na de Napoleontische oorlogen ongelooflijke vorderingen gemaakt. Vervolgens zijn de prestaties in de Eerste Wereldoorlog korte tijd beschouwd als het toppunt van menselijk kunnen. Maar na de Tweede Wereldoorlog, Korea, Vietnam en de Golfoorlog weten we nog beter. We hebben geleerd dat er geen einde is aan het aantal manieren waarop we elkaar individueel of met miljoenen kunnen vermoorden. Alleen het menselijk lichaam ist veranderd: het biedt nog altijd hetzelfde beperkte aantal mogelijkheden om het te mishandelen.

Misschien zou de wetenschap van de technische oorlogvoering het eens andersom moeten proberen: zich er niet op toeleggen telkens weer gereedschap uit te vinden waarmee het doel beter kan worden geraakt, maar de mens zelf van wat meer trefbare varianten voorzien. De afschrikwekkende werking der wapens is niet voldoende; er moet een inwendige deterrent komen: meer mogelijkheden om pijn te lijden gepaard aan een hogereensiteit van angst dan die we nu kennen. Ik denk weleens dat de technici van de oorlog en vrede aan de verkeerde kant van de lijn bezig zijn. Gewenst is niet een nog beter gereedschap om het doel te treffen; het doel zelf moet worden veranderd. Er is een biologische mutatie nodig: een nieuwe mens met een hogere graad van pijn en angst.

Het zou waard zijn ernaar te streven als we de zekerheid hadden dat het zou helpen. Maar de oorlogsverslaggeving van de laa twee eeuwen heeft andere ervaringen geregistreerd. Na Goya kwamen de reporters met potlood en schetsboek. In het midden van de vorige eeuw waren moderne populaire tijdschriften als de Franse Illustration, het Amerikaanse Harper's Weekly, de Illustrated London News en de Daily Graphic al gespecialiseerd in afbeeldingen waarop over de gruwelen van de oorlog geen misverstand werd gelaten. Daarna kwamen de fotografen. De Amerikaanse Burgeroorlog heeft reportages opgeleverd waarin een baarsheid wordt getoond die niet onderdoet voor alles wat er op het slagveld nog moest komen.

Toch stond de mechanisatie van de wederzijdse massamoord nog maar in de kinderschoenen. De ontwikkeling van de techniek heeft de moderne beschaving in staat gesteld de oorlog te industrialiseren, de legers groter te maken, de wapens doeltreffender en de vernietiging massaler. Parallel aan deze vooruitgang in de destructie heeft de weergave daarvan zich ontwikkeld. Al voor 1914 was de frontfotografie tot een hoge graad van ontwikkeling gebracht. De emulsie van de film was nog niet in staat alle nuancen van licht en schaduw te registreren, maar bij het fotograferen van uit elkaar gerukte lichamen en runes kon men ook zonder die technische subtiliteit resultaten bereiken die er niet om logen. Van gevechten in de Eerste Wereldoorlog bestaan al uitstekende bewegende beelden, zij het dat het geluid eraan ontbreekt. Daanse Burgeroorlog, de strijd tussen Japan en China, alles wat daarover aan beelden beschikbaar is, voegt in feite aan onze kennis over de moderne oorlogvoering al niets meer toe.

De paradox, het raadsel is dus dat industrialisatie van de oorlog, gepaard aan industrialisatie van de weergave in foto's, films en geluid waarmee een publiek van miljoenen wordt bereikt, de frequentie van het oorlogvoeren en de schaalvergroting allerminst heeft doen afnemen.

Een verklaring is dat de weergavan de oorlog in dienst van de oorlogvoering is gesteld. Het begrip 'totale oorlog' is niet door Joseph Goebbels uitgevonden maar aan het begin van de Eerste Wereldoorlog in de praktijk ontwikkeld door de Duitse generaals Helmuth von Moltke en Alexander von Kluck. Alles moest in dienst van de oorlog staan, daarbij inbegrepen de moraal, de leugen en de waarheid. Goebbels heeft uit die opvatting de consequentie getrokken die met radio, foto en film gven waren. Ook de weergave van de oorlog hoorde voortaan tot de totale oorlogvoering. Het woord propaganda is nog altijd een eufemisme voor het tactisch, strategisch, systematisch liegen en ophitsen waartoe dit onder zijn leiding is gegroeid.

