Portugese romans

Begin twintigste eeuw verklaart Fernando Pessoa zich een voorstander van "onbestemd, subtiel en complex' proza, gespeend van anekdote. Pessoa verandert nog een paar keer zijn definitie van ideale literatuur en verzint en passant een bijbehorend tijdschrift. Ondanks een hang naar mystificatie wil hij het hart in het hoofd houden, zoveel is duidelijk. In 1991 beroept August Willemsen, Pessoa's vertaler, zich in het Cultureel Supplement van 14 juni op diens opmerking over het Portugese provincialisme, dat zou blijken uit de neiging de grote Europese stadscentra na te volgen, maar hij geeft daar vervolgens een wonderlijke draai aan, door zich op basis ervan te kanten tegen "literaire kunstjes', "onleesbaarheid', "pretentieuze literatuurmakerij', "literairderige tics', schrijvers die niet "bezig zijn een verhaal te vertellen'. Allemaal in een stuk, dat de titel "Ben ik te stom voor deze boeken?' draagt een kokette vraag die niet ter zake doet. Willemsen valt uit naar aanleiding van twee zojuist in het Nederlands vertaalde succesvolle Portugese romans waar hij "niks' van "snapt' en waarvan hij vaststelt dat ze niet na te vertellen zijn. Maar wat zegt navertellen over het belang van een boek? Vertel Proust na, vertel Pessoa na, vertel Beckett na: het heeft geen zin. Je kunt beter over hen vertellen, hun werk analyseren. Hoe reactionair Willemsen in dit stuk appelleert aan het gezond verstand van de massa blijkt uit zijn veronderstelling dat in de Portugese literaire wereld de dwang zou bestaan om “in Godsnaam modern te zijn, dat wil zeggen te schrijven volgens de laatste geimporteerde stramienen, zich meer op te stellen als vormvirtuoos dan als een mens die iets te zeggen heeft.” Hij concludeert: “Portugal als een grote Revisor.” Zijn Revisorschrijvers als Kellendonk, Matsier, Kooiman, Thomese, Van der Heijden, Franssens (prozaisten), Van Buuren, Stevens en Meeuse (essayisten), Van Deel, Otten, Kuijpers, Michel, Anker (dichters) onbegrijpelijk voor Willemsen? Dat zou iets duidelijk maken. De Revisor, te jong om oud te zijn en te oud om jong te zijn, zich altijd in stilte hullend, maar wel het enige Nederlandse tijdschrift van de laatste veertig jaar dat voor tumult en discussie heeft gezorgd en bovendien een vruchtbare voedingsbodem voor talent bleek te zijn, wordt sinds het anti-Revisor-pleidooi van kladschrijver Jeroen Brouwers vaak klakkeloos als voorbeeld gekozen door critici die te lui zijn om zich te verdiepen in iets dat "onbestemd, subtiel of complex' is. Wat moet je daarop zeggen? Leve de vorm, leve de vormgekken van alle tijden, en leve de schrijvers die zich niet druk maken om populariteit en gezond verstand!