Bisdom Bagdad; De christenherders en hun slinkende kudde

De naar schatting een miljoen christenen van Irak vormen samen de oudste geloofsgemeenschap van het land. Tijdens de Golfoorlog raakten ze bekneld tussen islamitisch fundamentalisme, Saddam Hussein, hun sympathie voor het Westen en hun liefde voor de geboortegrond. Nu nemen ze, na bijna twintig eeuwen overleven, met duizenden tegelijk de wijk.

Over 'liegen, draaien en aanpassen' als tweede natuur en het benarde roomse leven van Bagdad.

Er luiden geen klokken op zondagochtend, maar in de kapel van de nuntius begint de mis om negen uur. Als er tenminste geen stofstorm is geweest die de hele nacht door de straten van Bagdad heeft geloeid en aan deuren en ramen heeft gerammeld en overal een laag grijs poeder heeft achtergelaten dat bij het eerste licht pas zichtbaar wordt. Dan heeft de gezant van de paus namelijk slecht geslapen en kan het zijn dat hij wat later in zijn kazuifel stapP)Voor de gelovigen is dat geen bezwaar, want in deze kapel telt men die op de vingers van een hand. Ze wonen bovendien allemaal in de nuntiatuur, een villa van rode baksteen met een grijs pannendak in een van de drukste winkelstraten van de stad: zuster Vivian en zuster Jinan, die in het Chaldeeuws de misgezangen zingen, en Yacoub, de chauffeur, dier wat bromt. Slechts bij uitzondering is vandaag een buitenlandse gast tot het gezelschapje toegelaten; deze krijgt tot taak de eerste schriftlezing te verzorgen en doet dat kennelijk naar behoren, want hij mag daarna blijven voor het ontbijt. Er zijn eieren met ham en spek, een christelijke schotel met veel onrein vlees. Daarna brood met pruimenjam, die zuster Vivian zelf heeft gemaakt, en Italiaanse koffie, die nergens anders meer te vinden is in de hoofdstad van Irak. Maar geen sigaren toe, want daar heeft de nuntius een hekel aan.

Monseigneur Marian Olis is sinds drieenhalf jaar ambassadvan het Vaticaan in een van de oudste en meest problematische kerkprovincies van de katholieke kerk. Hij draagt zijn lot blijmoedig en met inzet van al zijn niet geringe talenten. Velen houden hem voor de scherpzinnigste en best genformeerde diplomaat in heel Irak. Maar tegelijkertijd zal hij er niet om rouwen wanneer dit kruis hem wordt afgenomen en hij terug naar Rome mag. In de heilige stad stond hij aan het hoofd van de Congregatie voor de Bisschoppen, wat hem deel van aartsbisschop heeft bezorgd. Glimlachend herinnert hij zich de jaren waarin hem iedere ochtend enige meters telex betreffende de zorgelijke toestand in de kerkprovincie Nederland werden aangereikt. Zelden heeft hij die teksten in hun geheel gelezen; daar was geen beginnen aan en ach, veel problemen lossen zich met de tijd vanzelf wel op. Het waren drieentwintig gelukkige jaren daar in Rome, voor een jongen die zich nergens ooit echt thuis had gevoeld sinds hij in 1945 met ziamilie vanuit Warschau naar Siberie werd gevoerd en die naar school ging in Perzie, India en Engeland voor hij op het Pools Seminarie toegelaten werd. Op de dag dat hij in Bagdad aankwam plantte hij een magnolia uit Rome in de tuin. Het boompje ziet er nog altijd armetierig uit.

Marian Olis is een van de weinige diplomaten die tijdens de oorlog in Irak zijn gebleven. Samen met zijn beste vriend, de ambassadeur van de Sovjet-Unie, heeft hij menige avond op hetlkon staan kijken naar het vuurwerk boven de stad. Met behulp van de radiozender waarover de Russen beschikten rapporteerde hij dagelijks aan de paus. Zijn collega uit Moskou had bevel gekregen om te blijven. Hij mocht weg, maar vond het ongepast om zich als herder in veiligheid te brengen terwijl de kudde aan het oorlogsgeweld was blootgesteld. Bijna iedere dag gaf hij Yacoub daarom opdracht de geel-witte vlag op de limousine te monteren en koers te zetten naar een christelijke wijk of naar een plek buiten de swaar christenen hun toevlucht hadden gezocht. In tegenstelling tot andere buitenlanders kon de nuntius namelijk ongehinderd reizen. Hij denkt dat hij die uitzonderingspositie heeft omdat de autoriteiten weten dat alle informatie hem toch wel bereikt via het netwerk van ongeveer een miljoen christenen dat Irak rijk is.

