Mammoet in de polder; Stoomgemaal De Cruquius benoemd tot wereldwonder

De grootste stoommachine ter wereld staat in Noord-Holland, bij Vijfhuizen. De uquius werd in 1848 in Engeland gebouwd voor het droogmalen van de Haarlemmermeer. Van de American Society of Mechanical Engineers kreeg de machine op 19 juni officieel de status van Landmark, een onderscheiding die slechts acht andere technische wonderen buiten de Verenigde Staten is toegekend. “Leeftijd en doodsoorzaak zijn bij de Cruquius goed vast te stellen, evenals het gewicht; iets lastiger is het met het geslacht.”

Bevers zijn al meer dan een eeuw niet meer inheems in Nederland, maar een paar weken geleden, op een zaterdag, 's morgens om vijf uur, werd er een aangetroffen, kuierend door de straten van de kustplaats Katwijk.

Op foto's verschenen in de provinciale pers kun je het dier zien: bijna zo groot als een beer (nooit geweten dat bevers zo groot waren), maar met een gezicht herinnerend aan een guinese big (of n Simone de Beauvoir), in de armen van een zielsgelukkig kijkende man. Het genoegen is zo te zien ook wederkerig, ze kijkt of ze eindelijk een comfortabele en veilige plek voor bevers heeft ontdekt.

Waar komt Willemien (zoals zij al snel door de Katwijkse burgerij is gedoopt) vandaan? Dat is een groot raadsel. Er zijn een paar jaar geleden in Nederland bevers uitgezet, ingevoerd uit Oost-Duitsland, en de eerste gedachte was natuurlijk dat Willemien uit zo'n kolonie afkomstig was; maar alle uitgezettbevers zijn voorzien van een getatoueerd nummer: Willemien is van neus tot staart door specialisten onderzocht en bleek ongenummerd. Zij is ongeveer twee jaar oud, van het vrouwelijk geslacht, en kennelijk ook niet afkomstig uit een dierentuin of iets dergelijks, want zij eet alleen maar takken, zoals bevers doen in het wild.

De laatste keer dat in Nederland een wilde bever is waargenomen was naar verluidt in het jaar 1848. Dat is ook het jaar waarin de constructie werd aanbesteed van dit bouw, met zijn zonderlinge gotische ramen en de van kantelen voorziene peperbus waarin zich het legendarische stoomgemaal de Cruquius bevindt (genoemd naar de landmeter en waterbouwkundige Nicolaas Samuel Kruik (1678-1754), alias Cruquius).

Ik wil niet zeggen dat tussen deze twee gebeurtenissen een oorzakelijk verband bestaat, het is meer een conjunctie, een ontmoeting tussen een paar losse draden uit de stof waarin de industriele revolutie is verweven met het laschap, het domein van de oorspronkelijke fauna. Het inpolderen van grote waterboezems als de Haarlemmermeer, of meer in het algemeen het temmen van de Nederlandse binnenwateren, zal vanuit beverstandpunt gezien het land er niet bewoonbaarder op hebben gemaakt.

Je kunt het ook nog anders formuleren: eeuwenlang had de bever er in Nederland zonder veel natuurlijke vijanden naar hartelust op los kunnen beveren, maar toen verscheen er in zijn woongebied een nieuw, formi beest, dat hem tenslotte uit zijn natuurlijke element heeft verjaagd: het stoomgemaal.

Aanschouw de Behemoth: het beest spuwt rook als een draak en heeft acht armen, als een spin; die armen kunnen ook bewegen, maar zonder dat het gevaarte van zijn plaats komt; het zit vastgebakken op zijn plaats als een zeeanemoon, maar heeft dan ook geen achtervolging van andere dieren te duchten. Het monster wordt verteerd door een kolossale, gigant dorst: met een enkele beweging van zijn acht armen verzwelgt hij vijftigduizend liter water - “Zie, hij doet de rivier geweld aan, en verhaast zich niet; hij vertrouwt dat hij de Jordaan in zijnen mond zou kunnen intrekken”. (Job 40:18)

