'Hoog risico bij invoeren basisvorming'

ROTTERDAM, 21 JUNI. Invoering van de basisvorming wordt “een forse klus met een hoge risicofactor”. Het succes ervan zal in belangrijke mate afhangen van de motivatie onder leraren, die bij de invoering zo concreet mogelijk moeten worden bijgestaan. “We hopen dat zo de gelatenheid bij veel leraren omslaat in ten minste enig enthousiasme.”

Dat zegt de Tilburgse socioloog prof. dr. R. de Moor, voorzitter van het door staatssecretaris Wallage (onderwijs) ingestelde 'Projectmanagement basisvorming'. Dat is verantwoordelijk ve invoering van de basisvorming en houdt al zo'n drie maanden kantoor in Almere.

Sinds 1 april is De Moor een dag per week bezig met de voorbereiding van de klus, zodat de scholen vanaf het moment dat het parlement met het wetsvoorstel instemt (De Moor: “Het wordt basisvorming of kabinetscrisis”) kunnen worden geholpen bij de invoering. De 63-jarige De Moor heeft er sinds kort de tijd voor: gisteren stapte hij op bij de Tilburgse Universiteit, waar hij de afgelopen acht jaar rr magnificus was. In de laatste drie decennia was hij ook regelmatig direct betrokken bij de vele veranderingen in het onderwijs. Hij leidde de discussies in de jaren zeventig over de ontwikkeling van het hoger onderwijs en tilde later als voorzitter van het stichtingsbestuur de Open Universiteit van de grond.

Ervaringen in die periode dragen zeker bij tot zijn lichte scepsis over de basisvorming, waarvan hij een 'gematigd voorstander' is. De Moor heeft in zijn lange staat van dienst geleerd “geen wondereverwachten van onderwijshervormingen”. Maar, zegt hij, “er moet iets gebeuren om de verdere verspilling van talent tegen te gaan, want dat kunnen we ons als samenleving niet veroorloven. We weten dat veel kinderen uit de 'lagere' sociale milieus naar een schooltype in het voortgezet onderwijs worden verwezen dat onder hun intellectueel niveau ligt.”

Of het met de basisvorming lukt de keuze van de 'leerwegen' inderdaad langer 'open te houden' moet volgens De Mog blijken. “Ook na de invoering van de basisvorming zullen kinderen nog regelmatig naar een 'verkeerde' school worden verwezen. Of dat wordt gecorrigeerd zal afhangen van de mate waarin de leerlingen weer van die 'verkeerde'

naar een 'goede' school kunnen doorstromen. Naarmate het tijdsverschil waarin de basisvorming wordt gegeven tussen de scholen groter wordt - ze mogen er twee of drie jaar over doen - en het schooltype er al in de eerstren meer zijn stempel op drukt, zal de doorstroming moeilijker worden, verwacht De Moor. “Het gaat er uiteindelijk om of we twee uitgangspunten in voldoende evenwicht kunnen brengen: Het openhouden van de keuzemogelijkheden en dat tegelijk zo doen dat kinderen niet worden gehinderd bij het ontplooien van hun capaciteiten.”

Ook in de rest van het onderwijs moet volgens De Moor overigens nog het nodige gebeuren. In zijn afscheidcollege gisteren herinnerde ij de universiteiten er nog eens aan dat hun 'primaire' taak het geven van onderwijs is. “Dat lijkt wel eens te worden vergeten”, vindt de oud-rector, die signaleert dat veel medewerkers wel erg gemakkelijk kunnen 'wegvluchten' in het doen van onderzoek. “Als je naar het buitenland kijkt moet je constateren dat de onderwijstaak in Nederland betrekkelijk licht is”, meent De Moor.

De nieuwe 'projectmanager basisvorming' is voorts hartstochtelijk voorstander van meer samenwerking in het hoger onderwijs. Hij plvoor clusters van universiteiten per regio of zelfs, liever nog, regionale federatieve verbanden voor universiteiten en hogescholen. Een voorstel in die trant om het Brabantse hoger onderwijs te bundelen werd twee jaar geleden echter lauw ontvangen. De Moor: “De instellingen zijn bang iets van hun autonomie op te geven. Ook spelen allerlei chauvinistische overwegingen een rol. Allemaal wel begrijpelijk maar ook wat kortzichtig.”