UITTOCHT

Naar schatting achthonderdduizend van deze christenen zijn Chaldeeers, de rest behoort tot de Armeense, Syrisch-katholieke of rechtstreeks tot de rooms-katholieke kerk dieer de 'latijnse kerk' wordt genoemd. Om geen scheve gezichten te veroorzaken heeft iedere rite haar eigen aartsbisschop. De Chaldeeers hebben er, inclusief een emeritus, zelfs drie. De belangrijkste van dit drietal heet Rafael Bidawid en draagt de titel 'patriarch van Babylon'.

De patriarch was tijdens de oorlog niet in Irak. Monseigneur Olis zucht enrijkt met de hand over het gezicht wanneer hem gevraagd wordt waarom deze herder niet evenveel verantwoordelijkheid voelde voor zijn schapen als de vertegenwoordiger van de paus. De vraag raakt namelijk de kern van zijn grootste ambtsprobleem: weliswaar heeft de Chaldeeuwse kerk zich in 1522 vrijwillig onderworpen aan het gezag van Rome, maar tot op de dag van vandaag koestert zij de eigenzinnigheid en onafhankelijkheid die zij in eeuwen van geografisch isolement verworven heeft. Vooral als het om politiek gaat, pleegt Bidawid zijn eigen plan te trekken. Hij schippert en schuift om de schappelijke positie van zijn gelovigen veilig te stellen en is daarbij naar het oordeel van Rome veel te dicht bij Saddam Hussein en zijn kliek komen te staan. Volgens sommige bronnen in Bagdad is de patriarch zelfs lid van de Ba'ath-partij.

De nuntius zucht ten tweeden male en heft de handen hemelwaarts. Zijn functie verbiedt hem dergelijke verdenkingen van commentaar te voorzien. Maar ontkennen kan hij het verhaal al evenmin. Als hem door Iraakse bischon vragen worden gesteld, weet hij nooit naar wie de antwoorden worden doorgespeeld. En waar blijft de kerk wanneer zij haar eigen mensen al niet meer vertrouwt?

Met de plaatselijke geestelijkheid deelt Rome de zorg om het voortbestaan van de christelijke kerken in het Midden-Oosten. Ze hebben de komst van de islam en de kruistochten overleefd, maar zijn beducht voor het islamitisch fundamentalisme dat hun na bijna twintig eeuwen misschien alsnog de genadeslag toebrengt. Iak is al jaren een uittocht aan de gang van Chaldeeers, die inmiddels hele kolonies in de Verenigde Staten en Canada hebben gesticht. Binnenslands zijn vele christenen weggegaan uit hun dorpen in het noorden, om steun bij elkaar te vinden in het veiliger geachte klimaat van Bagdad. Het is treurig als daarmee een eind komt aan een rijke christelijke traditie, vindt monseigneur Olis. Hij wijst op de reprodukties van schilderingen uit de Sixtijnse kapel, die hij boven de boekenkasten in de hal he gehangen. Het zijn de portretten van Ezekiel, Jonas, Jeremias en Daniel - vier profeten die in Mesopotamie hebben gepreekt. Irak is een Bijbels land.

HOPELOZE UITVINDING

Bezorgdheid om het voortbestaan van de kerk in Irak is volgens de nuntius echter niet de voornaamste reden geweest voor het anti-oorlogsstandpunt dat de paus tijdens de Golfcrisis consequent gehandhaafd heeft. Onder de reprodukties staan in lange rijen de werken van Thomas en Augustinus. Marian Olis heeft moraaltheologie gestudeerd. ''Er bestaan geen rechtvaardige oorlogen'', zegt hij niettemin gedecideerd, daarmee een belangrijke stelling van de laatstgenoemde kerkvader verwerpend. Paus Johannes Paulus schreef in januari, vlak voor het ultimatum aan Irak afliep, aan president Bush dat een oorlog ''behalve lijden en verwoestingen, nieuwe en misschien ergere onrechtvaardigheden'' zou veroorzaken. Hij noemde de Golf-oorlog ''een avontuur zonder weg terug'' en zei kort na het uitbreken van gewelddadigheden: ''Oorlog is geen adequaat middel om de problemen die tussen naties bestaan volledig op te lossen. Dat is het nooit geweest en zal het nooit zijn.''

