Gooi dan die gif in die wit varke; Een agenda met poezie van Breyten Breytenbach

De gedwongen ballingschap van de Zuidafrikaanse dichter Breyten Breytenbach laat zijn sporen na in zijn dichtbundel-in-agendavorm Soos die So. Terugkeer naar zijn vaderland is onmogelijk en al zou hij wel terug kunnen: hoe moet hij omgaan met de schuld die elke witte Afrikaner met zich meedraagt? Is het niet beter zwart te zijn? Breytenbach leest zijn gedichten zondagavond in Concordia inschede voor, maandagavond is hij in de Rotterdamse Doelen. Beide avonden presenteert hij samen met Adriaan van Dis dichters uit Afrika.

Breyten Breytenbach: Soos die So. Uitg. Meulenhoff-Van Gennep, 203 blz. Prijs (f) 39,50

Het is misschien niet nodig persoonlijke gegevens van een dichter te weten om een dichtbundel te lezen. Maar in het geval van Soos die So van de Zuidafrikaanse dichter Breyten Breytenbach is het moeilijk de eerbiedige scheiding tussen leven en werk intact laten. Om te beginnen is Breytenbachs leven en wandel waarschijnlijk minstens zo bekend als zijn gedichten. En alleen al door zijn opzet kan de bundel moeilijk los gezien worden van de tijd waarin en de plaats waarop de gedichten geschreven zijn.

Soos die So is de titel die Breytenbach gaf aan een agenda, waarin hij bijna elke dag een gedicht zou schrijven. De uiteindelijke dichtbundel bestaat uit twee delen, die worden gescheiden door een lange pauze.

Het eerste deel is geschrH)ven van 1 januari tot 4 september 1974, in een periode die valt tussen twee reizen naar Zuid-Afrika. In 1972 zag Breytenbach na dertien jaar ballingschap in Parijs zijn geboorteland voor het eerst terug. In 1975 ondernam hij de reis nog eens, maar nu illegaal, en dat leverde hem zeven jaar eenzame opsluiting op in een Zuidafrikaanse gevangenis. Het tweede deel van de dichtbundel is geschreven in de tweede helft van 1988, zes jaar na zijn terugkeer in Parijs.

Veel van de gedicn verwijzen naar Zuid-Afrika. En als er dan ook nog een voorwoord aan voorafgaat, waarin de dichter duidelijk maakt hoe hij de relatie tussen tekst en tijd en werkelijkheid wil zien, is het duidelijk dat leven en werk nauw met elkaar verbonden zijn. “Ek het besluit om voetspore te teken vir my voete om in te loop”, schrijft Breytenbach. Dit is ook waar de titel, Soos die So (letterlijk: zoals deze zo) - als die al uit te leggen is - naar verwijst. Voor zo zijn mooie geheimtaal te ontcijferen is (waarom heeft de Nederlandse uitgever geen verklarende woordenlijst toegevoegd?), lijkt de dichter op zoek te zijn naar richting en helderheid en probeert hij die te vinden in het verloop van de tijd. Hij wil greep krijgen op het leven 'in die verspoelende vaart van vergankelikheid na doodheid'. Hij stelt zich de onmogelijke opgave “om dit wat nie vasgele kan word nie, sigbaar te maak en vas te pen, die stekies wat die een niks aan die volgende nul rijg”. Om zoveemogelijk de alledaagsheid van het leven te bewaren legt hij zichzelf op om iedere dag te schrijven, inspiratie of niet, en na die dag niet meer aan het gedicht te gaan zitten sleutelen.

Veel van de charme die vooral het eerste deel van de bundel heeft, is aan deze opzet te danken. De dagen lijken soms inderdaad in de gedichten gevangen. Er zijn vredige dagen, wanhopige dagen, dagen met ruzie, hartstocht, wandelingen, of met een merel op het dak. De emotie is ondanks het voortdu(Jrende gebruik van bemiddelende symboliek voelbaar. En de enkele gedichten die ontsnappen aan de typisch Breytenbachse thematiek, en die niet a la minute gevuld worden met 'nacht' en 'maan' en 'wormen' en 'spiegels', zijn, misschien wel daarom, indrukwekkend.

