De moeder van G.J.P.J. Bolland

Het dagblad Trouw portretteert vandaag de School voor Filosofie. Een merkwaardige instelling. De denkwereld van Plato, zo wordt onderwezen, verschilt niet wezenlijk van de denkwereld van Spinoza en het was niet Kant, maar Leibniz die de Kritik der reinen Vernunft heeft geschreven.

Aldus een der dienstdoende wijsgeren, het dagelijks leven produktmanager voor een groothandel in sportartikelen.

Mijn favoriete filosoof is sinds jaar en dag G.J.P.J. Bolland (1854-1922), een denker met de onsterfelijke verdienste zijn leven lang geen enkele interessante gedachte te hebben ontvouwd.

Neem zijn beroemde Academische Les over 'De Teekenen des Tijds'. Die behandelde de ondergang van de beschaving door de 'verkankerde'

invloed van de grote stad, het 'verkankerde overblijfsel' van de anonische massa, het 'kankergezwel' van de arbeidersklasse en de 'verkankering' van de volksschool, de vrijheid van drukpers en de vrijheid van vereniging en vergadering. Plus de kanker van het internationale jodendom, dat immers in meisjes handelt en de kanker van de krachtwagens, stoomfietsen en damesrijwielen, zijnde een “trillend en schokkend verderver, vooral van den vrouwelijken onderbuik”.

Een van Bollands favoriete thema's was het 'smerige interessante' in de kunst. “Wie schaamt zich nog over het aankken van een modern ballet? En toch tracht dit minder den hartstocht van menschelijke verliefdheid te symbolizeeren, dan de stuiptrekkingen van het bronstige dier in den mensch af te beelden - en op te wekken.”

Hetzelfde onderwerp werd aangesneden in de colleges die hij in het Amsterdamse gebouw 'Odeon' heeft gegeven. Ook toen liet Bolland zijn licht schijnen over de functie van kunst en cultuur “temidden van de betrekkelijke dierlijkheid onzer samenleving”. Eigentijdse muziek, aldus de spreker was ('Sakkerloot nog toe!') eigenlijk niet te verdragen zonder blijvend letsel aan het trommelvlies en de Chinezen “hebben een heel anderen smaak dan wij”. Wijsbegeerte anno 1906. Het enige opmerkelijke van deze colleges was eigenlijk het schutblad van de brochure waarin schriftelijk verslag van het gesprokene werd gedaan. Want daaruit blijkt dat deze colleges zijn 'gestenographeerd door W. Drees', medermant van het bureau 'Drees & Jansen'.

Het oordeel over Bolland loopt dwars door de ideologieen en tijdsgewrichten heen. De Bolland-specialist Boudewijn Buch noemt hem recht-toe-recht-aan “een gek”. Menno ter Braak sprak daarentegen over “de grote Bolland”. W.F. Hermans, zelf filosoof van een niet te onderschatten niveau, rubriceerde hem onder de “grappenmakers waar niemand ooit om zal lachen, gepensioneer sergeants, opgeblazen soutanes, mummelende napraters in vergelijking met de meestal Duitse denkkolossen, waar zij tegen aanleunden”. De katholieke politicus H.J.A.M. Schaepman laakte Bollands “misdadigen waanzin”. B.

Wigersma, die later fascist zou worden, sprak over “den groten, veelal miskenden denker”. De psychiatrisch medewerker van het weekblad Het Leven vermoedde daarentegen een ,kronkel in zijn hersens”. Want: “Zoo ontzaglijk ver gaat Bollands pathologisch ontoerekenbaarheid dat hij meent dat alle stervelingen op de wereltom zijn, uitgenomen hij”. De socialist M. van der Goes van Naters, ten slotte, herinnert zich Bolland als “een van de briljantste hoogleraren van de universiteit”, die echter de merkwaardige hebbelijkheid had dat hij niet kon verdragen dat jongens en meisjes een en dezelfde collegebank deelden.

In de vuistdikke Bolland-bibliografie (want die man kwam zelden woorden tekort) wordt vermeld dat hij in 1908 een ingezonden stuk - zijn enige - publiceerde in het dagblad Het Vaderland. Het ging er de Bordeelenquaestie en er kwamen niet minder dan vijftien reacties op, waaronder een aantal van de lunatic fringe van die tijd. Bijvoorbeeld de reactie van het bestuurslid van de Reinlevenbeweging, die van mening was dat de beste remedie tegen bordeelbezoek de afschaffing van alcohol, vlees en prikkellectuur zou zijn.

Bolland verdedigde tot veler verrassing het bestaansrecht van de prostitutie. “Als ambtelijk leeraar der wijsbegeerte”, schrf hij, “die er van Staatswege voor betaald wordt, dat hij in beginselvragen meer waarheidszin toone dan de brave groote hoop, gevoelt de ondergeteekende zich verplicht, bij dezen openlijk te verklaren, dat hij de beweging tegen de bordeelen weerzinwekkend verkeerd en verderfelijk acht.”

Waarom was deze reactionair en kleinburger in sexualibus in dit geval zo vooruitstrevend?

Willem Otterspeer heeft dit, ten behoeve van de essay-bijlage van De Groene Amsterdammer, uitgezocht.

Zijn bevindingen zijn verrassend.()Bollands vader, een eenvoudige kermisklant, later veldwachter met een wedde van 208 gulden per jaar, stierf jong. Bollands moeder betrok, met haar enige overgebleven kind, officieel een pand in de Groningse Pelsterstraat (de woning van haar moeder) en officieus een pand aan het Groningse Zuiderdiep. Dat was, blijkens een schrijven van de politie aan het gemeentebestuur, een bordeel, waarin zij “aan personen van beideunne gelegenheid (gaf) tot het plegen van ontucht, terwyl zy zelve zich ook aan prostitutie overgaf”.

De moeder van de gevierde filosoof was dus een hoer respectievelijk een hoerenmadam, of het Bollandgenootschap voor Zuivere Rede dit nu aangenaam vindt of niet.

“Heeft de jongen van dertien daar weet van gehad en heeft de ambtelijk leraar der wijsbegeerte ruim vijftig jaar later een kleine hommage aan zijn moeder gebracht”, vraagt Otterspeer.

Het antwoord is, lijkt mij, een ondubbelzinnig ja.