''Aanvankelijk was ik het niet helemaal met de heilige vader eens'', zegt monseigneur Olis. ''Ik vond het een heel nobel standpunt, maar ook wel een beetje naef. Als je ervan uitgaat dat er kwaad is in de wereld, moet je jezelf niee mogelijkheid ontzeggen om dat kwaad te straffen. Pas tijdens de bombardementen ben ik langzaam van gedachten veranderd. Wanneer je tweeenveertig nachten niet kunt slapen, heb je alle tijd om na te denken. Het huis trilde, de ruiten sprongen en ik kwam tot de conclusie dat deze vorm van geweld niet te rechtvaardigen is. Je kunt immers wel goede redenen hebben om iemand te straffen, maar hoe rechtvaardig je dan de dood van al die anderen die op geen enkele manier voor zijn misdaden aansprakelijk zijn?''

Die rechtvaardiging wordt gevonden in het begrip van de at, waarin naar buiten toe geen onderscheid wordt gemaakt tussen leiders en bevolking, werpt de bezoeker tegen.

''De staat, de staat - dat vind ik een hopeloze uitvinding'', pruttelt de nuntius. ''Alleen omdat een handvol idioten zich van de macht meester heeft gemaakt en het volk door middel van terreur eronder houdt, zou de rest van de wereld hen als een eenheid mogen beschouwen? Dat is wel heel makkelijk gedacht. De zogenaamde geallieerden, en de Verenigde Staten in het bijzonder, zijn in het algemeen nogal selectief en inconsequent in het aanvaarden van hun verantwoordelijkheid. Saddam Hussein is tot op grote hoogte een schepping van de Westerse mogendheden, die hem met geld en wapens hebben gesteund. Daarmee bedreven ze niet alleen internationale politiek, ze mengden zich ook in de binnenlandse aangelegenheden van Irak. Dat mag je daarna niet zomaar wegwuiven.''

De monseigneur vindt dat het Westen oon de directe aanloop naar het Golfconflict merkwaardig heeft gemanoeuvreerd. Met verbazing zag hij de komst van de laatste Amerikaanse diplomatieke vertegenwoordiger. Een vrouw! Zelf kon hij uitstekend met April Glaspie overweg, al noemt hij haar dan 'een onhandig paard'. Het State Department had echter moeten weten dat een groot aantal deuren voor overleg werden dichtgesmeten toen er een vrouwelijke ambassadeur naar Irak werd afvaardigd. ''Arabische mannen kunnen best met vrouwen praten over kinderen of ver koken'', meent de nuntius, ''maar nauwelijks over politiek. Dat vergt een enorme extra inspanning. Saddam Hussein is iemand die zelfs voor Arabische begrippen buitengewoon hecht aan mannelijke trots en mannelijk gedrag. Het kost hem al de grootste moeite om te buigen voor een supermacht als de Verenigde Staten. Maar wanneer die supermacht zich dan ook nog laat vertegenwoordigen door een vrouw, is dat zo goed als onmogelijk. Waarom wilde het Witte Huis daar geen rekening mee houden? Uiheid? Domheid brengt ook verantwoordelijkheden met zich mee!''

Doden zonder sporen

Op nog geen driehonderd meter van de nuntiatuur staat de rune van een van de grootste telefooncentrales van Bagdad. Een imposant puinlandschap met pieken van verwrongen staal, gevolg van een feilloze voltreffer door een Amerikaanse raket. De Poolse prelaat beaamt dat er meer burgers zijn gestorven tijdens de opstanden tegen het eind van de oorlog dan door ver gerichte bommen.

''Toch'', zegt hij, ''hebben de mensen zeer geleden. De psychische schade is bijzonder groot. Mijn kleine kat durft niet meer buitenshuis te eten. Wij doden tegenwoordig zonder sporen achter te laten. En waar is het uiteindelijk goed voor geweest? Mij was in augustus al duidelijk dat het volk van Irak helemaal niet enthousiast was over de annexatie van Koeweit. Tachtig procent van de soldaten is nooi plan geweest om te vechten. Maar het hoort nu eenmaal bij de standaardretoriek van Saddam Hussein om zijn leger voor te stellen als een onoverwinnelijke vechtmachine en niet als de slecht geoefende, ongemotiveerde weermacht van een klein en onbelangrijk land. Het paste in de strategie van de Amerikanen om dat beeld niet aan te tasten: het hielp hen bij het verkrijgen van steun voor hun eigen oorlogsinspanning en het maakte de glorie van de overwinning extra groot. Dat er tienduizenden arme soldaten aan pel ten offer zijn gevallen, maakt niemand iets uit. Ik begrijp dat wel, maar met een rechtvaardige oorlog heeft het allemaal niets te maken. Ik ben er nog steeds van overtuigd dat er een vreedzame oplossing mogelijk was geweest.''