Het leeuwedeel van de vroegere gedichten draait, in allerlei nuances, om hetzelfde probleem. Ze zijn een zoektocht naar helderheid. Om te beginnen is er een taak die de dichter zich stelt. Hij bevindt zich in ambigue staat van zijn en zien; het 'zijn' zit vol dood en verrotting, en het 'zien' vol blindheid en vertroebeling. De gedichten zijn pogingen om tijd en werkelijkheid zichtbaar te maken (“Maar skryf is verneuk” [=bedriegen]), en om deze te transformeren, te zuiveren en te herscheppen. Maar hoe hij zijn best ook doet, zijn schepsels blijven verrot: uit de 'vloeiend wit eiers' die hij in een moment van zuivere existentie (in dit gevalen orgasme) heeft gelegd “het 'n piepende ding te voorskyn gekom- maar in my hande het dit soos voosheid verbrokkel- die binneste was reeds kant en wal kriewelende wurms”. Om zuiver en onbevangen te kunnen zien en schrijven moet het besmette licht door de duisternis gelouterd worden, en woorden moeten geboren worden uit stilte. Een steeds terugkerend symbool hiervoor is de maan; het nachtelijke, gereflecteerde zonlicht.

VERWRONGEN

Maar de 'ik' worstelt niet alleen met zichzelf als dichter maar ook als Zuidafrikaanse blanke balling, voor wieestaan en waarneming verwrongen is door een mengeling van heimwee, schuld, walging en ontworteling. Nu blijkt de maan een cruciaal beeld te zijn: het zonlicht dat de maan reflecteert is niet alleen het heldere licht dat de dichter nodig heeft om te kunnen zien, maar ook het Zuidafrikaanse zonlicht, dat voor de balling een voorwaarde is om volledig te kunnen bestaan. Het verlangen om terug te gaan naar Zuid-Afrika is voortdurend aanwezig. Maar daarH)voor moet niet alleen eerst Zuid-Afrika bevrijd worden, maar moet ook de ik in staat zijn zich te bevrijden van zijn blanke identiteit.

Opvallend tussen alle voorzichtige, ingekapselde beelden in de gedichten zijn de felle, angstige uithalen naar de Afrikaners: “maar Godseblief, gooi dan die gif in die wit varke- met die kneukelharsings se melk!”. Het lijkt erop dat de balling zijn eigen Afrikanerverleden met brute kracht kapot moet slaan om de scherven op te kunnen rapen en voorzichtig tot nieuwe identiteit te herordenen.

Maar ook deze verwoede pogingen tot de- en reconstructie hebben niet het gewenste effect. Alles blijft nog te wit en dus te beladen; het licht “het 'n wit smaak”, zijn gedichten blijven witte brouwsels, en hijzelf voelt hoe onmogelijk het is terug te keren naar zijn wortels, zonder de witte smurrie van schuld en stigma die aan die wortels kleeft. Er is maar een oplossing voor dit dilemma: hij zou (meer of minder letterlijk) moeten sterven om met zwa bloed herboren te kunnen worden:

neem die son wanneer dit donker en rijp is, sny dit oop al oor die buik en smeer daardie swart bloed in jou lyf in, dan eers mag jy helder en onsigbaar jou werklike en gedroomde eie bodem besoek.

Hoezeer tijd en plaats hun invloed hebben op de betekenis van de gedichten, blijkt als het lente wordt. Zoals vaker in Breytenbachs oeuvre, worden het verblijf in Parijs, de winter, de nacht, de dood en de stilte gebruikt om de eenzame louterg die aan een transformatie vooraf moet gaan te symboliseren. De winter blijkt meer te zijn dan een talige metafoor. De gedichten in januari en februari waren vooral uitingen van zwartgallige, angstige wanhoop en nostalgie. Maar bij de eerste aarzelende lentedagen, pelt de dichter zich net zo aarzelend uit de vele lagen reflectie die hem isoleren en lamslaan. Hij besluit niet meer te wachten tot de richting die hij zoekt zi gelouterde helderheid aandient, maar neemt zichzelf als maatstaf.

