Europa weifelt op kruispunt van EMU

De EG-landen moeten economisch en monetair samensmelten. Een Europese munt moet het ongedeelde Europa verzilveren. De EMU komt er, maar de vraag is wanneer. Aan Nederland de taak het eenwordingsstreven door een mijnenveld van nationale sentimenten en politieke realiteiten te loodsen.

De emu heeft twee bijzondere kenmerken. Deze Australische struisvogel kan niet vliegen en kan alleen maar vooruit lope is het ook gesteld met de Europese EMU, het streven van de twaalf EG-landen naar een Economische en Monetaire Unie. De EMU is geen hoogvlieger, maar het proces is onomkeerbaar. Zoals een direct betrokken Nederlander zegt: “Het punt waarop terugkeer nog mogelijk is, hebben we gepasseerd.”

Het streven van de EG naar een gemeenschappelijke munt en een Europese centrale bank krijgt steeds meer politieke thermiek, nu de datum in zicht komt waarop harde beslissinoeten worden genomen. Voor het einde van het jaar moet de Intergouvernementele conferentie (IGC) over de EMU afgerond worden. Op deze IGC, die parallel verloopt met een conferentie over de Europese Politieke Unie, moeten de EG-landen unanieme overeenstemming bereiken over de verdragswijziging die een munt mogelijk zal maken. Dat zal gebeuren onder Nederlandse leiding, want Nederland is het komende half jaar voorzitter van de EG.

Voor het zover is moeten politieke realiteiten, technische hindernissen en nationale gevoeligheden overwonnen worden. De schermutselingen van de afgelopen weken, vooral in Groot-Brittannie, over de snelheid en richting waarmee de EMU zich voortbeweegt, vloeien voort uit de ingrijpende gevolgen die de invoering van een munt met zich meebrengt.

Deze gaan veel verder dan de beeldenaar van koning, koningin of Marianne op de toekomstige Europese munt. Landen die tot een monetair blok behoren, ont er niet aan om ook hun economische beleid op elkaar af te stemmen. Dat raakt direct aan de historische bevoegdheden van nationale parlementen om begrotingen vast te stellen of af te keuren en om belastingen te heffen.

Bovendien geven ze de instrumenten voor inflatiebestrijding uit handen aan een Europese centrale bank, terwijl de gemakkelijke uitweg van nationale wisselkoersaanpassing voorgoed wordt afgesneden. Een munt van Gibraltar tot Jutland (en wellicht de Noordkaap), van Shanot Frankfurt aan de Oder (en wellicht Wenen) - het is een uitdaging waarop de uitspraak van Yogi the Bear van toepassing is: 'Als je bij een kruispunt komt, neem hem'.

Terwijl de technische onderhandelingen binnenskamers vorderen, worden in het openbaar ver uiteenliggende stellingen betrokken. Duitsland en Nederland zijn voor een streng beleid. Groot-Brittannie ook, maar de Britten hechten zeer aan bijna achthonderd jaar parlementaire traditie en buitengewoon argwanend. Frankrijk denkt institutioneel en in termen van 'brede orientaties'. De zuidelijke EG-landen, met uitzondering van Italie, willen vooral extra geld zien.

Op een conferentie over de EMU, die eind vorige maand in Londen werd georganiseerd door het Royal Institute of International Affairs en de Association for the Monetary Union of Europe - een lobby van het Europese bedrijfsleven voor een munt - kwamen de uiteenlopende standpunten duid naar voren. Norman Lamont, de Britse minister van financien, beklemtoonde dat de vorming van een economische en monetaire unie een geleidelijk proces is, geen eindbestemming. Laat het tempo en de richting bepalen door de financiele markten, niet door overheidsingrijpen, betoogde hij.

Lamont richtte zich vooral op de achterban van zijn eigen conservatieve partij - nog steeds gewikkeld in intriges waar het 'Europe' betreft - met de verzekering dat iedere verdragsverandering dil leiden tot een munt, eerst afzonderlijk door de Britse regering ter goedkeuring aan het parlement zal worden voorgelegd. Nu is dat in alle landen het geval - ook het Nederlandse parlement zal een verandering in het EG-verdrag moeten goedkeuren - maar voor Groot-Brittannie heeft dit meer dan een symbolische politieke betekenis.