In en om de rune van de telefooncentrale wordt hard gewerkt aan het herstel van de verbindingen, zoals overal in Bagdad het leven in hoog tempo terugkeert naar zijn normale staat. Het lijkt erop dat Saddam Hussein de Golfcrisis gaat overleven. Over de wenselijkheid daarvan mag monseigneur Olis als geaccrediteerd diplomaat geen uitspraken doen, maar na enig peinzen komt hij met iets dat lijkt op een parabel voor de dag. ''Bij stofstormen kan ik niet slapen. Vaak lees ik, meestal lig ik te denken, een enkele keer bekijk ik een videoband. Zo heb ik onlangs Julius Caesar nog eens gezien. Al vanaf de eerste scene is daarin duidelijk dat hij niet zozeer de buitenwereld moet vrezen alswel zijn eigen hoogmoed en zijn eigen vrienden, die niet n dat de persoonlijke ambities van een man het lot bepalen van een hele staat. Ik heb dit stuk van Shakespeare een paar dagen geleden met een hoge Iraakse ambtenaar besproken. Hij keek uit het raam en zei toen: 'merkwaardig, hoe de geschiedenis zich soms herhaalt'.''

DE BESTE IRAKEZEN

Ook de residentie van de patriarch van Babylon biedt uitzicht op verwoeste overheidsgebouwen. Hier, in een sjieke buitenwijk, is het ministerie van luchtvaart waar niet veel meer van over is. Rafael Bidawid verkeert nog steeds in comfortar streken, maar in de persoon van Emanuel Delly, de tweede aartsbisschop, beschikt hij over een kundige vervanger. De eerwaarde schiet snel een paar schoenen aan en knoopt zijn soutane dicht voor het onverwachte bezoek, dat hem verraste tijdens de middagslaap. In de ontvangstzaal van de ruime villa-met-zwembad staan roodpluche zetels rond het gebeeldhouwde troontje, waarop de patriarch tijdens audienties doorgaans zit. Aan de wanden hangen tegenover elkaar twee por(Jetten: een van Saddam Hussein en een van de paus. Wanneer de fotograaf behoedzaam tracht om de bisschop onder het schilderij van de dictator te loodsen, schiet Emanuel Delly als een pijl uit de boog de kamer, de gang en het huis uit. Daglicht lijkt hem beter voor de opname.

''Het is de taak van de kerk om in een goede verstandhouding met het regime te leven'', verzekert hij even later. ''Daar zijn dus al onze inspanningen op gericht. Wij zijn trouw, wij zijn loyaal, wij strevniet naar macht. Christenen zijn de beste Irakezen. De vrouw en de kinderen van Tareq Aziz, de minister, zitten iedere zondag bij mij in de kerk. De paus heeft kennelijk ons belang begrepen, want zijn houding tijdens de Golfoorlog is een grote steun voor ons geweest. De president was daar ook heel gelukkig mee. Het is hem nu duidelijk dat onze kerk geen tegenstander is van de Ba'ath-partij.''

Maar is de Ba'ath-partij ook geen tegenstander van de kerk?

De aartsbisschop heeft wel eens van bedreigingen en razzia'sgehoord, maar zelf nog nooit iets dergelijks gezien. Dat het van oorsprong seculiere regime kort voor het begin van de oorlog de islamitische strijdkreet 'God is groot' op de vlag liet borduren, betekent naar zijn mening dan ook niet dat men van de oorlog een strijd tegen de christenen had willen maken. De kerken en kloosters zijn stuk voor stuk ongemoeid gelaten. ''Natuurlijk zijn er altijd fanatici, maar in het algemeen is men ons goed gezind. Zolang ons niets in de weg worelegd zijn wij de regering dank verschuldigd. Schendingen van de mensenrechten? Daar kunnen wij niet op ingaan, dat is niet ons probleem. Alleen wanneer wij denken dat onze kritiek effect zal hebben, verheffen wij onze stem.''

