Mieren en mekkeren

Zouden fractievoorzitters tekstschrijvers hebben? Heeft Woltgens lang nagedacht voor hij zijn coalitiegenoten afgelopen zaterdag beschuldigde van mieren en mekkeren?

Dacht hij bij mieren aan de onschuldige hoopbewoner die krioelt, jeukt en peutert? Of dacht hij aan de veel ergere ziekte mier, waar men wel lues mee aanduidt? Of probeerde hij slechts het oude, maar licht scabreuze mierenneuken te varieren?

Mieren, dat doen mieren. Mekkeren, dat doen schapen en geiten. Hoe moeten wij oneen kruising tussen mier en geit voorstellen? Dat moeten wij niet doen. Woltgens volgde het oerhollandse patroon van piete-peuteren, kletsen en kwebbelen, lallen en leuteren, zeuren en zaniken: twee werkwoorden die ongeveer hetzelfde betekenen, met dezelfde medeklinker beginnen en waarvan de tweede een lettergreepje meer bevat dan de eerste.

Heeft mieren en mekkeren een toekomst? Dat hangt ervan af hoe de mieren e geiten van het CDA dit gaan opvatten.

Als een zware belediging, waarover gezeurd en gezanikt wordt? Als een geuzenwoord (“Inderdaad, mijnheer de voorzitter, een parlementarier moet zo precies zijn als een mier en zo koppig als een geit”)? Of zal de uitdrukking wegzinken in afwachting van iets sterkers?

Grote emoties en scheldverbod maken parlementen tot bronnen van nieuwe verwensingen, in Parijs en Londen. In Den Haag is het gebruik van een volkse uitdrukking al wakkerschuddend. Woltgens heeft twee volkse woorden bekwaam aaneengDH)smeed. Misschien krijgt hij er een plaatsje mee in een toekomstig woordenboek.