Ik wil iedereen koudwaterbaden voorschrijven; GESPREK MET DE OOSTENRIJKSE JOEGOSLAAF MILO DOR

Toen een grote groep Oostenrijkse schrijvers zich in 1988 uitsprak tegen de verkiezing van Kurt Waldheim als bondspresident, was dat de eerste politieke schrijversactie sinds vijftig jaar. Het laatste gemeenschappelijke optreden was in 1938, toen de schrijvers Hitler begroetten bij de Anschluss. Redacteur van het boek waarin het schrijversprotest in 1988 werd verwoorwas de van oorsprong Joegoslavische schrijver Milo Dor. Binnenkort verschijnt van hem Schriftsteller und Potentate, een bundel opstellen over politiek. “Niemand hier voelt zich medeverantwoordelijkheid voor de misdaden van de wereldgeschiedenis.”

Wie is de Oostenrijkse schrijver Milo Dor?

Een burger, die het egosme van burgers veracht. Een sociaal-democraat, die vaak geen solidariteit voelt.

Een Servier, met het orthodoxe geloof en het nationalisme niets kan beginnen.

Een Oostenrijker, die tegen het loden-jassen-patriottisme is. Een Europeaan, die al die regionale belangenbehartiging betreurt.

Een aanhanger van de Verlichting, die niet meer gelooft in de overwinning van de rede.

Kortom, een vat vol tegenstrijdigheden, die uiteindelijk rebellie als de enig mogelijke levensvorm ziet en Camus' werk jarenlang als zijn bijbel beschouwd heeft.

Milo Dor werd als Milutin Doroslovac in 1923 in Boedapest geboren, als zoon van een uit goslavie afkomstige arts. Hij groeide op in Joegoslavie, ging naar het gymnasium in Belgrado, waar hij in 1941 eindexamen deed. Onmiddellijk daarna ging hij in het communistische verzet tegen de nazibezetter.

In 1943 moest hij als dwangarbeider naar Wenen, waar hij in 1944 weer werd gevangen genomen. Na de oorlog ging hij niet terug naar het land van Tito, maar bleef hij in Wenen en begon in het Duits te schrijven.

Zijn in 1952 in West-Duitsland verschenen roman Tote auf Urlabeschrijft de belevenissen van Mladen Raikow, die opmerkelijk veel trekken met Dor gemeen heeft. Dit is niet te verwonderen, want Dor's autobiografie (schetsen daarvoor publiceerde hij onder de titel: Auf dem falschen Dampfer) lijkt veel op het leven van een romanfiguur.

Tote auf Urlaub werd overigens later het middendeel van een trilogie, die in 1980 verscheen onder de titel Die Raikow Saga (deel 1 en 3 heetten, toen ze in 1959 en 1969 uitkwamen: Nichts alrinnerung en Die weisse Stadt).

Dor woont al 48 jaar in Wenen maar is vaak op reis. Hij was jarenlang gedwongen veel in de Duitse Bondsrepubliek te vertoeven, omdat zijn werk alleen daar gelezen werd en er dus daar voor hem iets te verdienen viel met radiowerk en journalistiek.

Zijn entree in Duitse literaire kringen maakte hij, nadat hij via Erich Kastner en Walter Kolbenhoff bevriend was geraakt met Hans Werner Richter. Richter organiseerde vanaf 1947 jaarlijkse bijeenkomsten van schrijvers en uitgevers, van wie hij ht dat ze een nieuwe Duitstalige literatuur zouden kunnen scheppen. Een nieuwe literatuur, die niet zou lonken naar het tot stalinisme gedegenereerde utopisme van de communisten aan de ene kant, maar ook niet zou capituleren voor de ongebreidelde consumptie-ideologie van de Amerikaanse bezettingsmacht.

Via deze Gruppe 47 leerde Milo niet alleen Heinrich Boll, Gunter Grass en veel andere latere groten der Duitse literatuur kennen (plus het enige Nederlandse lid van droep: Adriaan Morrien), maar ook de twee begaafde Oostenrijkse dichteressen en schrijfsters Ingeborg Bachmann en Ilse Aichinger.

In deze jaren, '50 en '60, raakte hij in de Bondsrepubliek thuis en begon het land te waarderen. Met afschuw volgde hij later de moorddadige aanslagen van de Rote Armee Fraktion op de grondvesten van deze meest vrije staat op Duits grondgebied in de tragische geschiedenis van Europa. Zeker vergeleken bij Oostenrijk is er een politieke rijpheid in Duitslandaar ik bewondering voor heb, zegt hij nu.

