Debat Berlijn-Bonn was best een mooie parlementaire gebeurtenis

Het werd dus Berlijn. Waarmee, anders dan in het geval dat Bonn had gewonnen, de discussie ook echt beeindigd i Het was geen slecht debat in de Bondsdag, waarvan de plenaire vergaderzaal aan de Rijn inderhaast een groot extra plankier had gekregen om alle 662 verenigde volksvertegenwoordigers een plaats te bieden. Gezien de uitkomst van het debat, mocht dat met recht een noodvoorziening heten. Het aangrenzende nieuwe vergadercomplex, dat begin volgend jaar klaar is, dreigt in Bonn dadelijk direct al een plaa op de lijst van modern-incourant (en duur) onroerend goed te krijgen.

Het was best een mooie parlementaire gebeurtenis. Overheersend beeld, passend bij het droom- of daadkarakter van de discussie: de aanhangers van Berlijn met brede principiele streken en iets meer pathos enerzijds, de Bonn-supporters anderzijds met vooral praktische (financiele) overwegingen. Met wellicht beslissend welsprekende Berlijn-voorstanders als SPD-aartsvader Willy Brandt en de in zijn rolstl politieke punten scorende CDU-minister en Kohl-favoriet Wolfgang Schauble (“de Duitse eenheid betekent delen”) als hoofdpersonen. Helmut Kohl zelf, sprekend als afgevaardigde uit Oggersheim, legde trouwens ook wel enig gewicht in de schaal met zijn verzekering dat hij als kanselier had gemerkt dat de collega's in Washington, Moskou, Parijs en Londen niets tegen Berlijn als Duitse regeringszetel hebben en zich juist enigszins verwonderen over twijfels daarover in de Bondsrepubliek.

Het ging uiteindelijkok om misschien wel honderd miljard mark en de eventuele verhuizing van vele tienduizenden mensen. Wat zulke aardse aspecten betreft kon de kwaliteit van het debat zeker de toeschouwer opvallen die nog wist van al die Nederlandse discussies over een verhoudingsgewijs bescheiden spreiding van rijksdiensten (met Groningen en Limburg als nationale Siberia). Er werd in het Wasserwerk, een vroeger brandweergebouw dat aan de Rijn nog als parlementaire vergaderplaats dient, over de kwestieonn- Berlijn ongeveer elf uur hard maar fair gediscussieerd, al slopen er gaandeweg echo's in de botsing der argumenten. Maar dat was, bij ruim honderd woordvoerders, onvermijdelijk. Jammer was wel dat sommige sprekers, onder wie natuurlijk ook voorzitter Rita Sussmuth (CDU), zichzelf nog tijdens het debat alvast complimenteerden met deze parlamentarische Sternstunde.

Soms gleed iemand uit, zoals Brandt, toen hij Bonn ongelukkig met h Vichy van Franse collaborateurs in bezettingstijd vergeleek. Of zoals de baardige Oostduitse SPD-ondervoorzitter Thierse, die de eventuele keuze voor Bonn alvast gelijkstelde “met een belediging en vernedering voor alle Oostduitsers”. Of zoals de jonge CDU'er Pfluger, die zich voor Bonn uitsprak maar daarbij vroeg om wel te bedenken dat zijn moeder uit Berlijn kwam.

Zeker, er bleek af en toe sprake van generatieverschillen, die vorig jaar al merkbaar waren in de uiteenlopende waardering voor de Duie eenwording van ouderen en jongeren in de toenmalige Bondsrepubliek. Er bleek, oh wonder, onmiskenbaar ook van regionale belangen en voorkeuren. De wedstrijd ging tussen een federaal Adenauer-stadje aan de Rijn zonder Witz, Grote Cultuur, verkeerschaos en Kreuzberg en een miljoenenstad (niet de enige in Duitsland overigens) die al die wisselend gewaardeerde metropool- en hoofdstadkenmerken wel bezit. En die ook nog de herinnering aan de Amerikase luchtbrug, de Muur, Kennedy's Ich bin ein Berliner en de ruim veertigjarige SED-treurnis van het oostelijk stadsdeel in haar bagage heeft. Daar kan Bonn, symbool van Duitse federale bescheidenheid maar tegelijkertijd bakermat van wat wel smalend de Duitse Puppenheimdemokratie wordt genoemd, niet tegenop. En dat telt nu het verenigde Duitsland 'normaal' moet worden en de 'geleende' identiteit van het provisorium dat het gisteren was, moet afleggen.

