PvdA voelt niet voor verlaging minimumloon

DEN HAAG, 21 JUNI. De PvdA-fractie in de Tweede Kamer voelt op dit moment niets voor een verlaging van het minimumloon. Daarmee gaat de fractie in tegen partijleider en vice-premier Kok die afgelopen weekeinde noe vraag opwierp of de toenemende individualisering niet moet leiden tot een lager minimumloon voor nieuwkomers op de arbeidsmarkt. Tot dusver was het minimumloon afgestemd op de behoeften van een gezin.

Het kabinet besloot onlangs de suggestie van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) om het minimumloon fors te verlagen nu niet op te volgen. Maar het onderwerp is nog niet van de baan. Veel ministers voelen wel voor een verlaging van het minimumloon, omdat het volgens de WRR laaggeschoolden (waaronder veel allochtonen) makkelijker aan een baan helpt.

In een gisteren uitgebrachte nota keert de PvdA-fractie zich tegen het pleidooi van de WRR. De opstellers van de fractienotitie, de Tweede- Kamerleden Vliegenthart en Van Zijl, wijzen erop dat in de wet het minimumloon staat gedefinieerd “als de minimale tegenprestatie voor geleverde arbeid, ongeacht de leefsituatie”. Ze schrijven dat het minimumloon dus eigenlijk al is verzelfstandigd.

Tijdens een persconferee noemde PvdA-fractievoorzitter Woltgens het effect van een lager minimumloon op de arbeidsdeelname van groepen die nu geen werk kunnen vinden “gering”.

Uit de notitie blijkt dat de PvdA-fractie dan nog twee voorwaarden stelt. Het sociale-zekerheidsstelsel en het belastingstelsel moet voor jongeren volledig verzelfstandigd zijn. Daarnaast moet het minimumloon boven het sociaal minumum van een alleenstaande liggen, omdat anders de prikkel om gaan werken vervalt.

Volgens de opstellers van de notitie is het bevorderlijk voor de arbeidsparticipatie van bij voorbeeld vrouwen als voor de generaties die na 1990 achttien jaar worden alle zogenoemde kostwinnersfaciliteiten in de belastingen en het sociale-zekerheidsstelsel worden afgeschaft. Voor oudere generaties blijft het huidige stelsel gelden, omdat zij zich niet hebben kunnen voorbereiden op de nieuwe situatie waarin iedereen, man of vrouw, geacht wordt in het eigen onderhoud te voorzien.

In het verzelfstandigde stelsel krijgt iedereen individueel recht op een uitkering, ongeacht het inkomen van de partner. Die uitkering zou vijftig procent van het huidige sociale minimum moeten bedragen.

Alleen een alleenstaande krijgt recht op een toeslag van twintig procent, omdat het alleen wonen relatief duurder is. Tegenover het recht op een uitkering staat wel de plicht werk te zoeken.