Zelfs deed hij ooit een poging om naar Duitsland te verhuizen. Maar lang duurde die niet. Min of meer meteen na aankomst in Munchen maakte hij rechtsomkeert en ging terug naar Wenen. Waarom? in zijn boekje Meine Reisen nach Wien und andere Verwirrungen probeert hij dit duidelijk te maken. In Wenen worden gewichtigdoeners geen ogenblik au serieux genomen, zoals in Parijs, Berlijn en Belgrado, schrijft hij.

Dat bevalt hem. En ondanks de ergerlijke aspecten daarvan bevalt hem ook het onmiskenbare Weense talent om onaangename dingen te negeren.

Daarom valt er goed in die stad te leven, vindt hij. Tenslotte: over Venetie zegt Milo Dor in zijn mooie reisboek: Auf der Suche nach der grosseren Heimat dat hij er graag is omdat de stad wel het produkt is van rijkdom en macht, maar daarvan nu niets meer bezit.

Hetzelfde is waar voor Wenen. “Ik leef graag binnen muren, die ter ere van niet behaalde overwinningewerden gebouwd”, zegt hij.

U wordt nogal eens een 'Symbool van Midden-Europa' genoemd. Voelt u zich zo?

“Ik heb dat altijd onzin gevonden. Wat is Midden-Europa? Ik weet het niet. Een soort saamhorigheidsgevoel in dit deel van de wereld misschien. Het is waar. Ik voel me thuis in Belgrado, Triest, Praag, Wenen, Boedapest. Maar ik voel me ook thuis in Parijs en Amsterdam.

“Midden-Europa bestond ooit door de joden. Zij hebben het uitgevonden en gemaakt door hun rol als culturele kruisbesturs. Joodse zakenlieden, intellectuelen, kunstenaars zorgden ervoor dat er een cultureel klimaat was van Bulgarije, waar Canetti vandaan kwam, en Roemenie, het geboorteland van Paul Celan, tot het Praag van Franz Kafka en Max Brod. De joodse schrijvers zorgden er ook voor dat de literatuur uit al die landen in het Duits vertaald werd en gemeengoed werd. Brod vertaalde Schwejk bij voorbeeld en de grote Russen werden hier in het Duits vertaald. Want dat was het tweede element natuurlijkuits was de lingua franca van Midden-Europa.

“Nu zijn de joden weg en Duits als verbindende taal is verdwenen. Kort geleden kreeg ik een uitnodiging voor een conferentie over Centraal-Europa met deelnemers uit o.a. Joegoslavie, Roemenie, Hongarije, Oostenrijk, Tsjechoslowakije, Polen. De uitnodiging was in het Engels gesteld en de conferentietaal was ook Engels. Ik ben niet gegaan. Ik wil niet over Midden-Europa discussieren in het Engels, want dat spreek ik te slecht. Als het nou nog Frans geweest was. Dat heen we vroeger allemaal nog geleerd.

“Dat het Duits geen lingua franca meer is hebben de Russen op hun geweten. Iedereen in Oost-Europa moest na 1945 Russisch als buitenlandse taal op school leren en dat wilde niemand zodat Russisch geen verbindende taal is geworden. Met het Duits is het belangrijkste bindende element in Centraal-Europa verdwenen.

“Maar er is nog wel iets over dat typisch Midden-Europees is. Binnen het ons allemaal verbindende ese besef van de eenheid van onze cultuur bestaat er zo iets als een Middeneuropese openheid naar alle kanten.

De nieuwsgierigheid van mensen, die in relatief kleine tussenculturen leven. Trouwens ook de Duitsers zijn veel nieuwsgieriger dan Engelsen en Fransen. De kleine culturen van Centraal Europa hebben met hun doorgeeffunctie een heleboel aan het ontstaan van een Europese cultuur bijgedragen.

“Veertig jaar lang heeft de deling van Europa de openheid geblokkeerdDie is nu gelukkig terug. Nu kan weer worden teruggegrepen op wat vroeger in de Middeneuropese landen normaal was: een zekere eenheid van stijl in allerlei dingen. Zoals in de architectuur. In de negentiende eeuw had je bij voorbeeld de architecten Fellner en Helmer, die overal in kaiserliche en konigliche monarchie de theaters bouwden. Van Triest tot Praag enzovoort. En ook vaak in de Kurorte.

Als je vroeger ergens in Midden-Europa naar het theater ging voelde je je meteen thuis. Jugendstil je ook overal.''