Pastoor Latif Habash zal een paar dagen later en een paar honderd kilometer zuidelijker, in Basra, hetzelfde zeggen: ook bij hem staat de dialoog met de autoiten voorop. In de vrijwel geheel verwoeste stad is zijn fraaie kerk met de aangrenzende pastorie zo ongeveer het enige gebouw dat niet geplunderd of beschoten is. Wat niet heeft verhinderd dat zijn parochie in nog geen vijf jaar tijds van vierhonderd naar zestig gezinnen geslonken is. Niet erg, zegt de pastoor zalvend, ook moslims zijn bij hem van harte welkom. Alle mensen zijn immers broeders. Geen enkel volk heeft ook deze oorlog gewild; de Amerikanen niet en de Irakezen al evenmin. Wie hem dan heeft veroorzaakt? Dat kan de pastoor niet hardop zeggen, maar de paus heeft ook al in de richting de schuldigen gehint. Na enig aandringen schrijft hij het antwoord op een briefje, dat hij omzichtig over tafel schuift. Er staan drie letters op. C I A.

Aartsbisschop Delly maakt intussen voorzichtig duidelijk dat de gedeeltelijke ontwrichting van de staat misschien nog voordelen voor de katholieke kerk in zich bergt. Hij hoopt dat er iets kan worden gedaan aan de wetten betreffende huwelijk en geloof. Die bepalen nu nog dat gemengde huwelijken verboden z dat een moslim zich niet tot het christendom mag bekeren en dat de bekering van een ouder tot de islam automatisch de overgang meebrengt van alle kinderen tot het nieuwe geloof. Als dat verandert kan misschien een halt worden toegeroepen aan de almaar voortdurende uittocht van christenen uit Irak, die op dit moment de grootste zorg vormt voor het episcopaat.

Naast de traditionele diocesen in Irak, Iran, Syrie, Libanon, Egypte en Turkije zijn er de laatste jaren nieuwe bisdommen gesticht in dVerenigde Staten en Australie. Het gevaar is niet denkbeeldig dat het zwaartepunt van de Chaldeeuwse kerk zich op den duur naar die Westerse landen verplaatst. Dat kan voorkomen worden als de regering haar christenen in de toekomst iets meer vrijheid geeft, zegt Emanuel Delly met een mengeling van hoop en listigheid in zijn stem.

MUZELMANSE DINGEN

Pater Frans ziet dat echter niet gebeuren. Welzeker, moslims hebben een bepaald respect voor godsdienst. Maar dan toch vooral voor muzelmansgodsdienst. En alsristen hebt ge wel religieuze rechten maar geen burgerrechten in dit land. Gij zijt een tweedeklas-Iraki in uw eigen staat.

Pater Frans begrijpt ze daarom wel, de Iraakse christenen die nu het land verlaten waar hij zelf in 1964 vrijwillig kwam. Niet in zijn eentje gelukkig, maar met nog twee kameraden uit het Vlaamse, om precies te zijn uit Beverwaes. Samen met pater Luk en pater Vincent heeft hij in deze plaats nabij Antwerpen in de schoolJH)ken gezeten en ook van de scouting kenden ze elkaar. Nu wonen ze al meer dan vijfentwintig jaar gedrieen in een oud huis aan de Tigris en doceren ze respectievelijk kerkgeschiedenis, exegese en 'oosterse kerkvaders' aan de veertig priesterstudenten van Irak. Het huis is oud en wrak omdat ze als redemptoristen tot armoede zijn verplicht en tijdens de bombardementen zijn de gaten en scheuren in de muren nog groter geworden dan ze al waren. Toch hebben ook zij geen moment aan waan gedacht. De oorlog met Iran was eigenlijk erger, want toen werden de raketten minder goed gericht. En zolang er katholieken in Irak zijn, zijn de paters Frans en Luk en Vincent er om hen bij te staan.

Maar al met al ziet pater Frans de toekomst somber in. ''Wij hebben de toestand voor en na de Ba'ath meegemaakt'', zegt hij. ''Toen wij kwamen liepen alle vrouwen nog in het zwart en droegen de meeste mannen baarden. De wegen waren nog nietsfalteerd, al stonden er wel bomen langs - dat had ook zo zijn voordeel. De Ba'ath heeft de gezondheidszorg en het onderwijs verbeterd. Maar ze hebben ons onze scholen afgenomen. We mogen nog wel godsdienstles geven, maar geen kruis meer ophangen. Ge ziet aan alles dat de hoop om Irak op te bouwen op lekenbasis is verkeken. Men heeft hier gevoeld dat de Ba'ath stillekens in een kooi geraakte en toen gedacht dat islamisering een uitweg was. Daar is men nu mee bezig en daardoor voelen de christenen zich hier steeds minder thuis. Zij willen niet ondde knoet van de islam.