De Britten staan niet alleen in hun scepsis jegens EMU. Om heel andere redenen hebben ook de Duitsers grote aarzelingen gekregen.

Bondskanselier Kohl en premier Major blden hun eensgezindheid twee weken geleden met een gezamenlijke verklaring dat de komende Europese top in Luxemburg (26 juni) geen beslissingen moet nemen over de economische en monetaire unie. Dat was ook niet de bedoeling, maar het signaal aan de overige EG-partners was duidelijk: Duitsland heeft, net als Groot-Brittannie, geen haast.

Op de conferentie in Londen sprak Karl-Otto Pohl, de vertrekkende president van de Bbank, ironisch over de Europese centrale bank “als en wanneer die op een dag komt” en voegde er aan toe: “Als en wanneer zijn beide nog open vragen”.

Pag. 10:

'Als de Duitsers maar geen slappe knieen krijgen'

De Duitse aarzelingen jegens de EMU zijn tweeledig. In de eerste plaats voelen de Duitse financiele autoriteiten er niets voor om de zekerheid van de D-mark op te geven in ruil voor een onzekere Europese munt, waarover ze minder zeggenschap hebben. Ze zijneid om de stap naar een enkele munt te maken, maar alleen als gegarandeerd is dat het toekomstige monetaire beleid even degelijk zal zijn als dat van de Bundesbank. In de tweede plaats is Duitsland - geschrokken door de kosten van de Duitse eenwording - terughoudender geworden. De D-mark heeft klappen opgelopen en Duitsland wil tijd winnen om als een sterk anker de toekomstige monetaire unie in te gaan.

Niet alle landen remmen. Op dnoemde conferentie in Londen vertolkte de Belgische staatssecretaris van financien Bernard Snoy namens minister Philippe Maystadt het andere uiterste. Snel vooruit, was zijn boodschap, volgens de beginselen van het fietsen: zolang de vaart erin zit, is de kans op omvallen minimaal.

De Belg stond niet alleen stil bij de economische, maar ook bij de politieke noodzaak om tot een monetaire eenheid in Europa te komen. De veranderde geo-politieke verhoudingen aevolg van de val van de Muur, de Duitse eenwording en de omwentelingen in Oost-Europa “dwingen ons tot versnelling van onze mars naar EMU en politieke Unie”, aldus Snoy. De overige EG-landen, zei hij, moeten gebruik maken van de pro-Europese houding van bondskanselier Kohl. Deze is nu nog bereid de Duitse monetaire souvereiniteit in te bedden in een grotere Europese monetaire eenheid. Dat was een variant op de Franse wens om grotere greep te krijgen op het monetaire beleid van de Bundesb “Deze uitzonderlijke kans zou over een paar jaar wel eens voorbij kunnen zijn, als Duitsland, versterkt door de succesvolle afronding van het verenigingsproces en in de greep van de ontwikkelingen in Oost-Europa, zou ophouden om de motor van de Europese integratie te zijn.” Kortom: “We zouden een historische kans missen als we nu niet de voorwaarden scheppen voor een onontkoombaar proces.” Bovendien, betoogde Snoy, zal een toekomstige Europese munt beter dan de D-mark en dienen als monetair anker voor de markteconomieen die zich in Oost-Europa ontwikkelen.

Hoe moet die monetaire eenheid tussen twaalf nationale staten worden gevormd? Robert D. Hormats, vice-president van Goldman Sachs International en expert op het gebied van internationale economische betrekkingen, wees in Londen op de Amerikaanse ervaring met monetaire eenwording. Midden vorige eeuw hadden de VS nog niet de beschikking over een munt en een monetair stelsel. In 1gaven meer dan vijfhonderd banken nog hun eigen geld uit en waren meer dan negenduizend verschillende soorten van waardepapier in omloop. Pas na het einde van de Burgeroorlog, in 1865, werd een gemeenschappelijke munt ingesteld en nog een halve eeuw later, in 1914, werd het Federal Reserve (FED) stelsel van centrale banken opgericht.

Hormats ontzenuwde de (vooral Britse) vrees voor een Europese eenheidsworst op macro-economisch gebied na de invoe van een munt.