Van jongsaf aan heeft u zich actief met politiek beziggehouden. In 1988 was u redacteur van een Waldheim-boek, waarin bijna alle belangrijke Oostenrijkse auteurs zich uitspraken tegen de bondspresident. Uw romans tussen 1950 en 1970 hadden ook politieke thema's. Ziet u zich als een primair politieke schrijver?

“Helemaal niet. Al geef ik toe dat ik altijd gefascineerd ben geweest door de relatie individu-macht. En dat Waldheim-boek, dat je hier overigens alleen half onder de toonbank kangen, moest gemaakt worden!

Beseft u dat dit de eerste keer was dat Oostenrijkse schrijvers zich samen politiek manifesteerden sinds 1938? In dat jaar gebeurde het ook en het was om Hitler welkom te heten bij de Anschluss. Binnenkort komt er een bundel opstellen van mij uit Schriftsteller und Potentate, waarin ongeveer alles staat wat ik sinds 1948 heb geschreven over dit thema.''

Over de Oostenrijkse schizofrenie, zoals u dat wel eens genoemd hebt? “Precies. Daarvoor is Waldheim typerend. Hij heeft zijn oorlogsrol als Duitse officier steeds verdedigd met de bewering dat hij alleen maar zijn plicht had gedaan. Plicht? Als burger van Oostenrijk, dat volgens de Moscow Declaration van de geallieerden in november 1943 als eerste 'slachtoffer van de nazi's' moest worden gezien, was het zijn plicht geweest zich te verzetten tegen de Duitsers, in plaats van in Duits uniform in Hitlers oorlog te gaan vechten.

“Daarin ligt de Oostenrijkse schizofrenie: als zogenaamd eerste slachtoffer heeft het Oostenrijkse volk na 1945 zijn handen in onschuld gewassen. Maar tevoren had iedereen 'zijn plicht' gedaan door niet tegen, maar met de nazi's ten strijde te trekken. Dat kan natuurlijk niet. De Moscow Declaration ging er trouwens van uit dat Oostenrijk ook een bijdrage aan de geallieerde inspanning tegen de Duitsers zou moeten leveren. Dat is ook gebeurd. Tussen de 50 en 60.000 Oostenrijkers, wel voornamelijk joodse, hebben aan geallieerde kant meegevochten. Maar na 1945 werden zij niet erkend en telden hun jaren in geallieerde dienst als dienstjaren niet mee, terwijl iedereen die aan Duitse kant had gevochten keurig pensioen kreeg over die jaren. Aan de andere kant werd aan de joden weer geen Wiedergutmachung betaald omdat Oostenrijk zei: 'Het waren de Duitsers, die de Holocaust op hun geweten hebben'.

“Dit is allemaal nooit rechtgezet. Later was het voor de politieke partijen in Oostenrijk veel te belangrijk die 300.00t 400.000 stemmen van ex-nazi-militairen te vangen om het verleden echt om te woelen.

Ook de joodse bondskanselier Kreisky heeft dat niet gedaan. Daarom moest dit alles in 1988 het 50ste herdenkingsjaar van de Anschluss, door ons schrijvers opgerakeld en beschreven worden. Sindsdien hebben een aantal jongere schrijvers en historici over deze thema's gelukkig van allerlei gepubliceerd. Door hen is er weer eens aan herinnerd dat hier in Oostenrijk echte gruwelijke moordenaars uit de nazi-tijd zijn vrijgesproken t zij zich erop beriepen alleen maar bevelen te hebben uitgevoerd! Ongelooflijk! Maar ik wind me op en dat zou ik niet moeten doen.''

Toch hebt u in uw werk een groot aantal liefdesverklaringen aan Wenen afgelegd, schrijft u in het Duits en hebt u altijd vastgehouden aan wonen in Oostenrijk, terwijl uw werk veel meer respons in Duitsland kreeg. Kunt u dat uitleggen?

“Omdat Oostenrijk en Wenen geen macht hebben. De nederlaag ligt achter ons. Het is allemaal voorbij. Daaroelt hier niemand medeverantwoordelijkheid of medeschuld aan de misdaden van de wereldgeschiedenis. Aan de ene kant is dat prachtig, aan de andere natuurlijk ergerlijk. Er is hier eigenlijk nooit een tegenstander. Als je tegen de nazi's raast zegt hier iedereen: 'Tegen wie zeg je dat? Ik heb ook vreselijk onder ze geleden'.

