Kille afwikkeling

Elke keer dat ik de flauwe bocht naar links in de Doebrovskaja-straat veilig heb doorstaan, haal ik even opgelucht adem: weer geen slachtoffers gemaakt. Als automlist voel je je in Moskou namelijk als een stroper die met groot licht op konijnen jaagt.

Sinds gisteren weet ik hoe dat kan aflopen. Op klaarlichte dag, om twee minuten over half een, valt de klap. Een blauwe vrachtwagen rijdt met volle vaart op een bestelauto. Alsof het een caravan van bordkarton is, zo wordt de laatste uit elkaar gereten. De chauffeur zeilt door de lucht en komt een paar meter verder op straat terecht.

Dood. Binnen anderhalve minuut arrive een politie-agent. Hij loopt even naar het slachtoffer en stelt op veilige afstand (twee meter) de diagnose.

Via zijn mobilofoon vraagt hij assistentie. Die komt binnen elf minuten. Na dertien minuten volgt een motor-met-zijspan. In alle rust pakken de agenten hun opschrijfboekjes en doen ondertussen alsof ze het verkeer regelen. Want de auto's blijven doordenderen. De trolleybus baant zich onderwijl een weg rondom het lijk.

De dode man ligt nog steeds op zijn buik op straat. Een schoen is hij onderweg kwijtgera. Er vormt zich een plasje bloed om zijn hoofd. De dienders gunnen hem geen blik waardig. Er komen steeds meer collega's aanzetten en die moeten hartelijk worden begroet. Een van hen steekt ook maar eens een saffie op.

Na 23 minuten komt de eerste ambulance. Twee mannen in blauwe schorten stappen uit, lopen op het lijk af en keren zich na een eerste blik weer om. Twee minuten daarna komt een tweede busje en iets later nog een derde auto de GGD. Zelfde reactie. Zelfs de pols van de man is nog niet betast.

Maar dan ineens: affectie. Een van de broeders haalt een stuk wit papier uit de ambulance. Hij legt het over de dode heen. Een steen, gedeponeerd op diens rug ter hoogte van de nieren, moet wegwaaien voorkomen.

We zijn 37 minuten verder. Het ambulancepersoneel monstert de inhoud van de verfomfaaide bestelbus. Een lap, iets dat op een tafeltje lijkt, een stoel en tientallen lege doosjes, het kan ze niet echt bekoren. De dode ligt nog steeop de grond. Het afdekpapier begint te schuiven. Twee van de drie ambulances verlaten de plaats van onheil.

Na 59 minuten begint een passant in de lading van de bestelauto te rommelen. Een politieman doet met hem mee. De 73ste minuut sind het ongeval nadert. Er komt een brandweerauto aanrijden. Een van de inzittenden begint een slang uit te rollen waar later wit en bruinig schuim blijkt te komen. Een deel van de straat wordt aldus schoongespoten. rna ze weer heengaan.

We tellen de 104de minuut. Het lijk ligt er nog steeds. Behalve de broeder met het papier en de steen, heeft niemand er zich nog over ontfermd. Maar dan, dan is de tijd kennelijk rijp voor enige actie. In minuut 107 komt er een bruine canvas-brancard te voorschijn. De dode man wordt er op gesleurd. Zijn linkerarm bengelt over de rand. Het stoffelijk overschot verdwijnt aldus in de ambulance.

Zes minuten later gaat de politie er toe over om de straat op te meten. Na een halve minuut is men daarmee aler klaar. De chauffeur van de tweede vrachtwagen, die het ongeluk heeft veroorzaakt, wordt uitgenodigd in een Lada van de technische recherche. Hij moet er thans wat systematischer enkele vragen beantwoorden. Er gebeurt vervolgens twee uur en tien minuten helemaal niets.

Tot het derde uur en de 27ste minuut na de aanrijding is verstreken. De ambulance met het lijk verlaat plots het toneel. De technische opsporingsbeambten volgen een minuut later. Een kraanwagen draade hoek om en begint de boel op te ruimen.

Vier uur en 38 minuten na de eerste klap: iedereen is nu echt vertrokken. Alleen de inventaris van de aangereden auto ligt nog op straat. Het publiek kan eindelijk ongestoord de overblijfselen nader onderzoeken.

Rest alleen nog deze vraag: waarom hebben mensen, die een dodelijk ongeluk op deze manier kunnen aanpakken of aanzien, het bij het eerste winterse weer meteen ('pff, pff, pff' dan wel 'oj, oj, oj') koud?