Sinds de partijdige weergave van de oorlog in de propaganda tot een vorm van media-industrie is geworden, bestaat er een conflict op grote schaal tussen de vrije journalistiek en de oorlogsleiding, de militaire zowel als de politieke. Een kerkhof kan men vullen met journalisten die met hun camera in de hand, op de schouder of met niets anders dan hun schrijfgerei zijn gesneuveld. Een aantal van hen hoort tot de slachtoffers van de oorlog tout court, zij hebben de gevaren van het krijgsbedrijf niet weten te ontlopen; anderen zijn in hun hoedanigheid van getuigen namens het wereldpubliek, als onwelkome toeschouwers vermoord. Niettemin, de meerderheid is aan het werk gebleven en heeft zodoende tegen alle belemmeringen in, de oorlotot een openbare zaak gemaakt, met als toppunt de Vietnamese.

De Amerikanen hebben in Vietnam een publieksoorlog gevoerd zoals er waarschijnlijk geen meer zal voorkomen. Het krijgsbedrijf werd industrieel aangepakt, zelfs met een begin van elektronisering, en even ver gevorderd waren de middelen waarmee de beelden aan huis werden bezorgd. Zo werd het Westerse publiek vrijwel op het ogenblik dat de gebeurtenissen plaatshadden, ermee geconfrontreerd. Dat woord mag hier wel wor gebruikt: het is jaren lang een dagelijkse confrontatie geweest. Er zijn lange perioden geweest waarin het publiek weinig tot niets heeft geweten van wat er in Washington werd beraamd, maar voorzover de oorlog aan het front werd gevoerd, was het een oorlog met een minimum aan geheimen. Vandaar dat My Lai, het Tet-offensief, Danang namen zijn die het beelden kijkend publiek in de hele wereld nog altijd iets zeggen. In de laatste jaren van de Vietnamese oorlog heeft de verslaggeving haar toppunt van vrije indus)trialisatie bereikt. Het is van belang te beseffen dat dit niet tegelijkertijd de vervolmaking was van de propagandamachine, die media-industrie waarvoor Joseph Goebbels de grondslag heeft gelegd.

De Amerikanen hebben de oorlog in Vietnam ook aan het thuisfront verloren. Daar is bij de meerderheid langzamerhand de overtuiging gevestigd dat dit 'een oorlog op de verkeerde tijd, op de verkeerde plaats tegen de veerde tegenstander' was. De politieke argumenten laat ik buiten beschouwing. Ik stel alleen vast dat zich in de meningsvorming aan het thuisfront nooit de wending tegen de oorlog had kunnen voltrekken als de strijd in de jungle zo zorgvuldig gecensureerd aan het publiek was voorgetoverd als dat met de Golfoorlog is gebeurd.

Vietnam, dat wisten we toen nog niet, is een keerpunt in de journalistiek. Men beweert nog wel dat het de eerste televisierlog was. Het is echter niet alleen de eerste maar ook de laatste geweest die op deze manier onder toezicht van de media-industrie, en dus via de publieke opinie ook door de media is gevoerd. De oorlog in Vietnam is voorlopig de laatste grote openbare oorlog geweest.

De moderne oorlog is behalve misschien een vaderlandslievende onderneming ook een produkt van het militair-politiek-economisch complex. Zoals ieder complex van enige omvang, en dit is reusachtig, wil het zichzelf voortzetten en de continuteit is het best gewaarborgd als het produkt goed is. Dit jaar is voor het eerst in de geschiedenis de oorlog als produkt behandeld. Er worden eisen aan gesteld die in beginsel niet afwijken van die waaraan ieder industrieel produkt moet voldoen. Het moet goed werken, het moet relatief goedkoop zijn in het gebruik - waarbij we voor dit geval in mensenlevens rekenen - en, ook alweer met alle reserves die het onderwerp eigen zijn, het moet populair blijven. De oorlog als produkt moet op zijn kwteiten worden verkocht.

