De Hoge Raad en de politiek

De magistraat die Bordewijk opvoert in zijn verhalenbundel De Laatste eer (1935) heeft nogal rigide, om niet te zeggen overspannen opvattingen over de offers die hij moet brengen om zijn onafhankelijkheid te bewaken, maar de kern van zijn verhaal gaat ook in een tijd van gedemocratiseerd recht nog op: een rechter kan z buiten zijn werk maar weinig maatschappelijke activiteiten of nevenfuncties veroorloven als hij zijn onpartijdigheid niet in gevaar wil brengen. Jhr. mr. Digitalis (zonder voorletters) is een enigszins zonderlinge rechter die zo bang is de integriteit van zijn ambt te bederven dat hij zelfs het verkeer met zijn vrienden opzegt en ook het huwelijk laat lopen - “minder misschien uit natuurlijke geaardheid dan uit beroepsdunk”.

Bordewijk laat hem boven zijn graf gedenken als de drager van de goede Nederlandse zede volgens welke de magH)stratuur 'zich van het gewoel des dagelijksen levens verre houdt'. Digitalis beperkt zijn omgang met anderen tot zijn eigenlijke ambtgenoten, met uitsluiting zelfs van de vertegenwoordigers van het openbaar ministerie en de balie, onder de motivering dat elk contact buiten die kring een rechter kan besmetten met partijdigheid.

Bordewijks modale magistraat uit de jaren dertig behoort intussen tot de uitgestorven diersoorten, maar in een aantal opzichten is rechter van deze tijd in zijn portret nog wel herkenbaar. Dat geldt misschien wel het meest voor de raadsheren van de Hoge Raad. Die leiden door de aard van hun bezigheden een monnikenbestaan dat functionele maatschappelijke contacten sterk bemoeilijkt, zo niet praktisch onmogelijk maakt. Een rechter in een arrondissementsrechtbank heeft dagelijks contact met de procespartijen en hun advocaten, hoort getuigen en deskundigen en is, als hij ook nog tot het presidium van de rechtbank behoort, verantwoordelijk voor management in de rechtspraak.

Afgezien van de bijzondere gevallen waarin de Hoge Raad als feitenrechter optreedt, ziet een raadsheer in de Hoge Raad nooit procespartijen, spreekt nooit advocaten, hoort nooit getuigen of deskundigen, maar ziet alleen dossiers. In de Hoge Raad leeft hij goeddeels in een papieren wereld. Hij brengt zijn dagen door in zijn studeerkamer, is doorgaans thuis en komt zelden meer dan een keer per week uit zijn isolement om met zijn ambtgenoten in het gebouw vde Hoge Raad over de concept-arresten die hij in de voorgaande dagen heeft geschreven te 'raadkameren'.

Raadsheren (onder welke titel ook de vrouwen in de Hoge Raad worden begrepen) beschouwen die wekelijkse ontsnapping aan het ambtelijke kluizenaarschap veelal als een ontspanning dan wel als een intellectuele verkwikking na hun cellulaire bezigheden. Die bijzondere beperkingen van het sociale bestaan vloeien voort uit de bijzondere taken die de Hoge Raad zijn opgragen om de rechtseenheid te bewaren, de rechtsontwikkeling in goede banen te leiden en toe te zien op de kwaliteit van de rechterlijke arbeid.

Het beoordelen van rechterlijke uitspraken op rechtsschending en vormverzuim vereist een hoge mate van wetenschappelijke ingetogenheid - behoudens andere, even essentiele intellectuele capaciteiten - die juristen van dit niveau zelden weten te verenigen met politiek activisme.

Alleen al op die grond is de behoefte van het CDA-kamerlid Van der Burg m meer inzicht te krijgen in de politieke antecedenten van raadsheren nogal onvruchtbaar. Misschien hebben de vroegere katholieke 'kwaliteitszetels' in de Hoge Raad (compensaties voor de ondervertegenwoordiging van het katholieke volksdeel) ooit de gemoedsrust van Van der Burg verzekerd, maar hoeveel politiek voordeel zal de katholieke politiek, c.q. de KVP van het katholiek zijn van de raadshn Moons en Van der Ven hebben gehad? De heren hebben in de beoordeling van tal van maatschappelijke kwesties ongetwijfeld hun katholieke inzichten laten spreken, maar er zijn geen aanwijzingen dat ze daarbij ook politieke inzichten tot gelding hebben gebracht of zijn opgetreden als de bewakers van het partijprogramma van de KVP - zo ze daar al lid van waren.

Onder de raadsheren van de Hoge Raad komt men in het algemeen geen partijleden tegen, en zeker geen partijleden die als zodanig bekend zijn. Want zoveel is zeker (naar ik van een ntal leden weet en zoals ook de tegenwoordige president S. Royer in deze krant van donderdag verklaarde): de meeste raadsheren kennen elkaars politieke voorkeuren niet of nauwelijks. Raadsheren zijn weliswaar staatsburgers met politieke sympathieen en vooroordelen, maar voor de politiek, dat wil zeggen: voor de organen of de informele circuits van de politieke partijen zijn ze verloren. Van de raadsheren wier politieke voorkeuren (min of meer) bekend is, staat vast dat ze nimmer politiek actief zijn geweest, noch in vroegere functies politieke relaties hebben onderhouden.

Het kenmerkende van de tegenwoordige modale rechter is juist dat hij (of zij) tot de politiek inactieven behoort, nooit op politieke bijeenkomsten verschijnt, noch deelneemt aan verkiezingsactiviteiten of studiewerk van een partij. Dat hangt voor een deel samen met de psychologie van het type jurist dat zich tot de rechterlijke arbeid voelt aangetrokken (en veelal weinig affiniteit heeft met de partijcultuur) en voor een deel et grootste) met de werkoverlast die het rechterschap met zich meebrengt. Dat geldt voor gewone rechtbanken overigens niet minder dan voor de Hoge Raad. Rechters komen, zo klagen ze zonder uitzondering, doorlopend tijd tekort om hun werkachterstand 'voor de vakanties beginnen' in te halen.

Er zijn raadsheren die kans zien hun werk te combineren met het vervullen van nevenfuncties, in charitatieve sferen of de nog meer voor de hand liggende sfeer van gevangeniswezen en reclsering. Een enkeling (witte raaf) vervult een commissariaat (dat meestal uit een eerder bestaan is meeverhuisd). Maar 'politieke commissariaten' komen in het geheel niet voor, hoe groot het aantal nominaal 'christendemocratische' raadsheren ook nu nog mag zijn.

Uit niets blijkt dat er verbindingen bestaan tussen politieke partijen en hun geestverwanten in de Hoge Raad. Integendeel, uit alle wetenschappelijke commentaren op de arresten van de Hoge Raadspreekt een onmiskenbare tevredenheid over de integriteit van de leden van de Hoge Raad, het duidelijkst gedocumenteerd in de solide studie van F. Bruinsma over de Cassatierechtspraak in civiele zaken (dissertatie Utrecht, 1988). Hoeveel raadsheren met CDA-verwantschap Van der Burg ook in de Hoge Raad benoemd zou weten te krijgen, het zou aan de buitenpartijdigheid van de hoogste rechterlijke instantie niets afdoen. De doorsnee-raadsheer van de Hoge Raad blijft een Digitalis.