TEKEN

Als je weet dat Breytenbach niet lang daarna terug zal gaan naar Zuid-Afrika, dan lijkt zo'n fragment al snel een teken aan de wand. De fatale gevolgen van deze reis voegen aan sommige gedichten een (onverdiend?) wrange betekenis toe. De dichter schrijft met een vleugje zelfspot: “ek gaan tot waar die donker se geboortegrond le- en ek sal teen 'n leer op oor die muur ontsnap- na waar die bewaarders my nooit vind nie- en met mer water vir die maan”. En een jaar later klimt Breytenbach over de muur en wordt niet alleen vrijwel meteen door de bewakers op de schouder getikt, maar krijgt zelfs lange tijd niet eens de maan te zien.

Maar het is nog steeds 1974 en het wordt lente. De winter is inderdaad louterend geweest. De geur van verrotting die de ik bij zich draagt, schrijft hij steeds minder aan zichzelf toe dan aan het land waar hij vandaan komt - of de gedichten die hij schrijft. Hij beseft dat de voortdurenflectie geen loutering kan bieden, maar hem van het leven afhoudt. Naarmate de zon meer gaat schijnen worden de gedichten opener; het toneel verschuift van de nacht naar de dag, en steeds vaker zijn ze het resultaat van een dag zien, in plaats van een dag broeden. Dit levert vaak prachtige, levende sceneschetsen op. Dan wordt na een paar korte versjes van afgeronde, eenvoudige wijsheid (“oopgeskiet: die blare- soos flarde aan die bome-- in die lyf gedroom van Afrika- (mens is met min tevrede)”) de discipline opeens verbroken; een maand blijft onbeschreven. Vanaf dat moment vallen er meer gaten. Er is onrust; de zee, die onder meer de link met Zuid-Afrika symboliseert, lokt: “hoor hoe ruis en bulder die see, hoor hoe roer die see-- die ou tempel se voee en laste kraak- asof hy op reis staan”. Tenslotte stokt de reeks; na vier september blijft de agenda leeg.

BOODSCHAP

Veertien jaar later pakt Breytenbach de draad weer op. Het tweede gedeelte van de bundel wordtieuw ingeleid met een boodschap.

Desillusie en berusting voeren nu de boventoon. De gepassioneerde zoektocht naar waarheid en echtheid, en de zelfspot hebben plaats gemaakt voor mild, hoofdschuddend cynisme. Alles (het dichterschap, het leven, de geschiedenis) is betrekkelijker en moeizamer geworden; het Paradijs is van plastic, zit alleen nog in kleine dingen.

De gedichten zijn nu wat afstandelijker. De dichter geeft zich niet meer onbevangen over aan de regels die hij zich veertier eerder stelde. In plaats daarvan lijkt hijde kwetsbaarheid ervan te voelen, en zich in te kapselen - soms met wantrouwige opmerkingen tegen de lezer.

Er hangt in de tweede reeks minder spanning. Veel van de thematiek keert nog terug, maar nu wordt niet meer alles tot een grote knoedel van verwijzende symboliek geweven, die vraagt om een enkele uitweg. In de tussenliggende veertien jaar lijkt Breytenbach de worsteling met en vergankelijkheid enigszins van de politieke strijd in Zuid-Afrika te hebben losgekoppeld. Misschien ook omdat het Afrikaans als taal in die tijd minder beladen geworden is, niet meer alleen de taal is van apartheid. Dit geeft een zekere bewegingsvrijheid. De maan wordt met rust gelaten. Er worden nog wel voetsporen getekend, maar ze zijn niet meer bedoeld om in te lopen. Het zijn gladgeslepen stukjes herinnering, vingeroefeningen voor het begrijpen, en soms politiek geengageerde “rympies as mondstuk vdie volk in swoege en swye en vertwyfeling.”