FOSSIEL

Het is om verschillende redenen de moeite waard om de ontwikkeling van machines te beschrijven in Darwinistische termen. De analogie tussen het verschijnen van steeds ingewikkelder machines en de evolutie in de dierenwereld is zo meeslepend dat er al menig inzicht, en ook menige drogreden aanontleend. Het feit dat de evolutietheorie is ontstaan in een tijdvak waarin de machine een spectaculaire ontwikkeling doormaakte is ongetwijfeld niet toevallig. Begrippen als natuurlijke selectie, survival of the fittest, mutatie, niche, aanpassing aan het milieu, het ontstaan der soorten en wat dies meer zij zijn allemaal wonderwel op de werktuigbouw toepasbaar; maar de meest weergaloze van die toepassingen bieden wel de begrippen uitgestorven soort en fossiel.(In dat licht gezien is ook de Cruquius een voorbeeld van een uitgestorven dier, een fossiel, en wel een beantwoordend aan de stoutste dromen van een paleontoloog: een fossiel dat nog bijna volkomen intact is, en waarin dus alle geheimen over de wijze waarop de natuur miljoenen jaren geleden te werk ging nog voorhanden zijn.

Niet alleen het gebeente is nog volledig, maar ook het bindweefsel en de belangrijkste organen zijn geconserveerd in de staat waarin zij zich bevonden toen het grote gietijzeren hart ophiet kloppen; welk feit zich voordeed, zoals bekend, op 10 Juni 1933.

Iets vergelijkbaars heeft de Natuur niet dan bij hoge uitzondering te bieden. Een van die hoge uitzonderingen is de mammoet (Mammuthus primigenius), de fossiele olifant uit het begin van het Quartair (ca.

een miljoen jaar geleden), waarvan enkele bijna volledig geconserveerde exemplaren zijn teruggevonden in het ijs van Siberie.

Dat moeten ongelofelijke ontdekkingen zijn geweest, waar ik als kind al over droomde: ik zag mijzelf, dwalend door een onmetelijke ijsvlakte, met sleden en honden a la Captain Scott, en geen ander gezelschap dan een paar Kalmukken - de befaamde 'veeteeltnomaden', bewoners van ronde tenten, bij wie het zogenaamde roofhuwelijk nog in zwang is - en dan, na een moordende tocht, tegen het vallen van de avond, zie ik de grote donkere vorm van een mammoet in het ijs zitten, als een vlieg in barnsteen; een reusachtige behaarde olifant, liend op zijn zij. Het lijkt of hij slaapt. Met hulp van mijn trouwe Kalmukken wordt het dier uit het ijs gehakt en bevroren en wel overgebracht naar een gemproviseerd laboratorium, waar het minutieus wordt ontleed, onderzocht en geprepareerd.

Zo ongeveer moet het in werkelijkheid ook zijn gegaan: het kolossale lichaam van alle kanten gefotografeerd (jammer dat je die foto's nooit ziet); geslacht, leeftijd en doodsoorzaak vastgesteld, organen geprepareerd en hun functie geanalyseerd, maaginhoud onderzocht ( een geval zat zelfs de mond van het dier nog vol gras en bladeren), de luchtwegen, de bloedsomloop, de inrichting van het hart, dat honderdduizenden jaren geleden stil is blijven staan.

Hoe de Russische onderzoekers die dat gedaan hebben heetten ben ik tot mijn spijt vergeten, maar het zou me niet verwonderen als hun namen Verbrugski, Gisolfieff en Deboerovitsj waren. Zoveel is zeker, degenen die het in de polder bewaarde fossiel van de Cruquius op soortgelijke wijze aan een onderzoek hebben onderworpen hadden namen die daar sterk aan doen denken.

Lascaux De analogieen zijn zo frappant dat je het verslag van hun werkzaamheden - zoals in het Status Report July 1989 van de Werkroep 'Stoom in de Cruquius' - niet kunt lezen zonder telkens aan die bevroren Siberische mammoeten herinnerd te worden. Zelfs de tegenwerping dat men tenslotte al beschikte over vrij gedetailleerde kennis van de Cruquius en zelfs over tekeningen gaat nit op; ook over mammoeten was al veel bekend en tekeningen waren er ook: die zijn nog tot op heden te zien in de grotten van Lascaux en Altamira.

