Zij floten een strijkkwartet; Muziek in concentratiekamp Theresienstadt

Theresienstadt, het concentratiekamp dat de Nazi's hadden bestemd voor de Tsjechische Joden, had een rijk cultureel leven. Op muziekavonden werden strijkwartetten en opera's opgevoerd en er gingen zelfs nieuwe stukken van gevangen componisten in premiere. Onlangs verschenen enkele composities uit Theresienstadt op cd. Is het mogelijk om ernaar te luisteren zonder te denken aan de verschrikkingen in het concentratiekamp? ''Klinkt in een vrolijk Vivace toch niet enig cynisme door, is een somber Adagio een wanhoopskreet?''

Chamber Music from Theresienstadt, 1941-1945; werken van Gideon Klein en Viktor Ullmann. (Channel Classics, CCS 1691). De voortreffelijk uitvoeringen zijn van het Hawthorne String Quartet en pianiste Virginia Eskin.

In januari 1944 maakte Bedrich Fritta een serie tekeningen voor zijn zoontje Thomas, ter gelegenheid van zijn derde verjaardag. Het zijn grappige, onschuldige portretjes waarin Fritta zich al tekenend afvraagt wat zijn zoon later zou willen worden: ingenieur, bokser, kunstschilder, hopelijk geen zakenman of generaal - portretjes zoals een talentvolle tekenaar ze voor zijn driejarige zoontje maakt. Maar Fritta was niet zomaar een tekenende vader. Hij zat op dat moment, san met zijn vrouw en zijn zoon, in Theresienstadt, het concentratiekamp dat de Nazi's in Noord-Bohemen hadden ingericht.

Hoe kan iemand onder die omstandigheden zulke vrolijke tekeningen maken? Die vraag komt onwillekeurig bij je op, als je wordt geconfronteerd met deze tastbare herinneringen aan Theresienstadt.

Zoals het oor, bij het horen van de muziek die daar tijdens de oorlog werd geschreven, zoekt naar bewijzen van de verschrikkingen waarmee men dagelijks werd geconH)fronteerd. Klinkt in een vrolijk Vivace niet toch enig cynisme door, is een wild Allegro con fuoco soms een teken van verzet, of een somber Adagio een wanhoopskreet? Maar direct daarna vraag je je af, of je wel zo mag luisteren naar muziek die, ondanks de moeilijke omstandigheden waarin ze ontstond, toch gewoon werd gecomponeerd als een strijkkwartet of een pianosonate.

Misschien is die eerste reactie onontkoombaar. Als ik niets had geweten over de ontstaansgeschiedenis van de muziek van Gideon Klein (1919-1945) en Viktor Uhlmann (1898-1944) op de cd Chamber Music from Theresienstadt, 1941-1945, had ik er vanaf het begin anders naar geluisterd. Nu duurde het even voordat ik besefte dat het mogelijk moet zijn om deze muziek gewoon te beoordelen op muzikale en niet op puur historische gronden. De componisten zouden ongetwijfeld niet anders hebben gewild, daarvan is hun werk juist het bewijs.

AUFBAUKOMMANDO

Theresienstadt, in 1780 door keizer Josef II gesticht als vestingstad in Noord-Bohemen bij de monding van de Elbe, werd in oktober 1941 door de Nazi's aangewezen als concentratiekamp voor de joden uit Tsjechoslowakije . De ligging, in een dal tussen twee rivieren ruim vijftig kilometer ten noorden van Praag, en de aanwezigheid van solatenbarakken en een spoorlijn maakte de stad heel geschikt als Durchgangslager. Het Duitse garnizo dat in Theresienstadt gelegerd was, werd overgeplaatst, de gewone burgers die er woonden, werd geadviseerd te verhuizen en de Tsjechische Joodse Raad kreeg opdracht een Aufbaukommando te formeren om de stad in gereedheid te brengen voor de opvang van de joden. Bij de Joodse Raad heerste aanvankelijk enig optimisme, omdat de Nazi's de indruk wisten te wekken, dat het niet om een echt concentratiekamp zou gaan en omdat er een einde zou komen aan de transporten, waarvan er toen al vijf waren geweest, naar 'werkkampen in het Oosten'.

Vrijwel direct bleek dat de situatie die de Nazi's de Raad hadden voorgespiegeld in niets leek op de trieste werkelijkheid. Terezin, zoals de Tsjechische naam van het stadje luidde, was geen Theresienbad, geen kuuroord voor zieken, geen Reichsaltersheim voor ouderen of een Paradiesghetto, waar de joden ongestoord hun eigen leven konden leiden - termen die de Nazi's ervoor gebruikten. Het zelfbestuur dat aan de Joodse Raad beloofd was, er was een soort ouderenraad iesteld, werd volledig gecontroleerd door de SS en de Gestapo. En de transporten naar het oosten werden binnen korte tijd weer een met regelmaat terugkerende routine. In het stadje, waar tot 1941 nooit meer dan 7000 mensen hadden gewoond, leefden een jaar later ruim 58.000 joden, dagelijks stierven vele tientallen aan ondervoeding, tekort aan schoon water en gebrek aan hygiene en medische zorg. In totaal overleden tussen 1941 en 1945 meer dan 33.000 joden in Theresienstadt. Van de 140.000 die er aankwam voor een deel ook van buiten Tsjechoslowakije, werden er ongeveer 87.000 later doorgestuurd naar Auschwitz en andere kampen, slechts vijf procent daarvan overleefde de oorlog.

