Verliefd op een Jekke; Duitse en Sefardische Joden

A.B. Yehoshua: De Vijf jaargetijden van Molcho. Vert. Rubenhasselt. Uitg. Wereldbibliotheek, 352 blz. Prijs (f) 42,50.

De vrouw van de ambtenaar Molcho uit Haifa is een kankerpatiente die na een langdurig ziekbed overlijdt. Molcho heeft haar tijdens haar ziekte liefdevol en nauwgezet verpleegd en hij blijft nu achter met zijn schoonmoeder, zijn eigen moeder en zijn drie kinderen. Zijn omgeving probeert hem zo snel mogelijk aan iemand anders te koppelen, want de Israelischetschappij is niet erg op alleenstaanden gericht en iedere gezonde man of vrouw wordt geacht snel niet meer alleen te zijn. Maar Molcho ontmoet geen vrouw om wie hij net zoveel geeft als om de overledene. Hij maakt een operareis naar Berlijn met een weduwe met wie hij samen van de cultuur wil gaan genieten, maar zij bezeert zich al tijdens de eerste avond en wil de rest van de tijd in bed blijven. Molcho ziet zichzelf alweer als verzorger.

Een belangrijke plaats in het boek krijgt de tegenstelling tussen de Jekkische, dat wil zeggen Duitse en met veel niet-joodse cultuur en algemene ontwikkeling beladen achtergrond van Molcho's vrouw en schoonmoeder en de Sefardische achtergrond van Molcho zelf. Molcho is een Sefardische, dat wil in Israel zeggen een niet-westerse jood, die net zoals de auteur van het boek uit een familie komt die generaties lang in Jeruzalem gewoond heeft.

In de loop van de vijf jaargetijden na het overlijden van zijn vrouw, slaagt Molcho er nietzich los te maken van de gedachte aan haar. Hij eindigt zijn relaas met: “Er zijn wel andere vrouwen, vrouwen van vlees en bloed, maar je moet echt verliefd worden, anders heeft het geen zin.”

Molcho is niet troosteloos. Hij beleeft iedere seconde na de dood van zijn vrouw zo intens, dat het lijkt of hij op een pathologische manier elk moment wil analyseren om zijn eigen verdriet te begrijpen. Hij neemt alles waar, beredeneert alles en is zich steeds overdreven bewust dij geen Jekke is, maar zijn vrouw en schoonmoeder wel.

De roman begint en eindigt op een van de hellingen van het Carmel gebergte, de plaats waar ook de schrijver woont. Op deze heuvel staat het bejaardenhuis waar Molcho's schoonmoeder en vrouw sterven. Het tehuis is betaald uit de nalatenschap van het Nederlandse bejaardenhuis Beth Joles, het voormalige Nederlands Israelitisch ziekenhuis in Haarlem.

Yehoshua legt het begrip 'Jekke' in verband met dit bejaardentehuis als volgt uit: “Voor wie het maar horen wilde stak hij de loftrompet over het bejaardentehuis, het enige wat hem speet, zei hij met een grapje, was dat het huis alleen voor Duitse immigranten was, ik kan christen worden of moslim, maar tot Jekke zal ik het nooit brengen om ooit tot het tehuis te worden toegelaten.”

Op de meest onverwachte momenten in het verhaal blijft deze tegenstelling doorklinken. Wanneer Molcho op dienstreis naar het Noorden gaat, schrijft Yehoshua: “Als zij hier naast hem gezeted, zou ze zo genoten hebben. Op zulke plekjes werd ze helemaal stil; en verstomde de bijtende kritiek... Maar zo vertelt Molcho, van uitstapjes in de natuur was al jaren geen sprake meer: zijn vrouw was er te moe voor, maar ze was niet te moe om hem terecht te wijzen als hij voorstelde iets leuks te doen, dat was orientaalse naviteit terwijl zij (de intellectuele en politiek bewuste Jekkete) uit de kranten het naderend politieke onheil voorspelde.”

De Vijf jaargetijden van Molcho is een onheillend boek. Het is alsof de dingen zich zo duidelijk en bewust voordoen, dat iedere spontaniteit eraan wordt ontnomen. Het verhaal wordt er bijna onverdraaglijk door.