Neem de beschrijving van het exploreren van de 'droge kuip', de bodem van het machinegebouw. Zoals U weet rust de machine op een verhevenheid, een soort sokkel, die vijf meter uit de bodem van het machinehuis oprijst. De doorsnede van die sokkel is langwerpig, met het gevolg dat er omheen zich vier halvemaanvormie ruimtes bevinden, twee grotere en twee kleinere: “Een van de grotere wordt ingenomen door het condensorvat, rustend op drie bakstenen verbindingsmuren. De ruimte ertussen schijnt niet toegankelijk te zijn. In 1983 bleken de drie andere ruimtes voornamelijk gevuld te zijn met 'rubbish', zeg maar 'troep', voornamelijk bestaand uit dunne, zwarte, grijsopdrogende modder. Op ongeveer een meter boven polderniveau werd een spuigat in de buitenmuur gevonden. De 'droge kuip' was kennelijk een afval- en watervergaarbageworden, waarin alles tot op spuihoogte baadde in deze (enigszins bijtende) modder. Als gevolg daarvan waren de inspectietunnels geblokkeerd, en zelfs waar zich de toegang tot die tunnels bevond kon niet meer worden vastgesteld.

“In 1985 hebben vrijwilligers emmer voor emmer ongeveer tien kubieke meter modder en rommel verwijderd, en toen kwamen de inspectietunnels aan het licht. Er werden maar weinig vondsten gedaan: een klein elliptisch gietijzer gewicht, dat diende om de afvoerkraan van de evenwichtsbuis gesloten te houden, een wat groter dito gewicht voor een sinds lang niet meer gebruikte hefboom aan het kleppenssysteem van de hydrauliek, een moersleutel, een glazen fles, stukken pakking, schoenen e.d.”

Nu, schoenen zullen in de maaginhoud van die bevroren mammoeten niet zijn gevonden - dat zou nog eens nieuws zijn geweest, om maar te zwijgen van glazen flessen en moersleutels - maar onvwachte vondsten bestonden daar ook, zoals het vermogen dat mammoeten hadden (in tegenstelling tot moderne olifanten) om vet op te slaan in een bult achter hun schedel.

Dat roept dan op zijn beurt weer de Cruquius in de herinnering, want ook die had dat vermogen om vet op te slaan. De meer genoemde Werkgroep besloot te proberen het ballast-ijzer uit de holle zuigers te verwijderen: “Via een mangat in het cylinderdeksel klommen Verbruggen en zijn maten op een goede dag langs een touwladder naar beneden. Ode bovenkant van de zuiger aangekomen - ruim twee meter in doorsnee, dus ruimte genoeg - schroefden de industriele speleologen een deksel los en daar lagen ze: vele blokken ijzer, muurvast aan elkaar geroest. Ze liggen er nog steeds, want hoe ze los moeten is nog niet helemaal duidelijk. Op de lagedrukzuiger was de ruimte iets beperkter, maar ook in deze rondlopende gang van ongeveer zeventig centimeter breed waren een paar deksels te zien. Losdraaien onthulde ijzeren broodjes, ingepakt in stinkend vet. Verbruggen: 'In de begintijd werd er met dierlijk vet gesmeerd. Het vet smolt in de smeerpotten die bovenop het cilinderdeksel staan en bij de neerwaartse slag werd het de cylinder ingezogen. In de loop der jaren is dat door de kieren in de holle zuiger gesijpeld.' Een voor een moesten de spekgladde zware stukken ijzer naar boven worden getransporteerd. 'Een heel vies karweitje, en we zijn nog niet klaar.' ”(uit een vraaggespremet Jan Verbruggen door Warna Oosterbaan, Wetenschapsbijvoegsel NRC Handelsblad 14-3-91).

Het enige waarvoor geen duidelijke analogie is te vinden is dat de Russische onderzoekers van het bevroren vlees van de mammoet biefstukken schijnen te hebben gebakken; maar dat kan misschien weer als een rituele maaltijd worden aangemerkt en als ik me niet vergis staat er voor het gezelschap uit Amerika ook zoiets op het programma, veelbetekenend aangekondigd als 'Cold collation', koud buffet.

ORGANEN

Leeftijd en doodsoorzaak zijn bij de Cruquius goed vast te stellen, evenals het gewicht; iets lastiger is het met het geslacht: is de Cruquius een hij of een zij? Het was geloof ik Queneau die eens gezegd heeft: vreemd dat over Parijs altijd gesproken wordt als een vrouw, met die Eiffeltoren er middenin; nu is ook de Cruquius een toren, maar toch is er bij mij geen twijfel: dat grote fossiel in de toren is vrouwelijk, dat voel je intutief. Maar ik zei al dat het met mammoeten eenudiger is.

