Ruimtelijke excursie in een wereld van losgeslagen demonen

Holland Festival. Concert door ASKO Ensemble o.l.v. Peter Rundel met Peter Eggenhuizen (klarinet) en Ellen Corver (piano). Werken van Ives, Boulez, Webern, Van Beethoven en Kurtag. Gehoord 20-6 Paradiso Amsterdam.

“Ik kan... niet echt iets vertellen. Meestal heb ik dan hetzelfde gevoel als een kind dat zijn eerste stap zet.” De Hongaarse avantgardist Gyorgy Kurtag overdrijft et, want zijn ...quasi una fantasia... opus 27 nr. uit 1987-1988 begint met heel voorzichtige, langzame stapjes in de piano, bescheiden in een vijfvoudig pianissimo, nauwelijks hoorbaar begeleid met zachte roffels in het slagwerk, om in het eerste deel af te ronden in aarzelende drieklanken van vier mondharmonica's - over kinderen gesproken!

Misschien nog opmerkelijker is de ruimtelijke opstelling van Kurtags ...quasi una fantasia.... Vandaar dat bij het hele concert, gisteravond in Paradiso, in het teken stond van ruimtelijke excursies: bij Charles Ives in From the Steeples and the Mountains voor 32 klokken, trompet en trombone als een dolle openluchtmuziek voor rammelende torenklokken en schreeuwend weerkaatsende bergen en bij Pierre Boulez in Domaines voor klarinet en zes verspreid opgestelde instrumentale groepen als juist typisch beschaafde, uiterst kwetsbare 'binnen'-muziek, het tegengeselde dus van een dolle boel.

Kurtags muziek betreft echter nog meer een binnengebeuren, als een psycho-gram, of, zoals hij het complexe tweede deel zelf aanduidt: Wie ein Traumeswirren: gepassioneerd musiceren in een verstikte stijl. De piano en de pauken staan op het toneel opgesteld en behouden hun leidende functie. In de zaal klinkt een groep van vibrafoon, marimbafoon, Hongaars cimbaal, harp en celesta met nog het nodige slagwerk (vaak in een echofunctie), de strijkers, het hout en het koper zijn zo ver mogelijeg hoog achter de balkons opgesteld.

De eerste twee delen van Kurtags opwindende compositie - overigens verwijzend naar Beethovens pianosonate opus 27 nr. als (in de woorden van Kurtag) een objet vole - zijn nog wel te plaatsen in zijn oeuvre, afgezien van de voor Kurtag ongebruikelijk opgeblazen bezetting. Maar dan worden in het derde deel, een Grave, disperato de meest onheilspellende klappen uitgedeeld: Kurtag is bitter maar zelden verbitterd, zoals hier in ditnauwend mokerende recitatief. Dit is niet meer de wereld van het bange kind, maar van losgeslagen demonen.

Gelukkig komt het tot rust in het slotdeel (Lontano), een muziek die nog even in een dolcissimo opgloeit om als het ware zwart af te bladderen in de pauken die een melodie spelen in precies dezelfde dalende stap waarmee het werk is begonnen.

Uiteraard is het niet mogelijk om zo'n complexe ruimtelijke muziek spatgelijk krijgen, maar dirigent Peter Rundel en de zijnen waren al een heel eind gekomen en er werd geconcentreerd gemusiceerd.

Vergeten was het stoere Ives-verhaal, laat staan het wat te gladjes verlopend Boulez-essay, want Kurtags beklemmend 'stamelen' is zo ongrijpbaar en ontroerend, dat daar bijna alles bij verbleekt. Bijna, want dat gold niet voor Weberns Sechs Orchesterstucke opus zes, eigenlijk ook al zo'n verdichting aan beklemmende emoties. Die werden overigens niet uitgevoerd zoals het programma vermeldde in de versie voor kamerorkest uit 1928, maar in die voor kamermuziekensemble speciaal gezet voor Schonbergs Verein fur Privatauffuhrungen - een veel te ingetogen zetting voor een luidruchtige ruimte als Paradiso.