Amateurviolist Dat er onder die verschrikkelijke omstandigheden toch nog zoiets als een dagelijks leven bestond in Theresienstadt, is onvoorstelbaar. Maar getuigenissen als van Arnost Weiss, een amateurviolist die de oorlog overleefde, bewijzen het. Hij vertelde dat hij op een dag in de waszaal een fragment floot uit een strijkkwartet van Beethoven. Een oude man naast hem, een zekere Freudenthal, herkende de melodie. Hij bleek violist bij de Berliner Philharmoniker te zijn geweest. Samen floten zij het hele eerste deel van het strijkkwartet, waarbij Weiss steeds van de ene stem naar de andere sprong.

Musici in Theresienstadt zagen, ondanks alles, steeds weer kans om te musiceren, componisten om te componeren en beeldend kunstenaars om in tekeningen het leven vast te legg. In het begin gebeurde dat voornamelijk in het geheim. Instrumenten werden naar binnen gesmokkeld in de persoonlijke bagage. Een cellist bracht zijn instrument, samen met een potje lijm, in onderdelen mee, verstopt tussen de kleren in zijn koffer. In een leegstaande school ontdekte iemand een oude, afgetakelde vleugel, die op een nacht stiekem naar het getto werd gesjouwd.

Toen de Duitsers de illegale activiteiten ontdekten, realiseeen zij zich onmiddellijk het nut ervan. In plaats van het verzet aan te wakkeren door de muziekavonden te verbieden, probeerden zij de gemoederen rustig te houden door ze te sanctioneren. Voortaan mochten er op gezette tijden Kameradschaftsabenden worden gehouden. Het succes was groot en in 1942 gaf de SS toestemming om een speciale organisatie op te zetten, de Freizeitgestaltung, die verantwoordelijk was voor de programmering van culturele avonden. Ledevan de Freizeitgestaltung waren (deels) vrijgesteld van andere werkzaamheden. De organisatie werd op Duits bevel keurig onderverdeeld in departementen als theater, cabaret, muziek (met als subdivisies vocaal, instrumentaal en populair), lezingen, schaken en sport. Alleen politieke, didactische en 'propagandistische' activiteiten waren verboden.

REQUIEM

Vooral de muziekavonden bleken van veel betekenis te zijn. Veel joodse musici, die in het Tsjechische muziekleven voor de Duitse bezetting een belangrijke rol speelden, zetten zicin voor een bloeiende muziekcultuur in Theresienstadt. Ze oefenden fanatiek, desnoods in koude kelders, hongerig en na een dag van hard werken. Repetitietijd op schaarse instrumenten werd zorgvuldig verdeeld en de zalen waar concerten werden gegeven, waren altijd overvol. Karel Ancerl, die rond 1943 in Theresienstadt een compleet strijkorkest had samengesteld (de Duitsers gaven sporadisch toestemming voor het meenemen van muziekinstrumenten), zei na de oorlog: “De macht van muziek is zo groot, dat zij ieder mens met een hart en een open geest in haar ban houdt, en in staat stelt de zwaarste beproevingen te doorstaan.”

De uitvoeringen van orkestmuziek kwamen pas laat op gang. Het begon, bij gebrek aan muziekinstrumenten, met koorzang, geleid door dirigent en pianist Rafael Schachter, die als lid van het Aufbaukommando al sinds 1941 in Theresienstadt leefde. Later werd er ook veel kamermuziek gespeeld. De bas Karel Berman en de mezzo-sopraan dda Grab-Kernmayr, de pianiste Alice Herz-Sommer, de violist Karel Frohlich gaven recitals, alleen of samen met anderen. En uiteindelijk leidde het combineren van al die talenten tot grote produkties, zoals opera's (Die verkaufte Braut van Smetana werd in korte tijd maar liefst 35 keer uitgevoerd) en Verdi's Requiem.

Het bloeiende culturele leven in Theresienstadt bracht de Nazi's op het idee om de buitenwereld te bewijzen dat zij het beste voor hadden met de joden. Vran over hun lot stapelden zich op en hier zagen de Nazi's een kans om te tonen dat het allemaal wel meeviel. Alles werd klaar gemaakt voor een rondleiding van een comite van het Internationale Rode Kruis. De gevels van de barakken werden fris geverfd, het interieur van het ziekenhuis en de kinderbarak opgeknapt.