Niet bekend

De oorlog in Vietnam was een slecht produkt en als zodanig is hij aan het publiek gerapporteerd. Er zijn politici van naam die nog altijd beweren dat, als de verslaggeving maar goed was geweest, het produkt daar ook beter van zou zijn geworden - Nixon en Kissinger denken het, maar de meeste anderen beschouwen dit als een vergissing. Hoewel de Golfoorlog tot een heel ander type hoort die in de jungle, hebben de Amerikaanse regering en het opperbevel zich al in een vroeg stadium voorgenomen dat zo'n media-catastrofe als in Vietnam moest worden vermeden. De logische consequentie daarvan was dat de pers in al haar verschijningsvormen zoveel mogelijk gereglementeerd moest worden bij de toegang tot de vervaardiging van het produkt.

De technische ontwikkeling in de communicatie heeft het regering en militairen daarbij betrekkelijk onverwachts gemakkelijk gemaakt. Op het gebied van de frontverslaggeving is er een periode geweest waarin de Golfoorlog praktisch synoniem was met Cable News Network; en deze in menig opzicht bewonderenswaardige onderneming is weer, binnen de grenzen die de actuele nieuwsvoorziening nu eenmaal stelt, een typisch voortbrengsel van de Amerikaanse opvattingen van mediavrijheid. In een land waar een serieus debat wordt gevoerd over de vraag of een executie in de gaskamer van Californie op de televisi worden uitgezonden (de New York Times, tegenstander van de doodstraf, is er voor) laat men zich ook niet zo gemakkelijk de vrije toegang tot de oorlog ontzeggen. CNN en de andere grote networks die ongecensureerd via de satelliet nieuws uit de hele wereld naar de hele wereld brengen, zijn in dit opzicht de tot dusver volmaakte vervulling van wat Amerikanen onder persvrijheid verstaan.

Maar onder oorlogsomstandigheden is CNN daardoor ook de volmaakte spion. Een legertje van de best getrainde spionnen zou minder nauwkeurig en vooral aanmerkelijk trager werken dan een paar cameraploegen van CNN. De Amerikaanse media hebben de redelijkheid van sommige militaire beperkingen erkend, maar overigens iedere uitzending vergezeld laten gaan van de mededeling dat de censuur in hun redactie zat.

In de loop van de Golfoorlog is het al vlug duidelijk geworden dat het de Amerikaanse regering en het leger om meer was begonnen dan het arborgen van een aantal militaire geheimen. Met de herinnering aan Vietnam hebben ze zich erop toegelegd de oorlog voor de media als een produkt te behandelen. Hierbij is hun werk vergemakkelijkt door de vorderingen van de wapentechniek. Zou men nu een enquete houden, met als eerste vraag: wat herinnert u zich van de Golfoorlog het best, dan wil ik er een redelijk bedrag onder verwedden dat meer dan de helft de smart bombs als eerste noemen, die betoverenuwkeurigheid waarmee de projectielen door de vijandelijke voordeur of schoorsteen naar binnen vlogen. En natuurlijk: de buitengewoon geringe kosten van het produkt, dat aantal gesneuvelden, nauwelijks groter dan wat in de stad New York het vorig jaar per maand werd vermoord, met daartegenover veel meer dan het bereiken van het oorspronkelijk gestelde doel. Want als militaire macht die in de regio meetelt is Irak vernietigd.

Verslaggevend van de oorlog heeft de pers zich laten indelen in pools en is, onder protest, gedwongen geweest zte gedragen als een groep toeristen op een busreis. Er is door de gezamelijke media een brief gestuurd naar het Pentagon waarin men zich tegen de regels der militairen heeft verzet. In januari hebben een paar kleinere media en individuele journalisten zelfs een proces tegen het Pentagon aangespannen wat niet het beoogde effect heeft gehad, al was het alleen maar omdat de oorlog te vlug was afgelopen. Op 3 maart heeft de New York Times in haar kleurenbijlage een artikel van de veteraan-oorlogsverslaggever Malcolm W. Browne gepubliceerd - het was de opening - met als titel The Military Versus The Press. Al dit verzet was in wezen gericht tegen de behandeling van de oorlog als produkt.

En juist uit deze nieuwe manier van benadering, als je het zo kunt noemen, is het nieuwe beeld van de oorlog ontstaan. Het is met de oorlog als het bezoek aan een zeer groot formaat zeer geavanceerde schiettent waarbij het als een paal boven water staat dat er met gegarandeevoltreffers grote prijzen zullen worden gewonnen, maar dit allemaal zonder dat de deelnemers de zekerheid zullen krijgen over wat ze precies hebben geraakt.