Zelfs nu nog bestaan in de VS verschillen tussen de deelstaten wat betreft bankrente, belastingtarieven en belastingbeleid. In de EG zal na de monetaire unie wel sprake moeten zijn van coordinatie van begrotingsbeleid, omdat de Gemeenschap vooralsnog een beperkte communautaire begroting zal hebben - in tegenstelling tot de VS waar de federale uitgaven zeer groot zijn. Ook onder EMU zullen de nationale overheden van de EG-landen de belangrijkste rol spelen op het gebiean belastingheffing en uitgaven.

Bij afwezigheid van de externe disciplinering via de wisselkoers, zullen volgens Hormats de financiele markten de afzonderlijke EG-landen dwingen tot een gedisciplineerd begrotingsbeleid. Landen met grote tekorten - zoals Griekenland, Italie en wellicht Nederland - zullen door de markten verplicht worden een hogere opslag op de rente te betalen dan landen die hun begroting op orde hebben. Dat is ook het Britse standpunt tenzien van begrotingsdiscipline in EMU.

Rudiger Dornbusch, de Duits-Amerikaanse hoogleraar internationale economische betrekkingen van MIT in Boston, koos voor een andere invalshoek ten aanzien van de disciplinerende werking die van een munt uitgaat. Duitsland, Frankrijk en de Benelux moeten volgens hem onmiddellijk besluiten tot een monetaire unie, vaste wisselkoersen zonder marges en een gemeenschappelijk monetair beleid. Andere landen kunnen zich daarbij later aansluiten. Want Groot-Brittannie, Italie of Spanje zullen hun inflatie nooit op eigen kracht naar het niveau van Frankrijk of Duitsland brengen.

“Een onmiddellijk begin van een strategie met twee snelheden (een kopgroep en een trage groep op weg naar EMU, red.) is zeer wenselijk.

Het biedt direct voordeel aan de harde kern van landen die overstappen op een munt. Het biedt ook voordelen voor de landen die deze stap nog niet kunnen maken en die wachten op een Goddelijke ingreep om hun economieen aan te passen'', aldus Dornbusch.

Een strategie van twee snelheden is de snelste manier om landen te dwingen hun inflatie te verminderen, begrotingstekort terug te dringen en beleid aan te passen. “Landen zullen daarvan pas overtuigd raken als ze zien dat de trein het station verlaat”, zei hij en in de richting van het sceptische Britse gehoor voegde hij er aan toe: “Europa heeft het Verenigd Koninkrijk niet nodig. Maar het VKou de EMU wel eens heel hard nodig kunnen hebben.”

Nederland krijgt de komende zes maanden een harde dobber om de tegenstellingen die nu nog bestaan ten aanzien van EMU, weg te onderhandelen. Vanaf 1 juli is Nederland voor een half jaar voorzitter van de EG en onder het Nederlandse voorzitterschap moet de Intergouvernementele Conferentie over EMU (en EPU) worden afgerond.

Wat de monetaire unie betreft krijgt thesaurier-generaal van financien drs. ing. C. Maas de grootste verantwoordelijkheid. Hij is tevens voorzitter van het Monetairomite in de EG, waar de beslissingen over EMU op hoog ambtelijk niveau worden voorbereid, voordat ze worden voorgelegd aan de ministers van financien. Zoals een collega van hem zegt: “Maas moet het komende half jaar de EMU-kar trekken”

Daarbij heeft hij te maken met wisselende coalities van landen. Frankrijk en Duitsland hebben elkaar gevonden in strakke regels voor begrotingsdiscipline. De Britten willen dat ook, maar ze zijn tegen overdracht van nationalegrotingsbevoegdheden. Landen mogen geen 'excessief begrotingstekort' hebben en daarbij zullen vermoedelijk drie criteria gelden: het begrotingstekort van een land mag niet groter zijn dan drie procent van het bruto nationale produkt (BNP), de schuldquote (overheidsschuld als percentage van het BNP mag niet hoger zijn dan zestig procent) en overheden mogen slechts geld op de kapitaalmarkt lenen voor investeringsuitgaven (de zogenoemde gulden financieringsregel).