Er werd een cafe ingericht waar muziek klonk en er werden winkels (waar voor een dag zelfs vers fruit te koop was) en een openlucht-muziektt gebouwd. Het comite van het Rode Kruis, dat op 23 juni 1944 Theresienstadt bezocht, was snel tevreden. Als dat zo eenvoudig ging, konden ze wellicht nog meer munt slaan uit het zojuist opgeknapte kamp, zullen de Nazi's hebben gedacht. Daarom gaven zij Kurt Gerron, een Nederlandse jood die voor de oorlog als filmgerisseur bij de UFA had gewerkt, opdracht een film te maken die als titel zou krijgen Der Fuhrer schenkt den Juden eine Stadt. De film werd gedraaid, maar is tijdens de oorlog niet meer vertoond.

Het bloeiee culturele leven diende de Nazi's bij hun propaganda, maar meer nog diende het de joodse gevangenen van Theresienstadt. Niet als afleiding - dat is een te oppervlakkig woord - maar om het onmenselijke leven dragelijker te maken, om stand te houden in een uitzichtloze situatie. Alleen zo is het te verklaren dat musici in Theresienstadt zulke prachtige concerten hebben kunnen geven en dat componisten zulke schitterende muziek konden schrijven. Voor de tijd dat zij musiceerden of componeerden waren ze vrij en bewezen ze voor zichzelf en voor het publiek dat het niet gelukt was ze klein te krijgen.

Van de concerten is natuurlijk niets tastbaars overgebleven, alleen recensies van Viktor Ullmann, de muziekcriticus van Theresienstadt, en verhalen van overlevenden. Maar de composities bestaan voor een groot deel nog wel. Enige tijd geleden bracht Channel Classics, in samenwerking met de Terezin Chamber Music Foundation, een cd uimet muziek van Gideon Klein en Viktor Ullmann.

Gideon Klein, die naast componist ook een voortreffelijke pianist was, lijkt in zijn muziek de twaalftoonstheorie op een heel eigen manier te hebben verwerkt. Hij zocht naar een combinatie van het muzikale intellectualisme van Schonberg en de op de volksmuziek georienteerde, lyrische stijl van zijn landgenoot Leos Janacek (vooral in de Fuga voostrijkkwartet en het Trio). Zijn Pianosonate behoort tot de beste werken: een prachtige, evenwichtige compositie met een donkere, emotionele, maar nergens sentimentele ondertoon. Over Kleins muzikale ontwikkeling is weinig te vertellen, daarvoor was hij nog te jong. Hij stierf op 25-jarige leeftijd, in januari 1945 in het concentratiekamp Furstengrube.

Viktor Ullmann had voor de oorlog nog les gehad van Schonberg en gewerkt als assistent-dirigent van Zemlinsky. In Theresienstadt kreeg hij daardoor een functie bij de Freizeitgestaltung. Hij was de officiele muziekcriticus en hij organiseer concerten, onder meer in de serie 'Studio fur neue Musik'. Maar de meeste tijd besteedde hij aan het componeren. In Nederland is Ullmann bekend door opvoeringen, in 1978 in Bellevue door de Nederlandse Opera, van Der Kaiser von Atlantis. Ullmann schreef deze opera in Teresienstadt, waar de premiere in het najaar van 1944 zou plaatsvinden. Dat is er door opeenvolgende transporten naar Auschwitz nooit van gekomen. Op de cd staat van hem het Derde strijkkwrtet, een prachtig, introvert stuk dat, net als de muziek van Klein, in een persoonlijke stijl twee muzikale werelden met elkaar probeert te verbinden: die van Bartok en Berg.

Dat de muziek van Ullmann bewaard is gebleven, is te danken aan een somber voorgevoel van de componist zelf. In oktober 1944 werd hij op transport gezet naar Auschwitz. Ondanks mooie woorden van de Nazi's, vertrouwde Ullmann het niet. Hij wilde het stapeltje met composities die hij in Theresienstadt had geschren meenemen, maar besloot ze op het laatste moment achter te laten bij een vriend. Aangekomen in Auschwitz werd Ullmann direct naar de gaskamers gestuurd. Zijn muziek zou ongetwijfeld verloren zijn gegaan.

Over de betekenis van muziek in die bijna onmogelijke situatie schreef Ullmann: “Theresienstadt was en is voor mij de leerschool van de Vorm. Vroeger, toen men niet gestoord werd door de lasten van het materiele leven, omdat ze veilig verborgen lagen achter het comfort, die wonderbaarlijke ver(Jworvenheid van de beschaving, was het eenvoudig om mooie vormen te creeren. Hier, waar - alles wat met de Muze te maken heeft in schril contrast staat met de omgeving, hier is de ware leerschool voor een kunstenaar, als men, in navolging van Schiller, een kunstwerk beschouwt als een poging om het materiele te overwinnen met behulp van de vorm. Waarschijnlijk is dat de ware opdracht van de mens, niet alleen de esthetische mens, maar evenzeer de ethische mens.'