Zeker: het Iraakse leger, de bruggen en de waterleiding van Bagdad, de tankauto's op weg uit Jordanie, allemaal geraakt. Startende vliegtuigen. Landende vliegtuigen. Piloot in cockpit steekt duim op. Nog een paar van die standaardbeelden die het al drie of vier oorlogen geleden tot emblematisch niveabben gebracht. Maar hoe meer we ervan hebben gezien, des te sterker we vermoeden: er moet meer zijn. Bij alle verschillen tussen de jungle en de woestijn blijft het een feit dat een week oorlog in Vietnam een grotere verscheidenheid aan beelden heeft opgeleverd dan deze vier weken oorlog als produkt. Hoeveel Irakezen zijn er gesneuveld? Vijftigduizend? Honderdduizend? Hoe zijn ze gesneuveld? Wat heeft zich op die Koeweitse autosnelweg afgespeeld? Geen beelden, gverslagen.

De paradox blijkt ingewikkelder te zijn. De oorlog en de massamedia zijn gendustrialiseerd, in de loop daarvan heeft het Westen een science-fictionachtige graad van ontwikkeling bereikt. Maar de mogelijkheid tot een ogenblikkelijke weergave van de oorlogvoering, die perfectie heeft de cameramensen van foto en televisie en de schrijvende verslaggevers met hun laptops verhinderd hun regelrechte verslag de wereld in te sturen. De perfectie van de communicatie heeft tegenover de opvatting van de oorlog produkt het onderspit gedolven. Daar had zich een medialeger verzameld, tot de tanden bewapend met alles was de modernste elektronica te bieden heeft. De motorzoom zoomde in op de schoolmeesterstok zoals die door de kolonel van dienst werd gehanteerd. De vingers op de toetsen van de laptop bewogen op de maat van de voorlichter die de communiques voorlas. De oorlog werd als produkt vervaardigd, als produkt voorgesteld en als produkt gebr door het personeel van de media dat in zichzelf plotseling een leger van handelsreizigers herkende.

Het merkwaardige was dat niet de beelden van CNN het grootste gehalte aan oorlogsrealisme hadden maar die van de Iraakse televisie, waar van de eerste tot de laatste seconde propaganda de boodschap was. Het gehavende, ontredderde gezicht van Jeffrey Zaun en andere neergeschoten piloten hebben in de eerste oorlogsdagen het Amerikaanse publiek meer aan Vietnam doen denken dan de beelden diede vier volgende weken door de gezamelijke Amerikaanse networks zijn uitgezonden.

Iedere journalist is voor de keuze gesteld zich bij de censuur neer te leggen, wetend dat hij daardoor in ieder geval passief zou meedoen aan de reclame voor het produkt, of met zijn eigen nuance van geestdrift deel te nemen aan de herhaling van datgene wat in de eerste oorlogsdagen aan de openbaarheid werd prijsgegeven. Voor een vrije pers is dat een onmogelijke keuze. Niettemin: men was er, een paar duizend man sterk aan de van de woestijn, en men moest er blijven. Een oorlog kan, hoe dan ook, niet bij afwezigheid van de pers worden gevoerd. Zo is uit de opvatting van de oorlog als produkt het dilemma ontstaan dat op dit ogenblik nog niet is opgelost.

Waarom wil men de beelden van de oorlog zien? Het is ook een ethische vraag. In 1971 werden twee in keurige overhemden gestoken Bihari's, leden van de oppositie in Bangladesh, voor de camera door de gewapende macht aan de bajo geregen. Was dit fotograferen in overeenstemming met de regels van de ethiek die het verkeer tussen de mensen hoort te regelen? Is het geoorloofd een reportage te maken van een meisje dat er zestig uur over doet om te verdrinken in een modderpoel na de uitbarsting van een vulkaan? Wat is het belang van een foto met een hoop vlees en vodden in de woestijn?