Overigens zitten er in en aan zowel fossiele stoommachines als mammoeten ook organen die geen functie (meer) hebben, zoals bij ons de blinde darm. Een voorbeeld is misschien de kwast die de mammoet aan het uiteinde van z'n staart had, de 'terminal tuft', vergelijkbaar met de sierlijke krullen aan de evenwicht- en uitlaathandel van de Cruquius; of de gedisproportioneerde slagtanden (veel groter dan van de olifant), vermoedelijk als verdediggsmiddel ongeveer even nuttig als de kantelen op het machinehuis van de Cruquius, die trouwens ook aan een gebit herinneren.Verdere overeenkomsten kan iedereen zelf wel bedenken: de stoomcilinders als de hartkamers, met de stoom als het bloed; de condensor en de luchtpompen als de longen, etc. Er zijn er nog twee waar ik het wat uitvoeriger over wilde hebben: de slurf en het brein.

Als equivalent van de slurf stel ik voor de zogenaamde hydrauliek; alle olifantachtigen kunnen hun slurf vullen met wat en weer ledigen: op dezelfde manier beschikt de Cruquius over een paar forse verticale buizen gevuld met een waterkolom, waar nadat de de stoom de zuiger in zijn hoogste stand heeft gebracht, het hele werk met ballast en al gedurende enige ogenblikken op rust, waarna met het wegstromen van dit water de daling van de zuiger wordt ingezet. Zoals het bezit van een slurf een unicum is in het Koninkrijk der (gewervelde) Dieren, zo is ook die hydrauliek uniek onder de stoommachines: buitene giganten van de Haarlemmermeer, i.e. de Cruquius en haar verdwenen zusters de Lynden en de Leeghwater, wordt op geen stoommachine ervoor of erna deze inrichting aangetroffen.

Kloswerk Maar nu het brein: dat is verreweg het interessantste orgaan in de Schepping, zowel bij dieren als bij stoommachines; het zal duidelijk zijn welk orgaan ik bedoel: het zogenaamde 'kloswerk', dat wil zeggen het woud van assen, stangen, pallen en hefbomen waarmee de kleppen worden bestuurd,n dat weer door de machine zelf wordt aangedreven; in zekere zin is dat de grootste uitvinding aller tijden: de eerste maal dat het Woord neerdaalde in het IJzer, de eerste maal dat zich een logische cyclus voltrok in een ander medium dan het brein. (Het is waar dat de beweging van stoommachines van het Cornwall type zelden geheel aan dat kloswerk werd overgelaten: er kwam meestal ook een machinist aan te pas; zo hadden sommige Sauriers ook een tweede brein nodig, d zich halverwege de rug bevond).

Zoals Dr Verbrugski in het Museum voor Natuurlijke Historie in Leningrad, dat nu officieel weer Petersburg heet, het brein van de mammoet op sterk water zette, waar het door het publiek kan worden aangegaapt, zo construeerde zijn alter ego in Nederland een model van het kloswerk van de Cruquius, dat hier in dit Museum in een glazen kistje werkend kan worden gezien.

Dat laatste nu is iets waar het Petersburgse brein op sterk water hels niet toe in staat is, en, voor zover de staat van de wetenschap het mogelijk maakt hierover voorspellingen te doen, ook nooit meer toe in staat zal zijn. En daarmee zijn we gekomen aan een fundamenteel onderscheid tussen zelfs de best geconserveerde fossiele mammoet en het fossiel van de Cruquius. In het Museum in Petersburg bevindt zich een opgezet exemplaar van een in het Siberische grondijs gevonden mammoet, 'in de houding waarin het werd aangetroffen' (voorbeeld van een detail dat, eenmaal gelezen, zich voorgoed vastzet in mijn geheugen); maar dat opgezette exemplaar zal nooit meer bewegen. Nooit zal meer bloed stromen door zijn of haar aderen, die er trouwens niet meer zijn; geen reparatie mogelijk, geen herstel in de oorspronkelijke staat, geen Werkgroep 'Bloed in de Mammoet'.