Soms bleek gisteren in de Bondsdag bovendn opnieuw dat de liefde voor de protestants-Pruisische cosmopoliet aan de Havel en de Spree niet zo diep zit bij de rooms-katholieke en sociaaldemocratische Beieren, Rijn- en Saarlanders, Wurttembergers en al die andere Westduitse deelnemers aan een ongewoon, na-oorlogs economisch en democratisch succesverhaal. Dat was bekend en is eigenlijk niet zo gek. Althans niet in het parlement van een rijk, federaal opgezet land dat op weg is in zijn gentegreerde Westeuropese wezen moeizm een arme Middeneuropese schil te integreren. Zulks wantrouwig bekeken door de buren in het westen en gretig aangeroepen door de buren in het oosten.

En, zeker, er werd gisteren in de Bondsdag niet alleen over mooie dingen als de Duitse Identitat, de nieuwe Normalitat, de Europaische Zukunft en de politieke Glaubwurdigkeit (jegens Berlijn en de 42 jaar oude beloften aan die stad) gepraat. Maar ook vrij geregeld over de financie kosten en baten van de ene of de andere keuze. Maar dat mag in een parlement niet verbazen, zeker niet als het om zeer vele miljarden gaat.

Intussen wees de SPD'er en Bonn-advocaat Horst Ehmke spitsvondig maar niet helemaal ten onrechte aan die belofte: de hoofdstadverplichting jegens Berlijn is 42 jaar geleden in de Westduitse grondwet gezet. Dat wil zeggen: toen de Bondsrepubliek van stapel liep met de politieke en staatsrechtelijke ambitie om ooit weer te komen tot een verenigd Duitsland volgens de ruime grenzen van 1937Die ambitie is intussen gelukkig, en onder algemeen applaus, verdwenen, en Berlijn ligt inderdaad maar een uurtje rijden van de Poolse grens. Of, zo men wil, van Oost-Europa. En, dat is meer dan een woordenspel, de vraag is immers ook een beetje: komt Oost naar West, of gaat West naar Oost?

Maar ook geldt, zoals Helmut Kohl het zei, de man die er november '89 na de val van de Muur werd uitgejouwd: “Zonder Berlijn was de Duitse eenwording ondenkbaar geweest”.

Er zijn, ongeacht de inhoud van deeslissing die de Bondsdag gisteren nam, nog een paar redenen om het debat goed te noemen. Gelukkig was woensdag al een SPD-pleidooi voor een referendum over De Kwestie, in feite een poging om alsnog de parlementaire verantwoordelijkheid (en de Zwarte Piet) naar elders te verplaatsen, afgewezen. En gelukkig rekende het debat gisteren ook af met allerlei voorafgaande rare suggesties om tussen de duivel en de blauwe zee te bemiddelen en de wetgevingsmachine min of meer gelijkmatig over Bonn en Berjn te verdelen. Zulke suggesties ontstonden de afgelopen weken achter gesloten deuren, namelijk in het besloten en uiteindelijk bijna radeloze overleg van de zogenoemde Verfassungsorgane (bondspresident, kanselier, voorzitters Bondsdag, Bondsraad, Constitutioneel Hof en dergelijke).

Een beetje parlement kan niet akkoord gaan met een compromis-aanbod om naar Berlijn te verhuizen evandaar, op zeshonderd kilometer afstand, met fax, telex en computer, de regering in Bonn te controleren en medewetgever te zijn. De SPD'er Conradi, die het hoge college staatsdienaren onvervaard spottend omschreef als de Organbank, legde uit dat een parlement zo echt niet kan werken en dat de voortdurende aanwezigheid van de regering (en haar ambtenaren) onmisbaar is.

“De opperhoofden kennen ons werk niet, zij zitten in hun wigwam, roken een een pijp, roepen iets naar buiten en denken dat wij dan verder kunnen. Maar dat is niet zo, en wij accepteren dat ook niet”, zei hij. Dat zijn opmerkingen die, welke politieke coalitie ook aan de macht is, Duitse en andere parlementariers niet zo vaak maken. Mede daarom was het best een mooi debat, gisteren in de Bondsdag.