Dichtkampioen van Engeland; Biografie van oorlogsdichter Edmund Blunden

Barry Webb: Edmund Blunden. Uitg. Yale University Press, 360 blz. Prijs (f) 72,10.

Edmund Blunden (1896-1974) is het best bekend geworden door zijn gedichten en prozawerk (Undertones of War) over de eerste Wereldoorlog, en als eenmans British Council in Japan, waar hij van 1924 tot '27 Engels doceerde en van 1947 tot '50 aan de ambassade verbonden was. Sommige lezers vinden de gedichten ouderwets in hun vorm en in hun pastorale verbeeldingswereld; anderen, zoals Paulussell in The Great War and Living Memory, eren hem als een van de duidelijkste stemmen van de oorlogsdichters, met zijn vermogen om het geschut en het voorjaar als dood en leven tegen elkaar in te laten klinken.

Wie Blunden alleen van zijn gedichten kent zou uit al die bomen en boerderijen het vermoeden kunnen opdoen dat hij na 1918 het leven van een geruste landman geleid moet hebben. Zijn biografie laat zien dat hij een verontrustend hard werkende stadsmens was.et verontrustte omdat hij geen sterke gezondheid had, met een astmatische aanleg en depressieve perioden; maar misschien zouden zijn depressies erger geweest zijn zonder zijn werk om hem af te leiden. Met vallen en opstaan en twee jaar in de loopgraven heeft hij toch lang geleefd; pas in de laatste vijf jaar ging hij zo achteruit dat hij niet meer meedeed.

Hij had toen honderden artikelen en gedichten geschreven, overal in Engeland en Japan lezingen gehouden en kritische studies gepJH)bliceerd over John Clare, de buitenman van Northamptonshire die zijn poetische voorvader was, en verscheidene anderen - Shelley, Leigh Hunt, Lamb, Thomas Hardy. Hij was dertien jaar docent geweest in Oxford, een tijd lang adjunct-hoofdredacteur van de Times Literary Supplement, en van 1953 tot 1964 professor in Hong Kong. Hij was drie keer getrouwd en had ontelbare vriendschappen onderhouden en verbroken, waarvan de voornaamste was met zijn mede-oorlogsdichter Siegfried Sassoonie hem vaak met geld bijstond. Hij had veel cricket gespeeld en een boek geschreven over die sport. Hij had een bibliotheek opgebouwd van 10.000 delen die alleen nieuw waren als het niet anders kon, want hij vond in zijn jeugd dat een boek nooit meer mocht kosten dan sixpence, dat wil zeggen een kwartje; dat toegelaten maximum verhoogde hij geleidelijk tot tien shilling in 1950. Het was niet alleen zuinigheid. Hij hield van oude boeken, vooral als er opmerkingen van vorige eigenaars in gekrabbeld waren, en hij schreef er zelf ook in, met potlood.

Humeur Na al deze activiteiten was hij in 1966, op zijn zeventigste, onvoldaan en neerslachtig gestemd. Zijn gezondheid ging achteruit, hij dronk teveel waar hij niet meer tegen kon, en het viel hem zelf op dat zijn humeur steeds onaangenamer werd.

Toch werd hij nog als opvolger van Robert Graves gekozen tot Professor of Poetry in Oxford, waar hij vijf jaar lang drie colleges per jaar zou moeten geven, tegen een salaris van 350 pond. Over de bezetting van die eigenaardige post mogen alle afgestudeerden van Oxford meestemmen, soms na een roerige verkiezingscampagne zoals in Blundens jaar toen Robert Lowell de andere kandidaat was. Enid Starkie stond aan het hoofd van zijn supporters, C.M. Bowra leidde die van Lowell, hoewel zij geen van beiden, zoals bij navraag bleek, een enkele regel van hun kandidaat uit hun hoofd kenden.

Bnden won met 477 stemmen tegen 241, en was even dichtkampioen van Engeland. Vervolgens had hij veel moeite met het vervullen van zijn kleine taak. Hij kon er zijn gedachten niet goed bijhouden. In 1968 nam hij ontslag, en daarna heeft hij ook niet meer geschreven.

Hij had genoeg gedaan, en met zoveel mensen te maken gehad dat zijn biograaf soms niet beter weet te doen dan namen opgeven. In de jaren dertig ontmoette Blunden in Oxford talrijke oude en nieuwe bekenden, schrijft hij bij voorbeeld: en dan noemt hij er in eenalve pagina vierentwintig van met wie wij nergens anders in het boek te maken hebben. Zulke onhandigheden bemoeilijken het lezen, omdat er geen punt is waarop wij onze aandacht kunnen concentreren. Als Webb strenger geselecteerd had was er meer kans geweest dat Blundens leven een vorm en een toon kreeg.

Dat is nu niet gebeurd. Er blijft een indruk uit het boek over van een dichter die steeds achter de tikmachine zat, totdat hij weer naar buiten stoof om een lezing of een collegte gaan geven. Als wij iets willen ondervinden van hoe het was om in zijn huid te leven kunnen wij alleen bij de citaten uit zijn eigen werk terecht.

“Boven de verbindingsloopgraven gaven dieprode klaprozen, blauwe en witte korenbloemen en graspollen de weg naar de vernieling aan....Verderop werd de grond verscheurd en vuil, de giftige adem van recente explosies dreef er rond, en de modder die de smalle gangen vernauwde stonk als men er doorheen drong ...”

Blunden roept in zulke woorden een andere werlijkheid op. Zoals Webb hem uitbeeldt lijkt hij zelf een herkenbaar type uit onze eigen omgeving, alledaags in een slordig pak, maar niet een goede bekende.