Nederland is ook voor een streng rotingsbeleid, maar heeft twee problemen. Ten eerste zal het, gezien het chronische Nederlandse begrotingstekort, nog grote moeite kosten om deze criteria op tijd te halen. Ten tweede verricht Nederland nauwelijks overheidsinvesteringen, zodat toepassing van de gulden financieringsregel tot extra bezuinigingen op overdrachtsuitgaven zal leiden. Geen wonder dat in 'Den Haag' de laatste weken steeds luider wordt geroepen om snelle verhoging van de overheidsinvesterinen.

Volgens deskundigen zijn deze strenge begrotingsregels evenwel niet bedoeld om Nederland buiten EMU te houden, maar om andere landen onder druk te zetten. “We streven naar een duidelijk ontmoedigingsbeleid om landen, die niet aan deze criteria voldoen, buiten de deur te houden als we kiezen voor twee snelheden”, aldus een zegsman. Dat betreft enkele Zuideuropese landen - Griekenland, Portugal en wellicht Italie - en ook Oosteuropese lawaarvan verwacht wordt dat ze tegen het einde van deze eeuw geassocieerd lid van de EG zullen zijn.

De zuidelijke landen vinden een gesloten noordelijk blok tegenover zich als het gaat om vergroting van de structuurfondsen als voorwaarde voor de monetaire unie. Vooral Spanje, maar ook Portugal en Griekenland willen meer geld uit de regionale en sociale fondsen als 'smeermiddel' om de kosten van de monetaire eenwording te dragen. De overige landen, gesteund door de Europese Cosie, willen de onderhandelingen over de vergroting van de structuurfondsen, die volgend jaar op de agenda staan, losgekoppeld houden van die over EMU.

Zoals een deelnemer zegt: “Als je extra bedragen voor de structuurfondsen ter beschikking moet stellen, krijg je de monetaire unie er nooit door.”

Op monetair terrein speelt nog altijd de kwestie van onafhankelijkheid van de toekomstige Europese centrale bank. Alle landen zijn voorstanders van politieke onafhankelijkheid, maar vooral Frankrijk geeft dn een andere uitleg dan de overige landen. Het struikelblok hierbij lijkt de vraag te zullen worden wie de verantwoordelijkheid zal krijgen over het wisselkoersbeleid van de toekomstige Europese munt ten opzicht van de dollar en de yen: de centrale bank of de politiek verantwoordelijke ministers. Nederland wil met een compromis komen waarbij de politici slechts verantwoordelijkheid zullen hebben als het gaat om veranderingen van wisselkoersstelsels (vaste of zwevende wisoersen), maar de centrale bank alle vrijheid behoudt in het wisselkoersbeleid van dag tot dag.

De vraag op welk tijdstip de Europese centrale bank opgericht zal worden, heeft aan splijtkracht verloren. Op de Europese top in Rome, december vorig jaar, leken de regeringsleiders gekozen te hebben voor een monetaire instelling op 1 januari 1994, aan het begin van de overgangsfase naar de monetaire unie. Heftig verzet van Duitsland, Nederland, Groot-Brittannie heeft Frankrijk doen besluiten van een snelle oprichting af te zien. In 1994 zal vermoedelijk het bestaande Comite van Gouverneurs van de centrale bankpresidenten opgetuigd worden en de centrale bank zelf zal pas worden opgericht aan de vooravond van de slotfase van EMU.

De voortekenen dat dit hele pakket tegen het einde van het jaar afgerond zal zijn, zijn goed. Frankrijk - en in Nederland ook premier Lubbers - is geschrokken van de financiele en economische effecten die de Duitse eenwording heeft op de Duitsgroting en op de economie van de voormalige DDR. Dat heeft geleid tot grotere voorzichtigheid. “De Duitse eenwording heeft de Fransen de ogen geopend. Frankrijk is rechter in de leer geworden”, verzekert een betrokkene. Daarmee is de uitkomst van de IGC-EMU tot twee vragen teruggebracht: wat doet Groot-Brittannie en wat beslist Duitsland. Van de Britten wordt verwacht dat ze bij de langzame groep zullen aanhaken. En wat Duitsland betreft zegt een deskundige: “We mogen hopen dat de Duitsers geen slappe knieen krijgen.”