Zoals de Cruquius er nu bijstaat is zij niet te onderscheiden van een opgezet dier, maar in tegenstelling daarmee kan zij weer tot leven worden gewekt. In h geval van Lazarus was dat alles of niets, maar met de Cruquius kan het bovendien nog gradueel. In een eerste stadium kan zij weer bewegend worden gemaakt; dat kan op verschillende manieren worden gedaan, waarbij de zeldzame omstandigheid dat de Cruquius voorzien is van de daarstraks beschreven hydrauliek mogelijkheden biedt die andere fossiele stoommachines ontberen. Het is, om de eerder gebruikte beeldspraak aan te houden, of je een mammoet kon laten bewegen door in zijn slurf te blazen (of juister gezegd dr er water in te pompen).

ZINTUIGEN

Maar dat is alleen nog maar het begin. Er zijn op dit terrein, zo lijkt mij, niet minder dan vier zintuigen in het spel: gezicht, gehoor, gevoel en reuk. Aandrijving, zoals via de hydrauliek, bevredigt er daarvan een, en een tweede gedeeltelijk: gezicht en gehoor; je ziet het gevaarte in beweging en je hoort de mechanische geluiden, waaronder het zo unieke kletteren van de stangen van het kloswerk (het door de Natuur zelf ontwikkelde brein is minderawaaiig).

Maar dat is niet alles, in vergelijking met de geluiden die de grote machines in Kew zo indrukwekkend maken - in een vaste volgorde, steeds weer van voren af aan: een diepe zucht, een stotend geluid, gesis, gekletter als van tegen elkaar klikkende degens, weer gesis, en dat alles vergezeld van een diep, ondergronds stommelen, als van op peilloze diepte instortende gewelven. De stoom zelf maakt dus ook geluid, daar komt dan bij de prikkeling van twee aere zintuigen, door hitte en geur.

En nu is de Cruquius dus verheven tot Landmark van de American Society of Mechanical Engineers - ik herinner er nog even aan welke de andere Landmarks zijn: de grote piramide van Cheops, de Dianatempel te Ephesos, de colossus van Rhodos, de hangende tuinen van Babylon, het Mausoleum te Halicarnassus, het beeld van Zeus te Olympia en de vuurtoren van Alexandrie - een onderscheiding die wij met gepaste trots kunnen aanvaarden, maar ook met beschdenheid: de Cruquius is tenslotte in de eerste plaats een monument van Britse ingeniositeit.

Ons eigen aandeel was ook niet gering, maar het was toch secundair. Onze voornaamste prestatie is eigenlijk dat wij er voor hebben gezorgd dat er van zo'n ongelofelijke machine nog een exemplaar bestaat. De Lynden werd gesloopt, de Leeghwater zelfs opgeblazen met dynamiet. Een opmerkelijke Landmark, de Machine de Marly bij Bougival in Frankrijk, waarvan het oudste gedeelte dateerde uit de td van Lodewijk de Veertiende, en die ik zelf nog in werking heb gezien, is nog kort geleden gesloopt. Het zou niet meer dan de gebruikelijke gang van zaken zijn geweest als er van de Cruquius niets was overgebleven, alleen al het journaalfilmpje van 10 Juni 1933, waarop je het monster nog kunt zien hengelen met haar zeven armen (de Cruquius had zoals bekend een manke poot), zou een waardevol document zijn geweest, een filmopname van een mammoet die nog leefde.

Het hee er wel eens slecht voorgestaan met de Cruquius, maar nu zie ik de toekomst vol vertrouwen tegemoet. Het gaat er om de Tekenen te verstaan. Hier wilde ik U nog eens herinneren aan Willemien, de bever die op mysterieuze wijze is verschenen in Katwijk. Dat is het bewijs dat er weer wonderen gebeuren; er is, dat merk je alleen al aan het weer, een nieuw tijdperk aangebroken. Op klaalichte dag lopen er wilde bevers door Nederlandse kustplaatsen, de oudste waterbouwkundig ingenieurs van de schepping; Amerikanen komen naar ons land om de Cruquius tot Landmark te verheffen - het is duidelijk dat het ogenblik niet ver meer is dat de Cruquius weer zal leven; wuivend met haar oorkonde van de American Society of Mechanical Engineers zullen haar armen in beweging komen; en daarna komt de dag dat haar zuchten, haar warmte en haar geur zullen melden dat er weer levende stoom door haar oude aderen stroomt.

Op 19 juni hield Rudy Kousbroek bovenstaande lezing ter gelegenheid van de benoeming van het Cruquiusgemaal tot Landmark van de American Society of Mechanical Engineers.