Beiroet (slot)

Korte inhoud van het voorafgaande: de verslaggever bezoekt, eind jaren zeventig, de troepen in Zuid-Libanon, en de PLO in Beiroet.

Omdat ik vanwege mijn banden met Defensie gescreend was, mocht ik 's nachts verblijven bij de Unifillers, in een oud stenen gebouw, slaapzaal voor officieren. Ik had de vorige nal gemerkt dat het stervenskoud was, niettegenstaande de vele tafelkleden over mijn slaapzak, dus ik had me een Unifil-trainingspak aangeschaft, wat wel iets maar niet echt veel hielp.

Midden in de nacht begonnen de beschietingen. Majoor Haddad, de door Israel betaalde renegaat, beschoot de PLO-stellingen en die trachtten op hun beurt weer de IJzeren Driehoek te treffen, die in het Nederlandse gebied lag, zij het dat er zich geenJH)fillers in dat gebied ophielden.

Tijdens het eerste uitwerkingsvuur keek ik eens om me heen of er geschuild moest worden. Alle officieren die ik zag sliepen of deden alsof. Om niet de lafaard uit te hangen (zij horen die inslagen toch ook?) draaide ik me maar weer eens om, voor zover mogelijk onder het loodzware, iets vochtige dek. Aan het ontbijt hoorde ik er niemand over, dus ik nam aan dat dit soort beschietingen normaal was. Als artillerie-officier wist ik bovendien dat eenvliegende granaat onmogelijk halverwege recht naar beneden valt (zoek op: kogelbaan).

Wat Haddad ook deed was 's nachts op anderhalve meter hoogte door wat afgelegen houten barakken schieten als er nieuwelingen waren aangekomen. Zolang er geen stapelbedden stonden en niemand opstond was er niets aan de hand. Dit soort dingen werd niet aan het thuisfront gemeld om de ouders (en de nieuwelingen) niet onnodig bang te maken.

Er werd nog veel meer niet gemeld, zou ik later mn. Zo raadde men mij sterk af het VN-hoofdkwartier te Naqoera te bezoeken. Oninteressant, zei men. Men zei niet dat de VN enorm verpolitiekt was, dat wil zeggen grote Amerikaanse invloed, en dus Israelische invloed (vergelijk ook de geruisloze doortocht van het Israelische leger tot in Zuid-Libanon) en dus geen kwaad woord over Haddad. Men begrijpt dat ik nu echt naar Naqoera wilde. De enige manier was per helikopter, geleverd door de Italiaanse luchtmacht. In het Coore Hotel ontmoette ik een Zweedse dokter die me uitnodigde het Zweedse legerhospitaal te bezoeken, in Naqoera. Uit een soort beleefdheid bezocht ik 's middags de VN-vertegenwoordiger in Beiroet, die met een Afrikaanse tweede man achter een imposant bureau zat. Mijn chauffeur wachtte op de gang en ik mocht binnen. Ik merkte op dat ik Naqoera ging bezoeken. O ja, vroeg de VN-man vriendelijk, en wanneer en hoe? Met de hepter, zei ik, deze week. Nou, zei de man, dat is niet erg interessant, ik raad u dat sterk af. En tegen de tweede man, in het Arabisch: ''Die denkt zeker dat hij de helikopter in komt - nou mooi niet, daar zorg ik wel voor.'' Dit laatste hoorde ik van de chauffeur die het gesprek via de open deur had kunnen volgen.

Spoorslags reden we naar de heliport, ik boekte onder een Zweedse naam, schermend met het kaartje van de Zweedse dokter en arriveerde 's middags nog in Naqoera, waar ik enkele Nederlandse tolken terugzag die ik in Haddad-land al had gezien, maar die u ineens niet meer groetten. Ook de Nederlandse commandant gaf niet thuis, dus ik wandelde maar naar het hospitaal en dronk wat in de kantine. Daar zette een aardig meisje zich aan mijn tafeltje: of ik wellicht een Nederlandse journalist was. Inderdaad. Wel, ze had wat voor me, als ik even bleef zitten zou ze het halen - en na tien minuten stopte ze me een envelop toe, waarin, naar later bleek, fotokopieen zaten van een lange telex over twee vermoorde Ierse soldaten diest verkracht en daarna gemutileerd waren, afgesneden deel als sigaar in de mond. Dit bericht was onderdrukt vanwege de politieke verhoudingen, maar zij vond dat het bekend moest worden.