De Franse fenomenoloog en filosoof Maurice Merleau-Ponty heeft, ik denk een jaar of twintig geleden,n beschouwing gewijd aan wat we noemen het 'gemengde nieuws', die chaotische verzameling van moord en doodslag, branden en botsingen waarmee iedere dag een deel van de kranten wordt gevuld. Ce gout, est-il malsain? Getuigt het van ongezonde belangstelling als we dat iedere dag weer gaan lezen? Merleau-Ponty was van mening dat dit niet het geval was, omdat het gemengde nieuws per slot van rekening de zuiverste weergave was van het chaotische, de willekeur die in ons dagelijks leven altijd op de loligt.

Het gaat om de vraag of belangstelling op zichzelf gezond of ongezond kan zijn. Daaruit volgt een andere: kunnen gebeurtenissen naar hun gezondheidsgehalte worden gemeten? Ik wil me niet in een moraaltheologische verhandeling begeven, maar volstaan met de constatering dat, mocht dit al zo zijn, de weergave daarvan niet door hun mate van gezondheid kan worden benvloed. Was dat wel zo, dan konden de media zich nog op dit moment opheffen. De gebeurtenissen moeten worden weergven, ongeacht hun eventuele gezondheid en het morele of ethische gehalte van degenen die erbij betrokken zijn. De mensheid is een permanente bron van gemengd nieuws. In die 'rubriek' vindt men de meest getrouwe weerspiegeling van onze chaos. Belangstelling daarvoor onttrekt zich aan de categorieen gezond en ongezond en de voorschriften die men daaraan wil ontlenen. Ik stel een aanvul(ing voor op de Rechten van de Mens: Een ieder heeft het recht zelf het gezondsheidsgehalte van zijn belangstelling voor wat dan ook te bepalen.

Zou het publiceren van oorlogsgruwelen de vrede bevorderen, dan had men kunnen volstaan met een reizende tentoonstelling van Goya's etsen en het materiaal uit het anti-oorlogsmuseum. Het probleem van de mensen is niet dat het aan hun verstand moet worden gebracht wat er vroeger en heel vroeger is gebeurd, maar wat er nog gaat komen, of zou kunnen komen. Het gaat niet om hun geheugen, want dawerkt nog wel een beetje. Het gaat om hun voorstellingsvermogen en vooral om dit vraagstuk: dat ze er niet in slagen hun voorstellingsvermogen bijtijds op hun geheugen aan te sluiten. Maar hoe recenter de beelden, des te groter de kans dat het enigszins lukt.

Autoriteiten en in het bijzonder de autoriteiten die gewapend zijn, hebben belang bij geheimhouding. De pet van het gezag dragend, krijgt bijna iedereen afkeer van de openbaarheid. De autoriteit beslist, de burger weet maar bij benadering waarover, en dee minder naarmate er grotere belangen van hem persoonlijk mee gemoeid zijn.

Daaruit volgt dat de burger de zekerheid van zijn bestaan, behalve aan materiele omstandigheden, ontleent aan de openbaarheid. Om die openbaarheid te bewerkstelligen heeft hij zijn afgezanten, een enkele keer nog in het parlement, en verder is hij aangewezen op de vrije pers. Die laat hem zien wat gisteren is gebeurd. Niet Goya moet het laten zien, niet de historici, maar de journalisten van de otocamera, de televisie en de pen. Zij tonen de burgers wat hun autoriteiten hebben gedaan, goed of slecht, maar recent. Daardoor kunnen de burgers met redelijkheid vermoeden wat ze van deze autoriteiten te verwachten hebben. De bekendheid met gisteren geeft een grotere zekerheid voor morgen.

De Golfoorlog is een militair succes, maar het gaat niet alleen om dit produkt. Het gaat in de media ook om de manier waarop het resultaat is behaald: hoe de fabriek heeft gewt, waar de afvalstoffen van vijftigduizend of honderdduizend Irakezen zijn gebleven. Toen de fabriek in vol bedrijf was, zijn de media er niet toegelaten.

De oorlog is geen produkt. Ook als onze partij erin betrokken raakt, en we hopen dat 'wij' winnen, moet worden voorkomen dat de oorlog als produkt wordt verkocht aan degenen uit wier naam we schrijfmachine of camera hanteren. De oorlog blijft het grootste en meest barbaarse fenomeen uit het gemen nieuws dat we op den duur wereldgeschiedenis gaan noemen. Als gemengd nieuws moet het worden behandeld: in de krant ermee en op de televisie, om te laten zien welke interessante risico's we morgen weer lopen.