''Lange tijd hadden de christenen weinig rechten, maar in ieder geval wel het recht om rijk te worden. Daarom zijn er veel handelaren onder hen, doch ook artsen, advocaten en andere vakmensen; vroeger hadden de moslimheersers in deze gebieden altijd christenen als secretaris en raadsman in dienst. Als je geen afkomst hebt om trots op te zijn, moet je zien op grond van persoonlijke verdienste iets te bereiken. Dat is steeds moeilijker geen, want er is door de partij steeds meer vrijheid afgeschaft.'' Pater Frans denkt dat ''door te leven in een atmosfeer zonder rechten, de mentaliteit van de christenen is aangetast''. Het ''liegen, draaien en aanpassen'' is een tweede natuur voor hen geworden. Dat velen van hen lid zijn van de Ba'ath-partij zegt hem dan ook niet zoveel. Ook de inmiddels verboden communisten hadden veel aanhang onder de christelijke bevolking. ''Ze zoeken een manier om ontsnappen aan de muzelmanse dingen.''

Met overdreven pogingen van de christenen om zich aan te passen, maakten de Vlaamse paters al kort na hun aankomst kennis. Nadat pater Frans zich het 'Araabs' en het Chaldeeuws of 'Kildani' - wat volgens sommigen de taal is die Christus sprak - eigen had gemaakt, schreef hij een Handboek voor het godsdienstonderwijs. Hij ontdekte dat hij daarin geacht werd hele passages uit het Oude Testament te verdonkeremanen, ''want dat boek is hier zacht gezegd niet verschrikkelijk populair Over de Tien Geboden kon nog wel gesproken worden, als de figuur van Mozes daarbij maar niet ter sprake kwam. Ook koning David deed in Irak aanvankelijk niet mee. Het was niet zozeer de Iraakse censuur die moeilijkheden met deze figuren had, het waren de christelijke priesters zelf die te veel schrik koesterden voor controverses met de overheid. Pas toen hij in een volgende editie David wist binnen te smokkelen en hem omschreef als ''een soort struikrover die met zijn bendeke mensen langs ging om hen geld af te troggelen'' greep de officiele censor in. ''Men vond dat zoiets niet paste voor een profeet. Dat is nu typisch het respect voor godsdienst van de muzelman. Over Mohammed zou je zoiets immers ook niet mogen zeggen.''

BELGISCH VOETBAL

Pater Frans is op grond van wat hij hoort en ziet nog minder optimistisch over de kerk in Irak dan de nuntius en de aartsbisschop. Hij denkt dat er al lang geen miljoen christenen mebinnen de grenzen zijn. Het is misschien nog maar de helft. Hij hoort het in de jeugdgroepen die hij leidt en bij de families die hij bezoekt: er is geen christelijke familie meer in Irak zonder plannen om weg te gaan. En dat kan, sinds half mei de grenzen open zijn gegaan voor wie een visum kan betalen.

Pater Frans en pater Luk en pater Vincent voelen zich soms bijna een beetje vreemd met hun liefde voor dit land en zijn mensen, althans voor de christenen onder hen. Zijuden hier nu juist graag tot hun stervensdag blijven. Ze hebben dan ook niet het minste beetje goesting om terug naar Vlaanderen te gaan. Nostalgie, heimwee - die woorden kennen ze niet. Ze denken nooit aan Belgie. Nu ja, een paar minuten op zondagavond dan. Al in geen vijfentwintig jaar hebben ze Belgisch voetbal gezien, maar wanneer pater Frans na de laatste mis om zes uur thuiskomt, ligt op de huiskamertafel steevast een papier met de uitslagen van die middag klaar. Genoteerd in de keurige hand van pater Luk, die met het oor ade luidspreker naar Radio Brussel heeft geluisterd, en voorzien van de nieuwe ranglijsten. Vorig jaar is Beverwaes gedegradeerd, maar het ziet er naar uit dat de club dit jaar weer in de hoogste klasse komt. Ze hebben elkaar daarover even tevreden toegeknikt, daar in Bagdad. En je kunt zoiets gelukkig ook weer spiritueel verklaren: zolang er leven is, is er blijkbaar hoop.