Vanaf dat moment begreep ik hoe Vrij Nederland en de Washington Post aan hun geheime informatie komen: het wordt gewoon aangeboden door ontevreden medewerkers. Je krijgt het zo op je bord.

Terug in Beiroet ging ik nog even bij de Nederlandse Marechaussee langs die daar een bureautje had. Een groot bord gaf aat je allemaal NIET moest doen. Niet alleen op stap, niet in de op de kaart aangegeven gebieden komen, niet ongewapend, enzovoort. Ik begon steeds meer in te zien dat ik maar niet te lang moest blijven.

Ik bezocht ook nog een PLO-kamp samen met een PLO-vertegenwoordiger uit Beiroet, en een Fatah-lid met een Kalachnikov en mijn chauffeur. Volle bak dus. In een schooltje kregen achtjarige jongetjes politieke les; ik mocht ze niet fotograferen, ik mocht zelfs mijn eigen taxi nietograferen, laat staan de Fatah-soldaat, die echter niet gehoord had van een wide-angle-lens.

De volgende dag zag ik een PLO-werkplaats waar uniformen gemaakt werden, en waar grote foto's de wanden sierden: martelaars. Achterin zat een oude man van 93 achter een naaimachine. Als hij nou dood gaat, vroeg ik, en ja hoor, ook hij was dan een martelaar. Wat me op al die tochten opviel was het enorme gebrek aan humor en afstandelijkheid, maar misschien zou ik dat zelf ook niet meer op kunnen brengls ik daar geboren en getogen was. In het PLO-ziekenhuis, ergens in kelders, probeerde ik zoveel mogelijk vragen te bedenken aan een filmster-mooie vrouwelijke dokter, die ik gelukkig twee dagen later in een bioscoop ontmoette. Zij was de enige die nog af en toe wilde lachen.

In het Commodore Hotel sprak ik een Franse journalist die me vertelde dat er een prachtig hotel aan de boulevard stond (gevaarlijk gebied, dat wel) waar de kamers heel mooi en heel goedkooren, mits men onderhandelde, dus daar verhuisde ik meteen heen. Vijftig procent korting, zo bleek. Voor een bezoekje aan een casinootje in het christelijke noorden, kreeg ik een enorme christenchauffeur mee, met pistool, die veel rekende daar hij de rit tweemaal moest maken, door voor hem gevaarlijk gebied.

De laatste dag wilde ik nog een Syrische tankcolonne fotograferen (ook verboden) en sprak daartoe een eerste-luitenant aan. Op het moment dat ik hem (plus colonne) op de had, werden we beiden meegenomen door veiligheidsmensen in burger. Een EO-ploeg (die vanaf een balkon had gefilmd) zat al drie dagen vast, dus ik was blij dat ik, als toerist, na twee uur weg mocht. De luitenant niet.

Toen ik de volgende ochtend vroeg afgehaald werd om naar het vliegveld te gaan en wilde afrekenen, bleek niemand iets van de 50 procent te weten. Wie? De frontdesk-manager? Nee, die was in Cyprus. Ik kon hoog of laag springen, maar de 50 procent korting giniet door. Weglopen kon niet: elk hotel had gewapende krachten in de hal staan.

Eenmaal in Holland verbleekte het avontuur snel, hoewel ik me wel beter de frustratie van de Volkskrant-correspondent kon voorstellen die, liggend achter zijn verbrijzelde slaapkamerruit, vijf uur lang een lijn met Holland probeerde te krijgen, en de telefoniste van de krant krijgt, zijn naam roept en dan hoort: ''Nee meneer, die is er niet, die zit geloof ik in het buitenland. Goedenmiddag. Tuut tuut tuut.''