De verkeerde halte

Twee weken geleden was ik samen met een vriend op vakantie in Chicago, de Amerikaanse stad waar de wolkenkrabber is uitgevonden.

We wilden graag het Robie House zien, een gebouw uit 1909 van de beroemde architect Frank Lloyd Wright. Op een rustige zondag gingen we eraar toe. Van een kaartje uit de reisgids wisten we dat het in het zuiden van Chicago lag, op de hoek van een laan en de 58ste straat.

Dat kwam goed uit, dachten we, want op de metrokaart zagen we dat er precies in de 58ste straat een metrostation was. (In Amerikaanse steden hebben de straten vaak alleen nummers. Dat is een beetje saai, maar wel heel handig. Zo weet je tenminste altijd precies waar je bent in een stad. En ook hoeft de straatnaam niet veranderd te worden, als de president of schrijver naar wie de straat is genoemd, later ineens een schurk blijkt te zijneweest.) We verheugden ons op de metrorit. Want in Chigago rijden de metrotreinen boven de grond en dus kun je steeds naar buiten kijken.

Eerst praatten we nog veel met elkaar: kijk, daar heb je het hoogste gebouw van de wereld en kijk, daar ligt ons hotel. Maar buiten het centrum werden we stiller. Plotseling stonden er geen glanzende wolkenkrabbers meer, maar alleen nog leegstaande fabrieken met ingegooide ruiten en dichtgetimmerde runes. Ook waren er veel lege plekken met autowrakken. Alle witte passagiers waren inmiddels uitgestapt en we vielen erg op tussen de zwarte reizigers . Ach, dachten we nog, bij de 58ste straat zal het wel anders zijn. Het Robie House is tenslotte een groot en deftig woonhuis en kan dus nooit in een getto, een arme, zwarte wijk staan.

Maar toen we bij het station van de 58ste straat uitstapte, bleek er niet veel veranderd. We zagen vervallen en uitgebrande huizen en ook weer autowrakken. Echt zo'n griezelige wijk die je wel eens in fis en videoclips ziet. Toch gingen we het station maar uit. We waren nog geen twee stappen buiten of er kwam een grote, dikke, zwarte jongen op ons af. “Hey, whities, wrong stop?, riep hij. (He, witjes, verkeerde halte, betekent dat).

“Nee”, antwoordden we, “Niet echt.” Verderop zat een oude, zwarte man te lachen en we werden gepasseerd door een jongen met een pitbull-terrier.

“Waar moeten jullie dan naar toe?”, vroeg de dikke jongen. “We willen naar het Robie House. D moet hier in de buurt zijn”, zeiden we.

“Het Robie House? Nog nooit van gehoord! Wat is het adres dan?” “Hoek 58ste straat en South Woodlawn-laan, staat hier.”

“Oh man, maar dan ben je aan de verkeerde kant van het park. Zie je dat park daar? Als je dat doorloopt, kom je in de wijk waar de witten wonen. Maar dat zou ik niet doen. Dat is link. Je moet naar de 55ste straat lopen en daar de bus nemen. Die brengt je naar de witte wijk.”

Dat viel mee, wisten we meteen, want van de 58ste naar de 55ste straat is het maar driehonderd meter. En dat konden we makkelijk lopen.

Het was een echte gettostraat waar we doorheen moesten. Links zaten zwarte mannen en vrouwen voor hun krotten in de middagzon. Rechts lagen veldjes waar tientallen zwarte jongens aan het basketballen waren. (Bijna alle goede basketballers zijn zwart in Amerika. Denk maar aan Michael Jordan).

Nand besteedde aandacht aan ons. Iedereen ging gewoon door met wat ze deden. Toch was ik bang. Stel je voor, dacht ik, dat tien van die basketballers om ons heen gaan staan en vervelend gaan doen. Al was het alleen maar voor de grap: wat is er nu leuker dan twee van die witte buitenlanders de stuipen op het lijf te jagen? Mijn vriend vond me maar een aansteller. “Zie je wel”, zei hij toen we eenmaal veilig in de bus zaten, “Er gebeurt helemaal niks. Er wonen reuze aardige mensen in zo'n getto.” Maar hij is n ook heel groot en sterk. Volgend jaar gaat hij voor zijn plezier op vakantie naar Irian Jaya, een deel van Indonesie. De bewoners van Irian Jaya aten niet zo lang geleden nog mensen op. Ik ga niet mee.