“Ik was niet voor niets in de jaren vijftig en zestig steeds in Duitsland. Daar sloegen mijn romans, die zich met het naziverleden bezighouden, meer aan. Op de jaarlijkse bijeenkomsten van de Gruppe 47 van mijn vriend Hans Werner Richter, waarvoor ik sinds 1951 steeds werd uitgenodigd, ontmoette ik schrijvers, die probeerde het nazi-verleden te verwerken en verder te gaan. In Oostenrijk gebeurde dat niet. Mijn boeken werden er wel goed besproken, al had men wat moeite met het hardste boek over nazi-gruwelen Tod auf Urlaub. Maar een debat over Oostenrijk in het Derde Rijk kwam niet op gang.

Die Weisse Stadt, het derde deel van uw trilogie Die Raikow Saga, speelt in Wenen. Het is een van de weinige romans sinds de oorlog die de grote stad als decor hebben. Wat dit betreft bent u nogal een uitzondering in de nieuwe Oostenrijkse literatuur, die bijna helemaal in de provincie speelt en door schrijvers uit de provincie wordt beheerst.

“Dat is zo, maar het betekent niet dat ik tenslotte niet toch in Oostenrijk met allerlei eerbewijzen ben overladen. In de jaren zeventig kreeg ik prijzen en onderscheidingen. Een sooegrafenis 3e klasse.”

Is de vrijmetselarij voor u belangrijk geweest bij het hier overleven? “Zeer belangrijk! De vrijmetselarij heeft in Oostenrijk een interessant verleden. Zij is begonnen onder keizer Josef II in de jaren tachtig van de achttiende eeuw. Mozart, Haydn, veel mensen uit de wetenschap waren lid. Door keizer Karl werd zij alleen tien jaar later weer verboden. De hele negentiende eeuw gold een verbod voor de vrijmetselarij in Oostenrijk. In 1918 werj pas heropgericht en daarna in 1945 nog een keer.

“Er zijn in ons land maar ruim 1500 leden, maar die vormen een kern van liberalisme en tolerantie. In de loges hebben zij geleerd openlijk en zonder angst voor publiciteit te discussieren en zij hebben dan ook veel bijgedragen aan de liberalisering van Oostenrijk in de jaren '70.

Heel wat kunstenaars en schrijvers en wetenschapsbeoefenaars zijn lid, ook veel jongere. Ik ben in de vrijmetselarij binnengeht door de schrijver Jorg Mauthe. De vrijmetselarij heeft mij sindsdien zo geboeid dat mijn roman Alle meine Bruder in dat milieu speelt en bovendien in Holland.''

U komt uit een Servische familie en u hebt een huis in Joegoslavie. Ziet u dat land wegzinken in chaos en burgeroorlog of bent u nog optimistisch over de toekomst?

“Ik denkt dat het pragmatisme in Joegoslavie zal zegevieren onder druk van de Amerikanen en de Europese Gemeenschap. Er zal toch wel een confederatie uit de bus komen. Slovenie zou dom zijn alst zich echt zou afscheiden. Op eigen benen kan dat landje toch niet overleven.

“Maar de sfeer in Joegoslavie is wel treurig. De kranten gaan tekeer tegen de andere volkeren als tegen 'minderwaardige rassen'. Ze doen niet onder voor het nazi-schendblad Der Sturmer. Je zou iedereen in dat land koud-waterbaden willen voorschrijven. En de politici moeten absoluut op hun schreden terugkeren. Al dat gepraat over etnische eenheden is toch onzin in een land van vermenging en elkaar heen wonen.

“Als je die massahysterie ziet dan moet je wel denken: wat is er toch met de mens aan de hand? Hebben wij een hersendefect of zo? Hoe is het mogelijk dat keurige familievaders als onderdeel van een massa agressief en moorddadig worden? Waarom is de massamens zo anders dan het individu? Elias Canetti en Hermann Broch hebben zich eindeloos verdiept in massabewegingen en zij hebben veel materiaal verzameld en verschijnselen beschreven. Maar zzijn er niet uitgekomen. En Freud ook niet. Je kunt maar tot een conclusie komen: de mens is een verkeerde constructie.”

Van Milo Dor zijn onder meer de volgende titels leverbaar: Auf dem falschen Dampfer. Fragmente einer Autobiographie. 1988. Uitg. Paul Zsolnay Verlag. Prijs (f) 47,60. Alle meine Bruder (1981), herdrukt bij Ullstein in 1988. Auf der Suche nach der grosseren Heimat, 1988.

Der Mann der fliegen konnte, 1990. Meine Reisen nach Wien, 1990, uitg. dtv. Die Schusse von Sarajewo. Roman. 1989, uitg. dtv. De essaybundel Schriftsteller und Potentate verschijnt binnenkort.