Cyrille Offermans over zware en lichte schrijvers; Weg van het krijgsgewoel

Cyrille Offermans: Openluchtconcert. Uitg. DeBezige Bij. 173 blz. Prijs (f) 32,50.

Terug naar de natuur, zo zou je de boodschap kunnen samenvatten die Cyrille Offermans uitdraagt in zijn nieuwe essaybundel Openluchtconcert. Die boodschap moet niet al te letterlijk worden genomen, want Offermans is wel het tegendeel van een zweverige denker.

Wat hij hier voorstaat is een terugkeer naar een min of meer natuurlijke manier van leven en denken. Wij moeten weer leren kijken naar wat dichtbij is, naar de dingen die ons omringen. De natuur moet hier vooral gien worden als een vrijplaats, waar de mens en dan vooral de kunstzinnige mens kan bijkomen van de aanslagen van de maatschappij waarin hij gedwongen is te leven.

In een van zijn zeven essays zingt Offermans de lof van Vicino Orsini, de man die halverwege de zestiende eeuw de tuinen van Bomarzo aanlegde. Orsini trok zich terug in zijn tuin om te ontkomen aan het zinloze krijgsgewoel. Met deze tuin en met de groteske, raadselachtige beelden die er half in verscholen aan was hij niet uit op roem, maar gaf hij uiting aan een sceptische en relativerende levenshouding. Heel anders is het volgens Offermans gesteld met de hedendaagse kunstenares Niki de Saint-Phalle, die zich liet inspireren door Bomarzo. In haar 'Giardino dei Tarocchi' in het Toscaanse plaatsje Garavicchio, steken de uit synthetische materialen opgetrokken en fel gekleurde beelden brutaal boven de bomen uit. 'Wat een kermis! Wat een geschetter! Wat een imponeerzucht!', gromt Offermans. Hij vindt de beelden et alleen lelijk, maar ook agressief en megalomaan omdat ze zich niet willen onderwerpen aan de natuur, maar er juist over willen heersen.

Offermans geeft in Openluchtconcert blijk van een diepe afkeer van alles wat ook maar zweemt naar het bovennatuurlijke. Want al heeft hij het marxisme dan grotendeels achter zich gelaten, hij staat nog steeds stevig met twee benen op de grond. Een enkele keer laat hij zijn geest eventjes waaien, als hij in navolging van Julio Cortar zijn leermeester Theodor W. Adorno in een speelse episode laat ronddartelen als kat. Maar de onthechte filosoof wordt meestal overvleugeld door de nuchtere materialist. Als hij de Dom van Spoleto bezoekt, dan kijkt hij niet omhoog, maar - als een ondeugend jongetje bijna - alleen omlaag, naar de mozaekvloer die zulke interessante barsten vertoont.

De losgeraakte stukjes marmer, zo suggereert hij, hebben het in de Dom niet zo geweldig naar hun zin. “Ze stan op het punt zich uit de omringende greep van het geheel los te maken en hun oorspronkelijke zelfstandigheid op te eisen.”

Bevrijding en relativering, dat zijn de sleutelwoorden in Openluchtconcert. Ieder mens, zo houdt Offermans ons voor, zou zich moeten bevrijden uit de kluisters van hogere machten en leven naar eigen inzicht. Het belang van dat eigen leven moet hij vervolgens niet overschatten, maar in de juiste, bescheiden proporties zien.

Lichtheid, dat is de houding die een sterveling past. Een scijver, want over literatuur gaat het in deze bundel nog het meest, zou niet moeten streven naar Literatuur, of naar een samenhangend Oeuvre en ook niet naar eeuwigheid, schoonheid en roem. Een verstandige schrijver beperkt zich tot het hier en nu. De door hem gewaardeerde, lichte schrijvers brengt hij samen onder de noemer 'postromantici', al betitelt hij ze in een van zijn zeldzame gekscherende momenten ook wel als 'euwe Relativisten', 'de getemde avant-garde' of 'postdecadente ironici'. Deze postromantici nu houden volgens Offermans meer van grijstinten dan van felle kleuren en meer van ochtendschemering dan van daglicht. Zij huldigen geen 'massieve standpunten', maar schrijven voor eigen rekening en zonder uit te zijn op een lauwerkrans.

Wie zijn toch deze bescheiden figuren, die zo houden van flets, schemerig en onopvallend? Het is een bont, zij het misschien wat Raster-achtig gezelschap dat Of()fermans tot zijn favorieten rekent.

Dit zijn zo wat namen: Bernlef, Breytenbach, Brodsky, Calvino, Enzensberger, Gils, Hamelink, Harmsen van Beek, Kis, Konrad, Konwicki, Kousbroek, Levi, Mutsaers, Schippers, Sloterdijk, Themerson en Vogelaar.

Offermans noemt twee schrijvers (Milan Kundera en Jeroen Brouwers) die niet voldoen aan zijn dictaat van lichtvoetigheid. Maar als er iemand is die tot de zware jongens gerekend moet worden, dan is hij het zelf wel. Zijn stijl, vooral in zijn meer theoretische stukken,s vormelijk en omslachtig. Daarbij heeft hij een voorkeur voor lelijke, zwaarwichtige woorden als 'recentelijk', 'leerproces', 'ervaringspotentieel', 'fricties', 'strategisch', 'destructief', 'individualisering', 'primair' en 'problematiek' (die in een enkel geval wordt 'gedeproblematiseerd'). In het meest gunstige geval hebben zijn zinnen iets parmantigs, bij voorbeeld wanneer hij over de filosoof Derrida opmerkt: “Ik beschouw deze perJH)manente guerrilla tegen de gevestigde betekenissen als verouderd.”

Hompelig Offermans hinkt in Openluchtconcert op twee benen, een ernstig en een frivool been, dat wat korter is. Daardoor maakt de bundel een wat hompelige en samengeraapte indruk. Er staan serieuze verhandelingen in over serieuze onderwerpen, maar ook vrijblijvende, quasi-literaire beschouwinkjes bij portretten van Emo Verkerk en toeristische observaties over het Noorditaliaanse landleven.

Een wat vreemde eend in de bijt is een lange en taaie beschouwing over de verloedering van het literatuuronderwijs, die zo uit een pedagogisch vakblad lijkt weggerukt. Ter illustratie van de verloedering is een eindexamenopstel opgenomen, dat er niet om liegt.

Maar het zijn niet alleen de leerlingen die het moeten ontgelden. De verloedering wordt ook toegeschreven aan luie leraren, de kortzichtige overheid, de markteconomie, die de leraar tot winkelier en de leerling tot consument maakt, de zwakke eindexencommissie en de computer. Na al die narigheid is het verrassend dat Offermans toch nog met een mogelijke oplossing komt voor de malaise. Hij propageert het 'socratische model'. Volgens dat model draagt de leraar, geen eenvoudige opgave lijkt mij, als een hedendaagse Socrates niet alleen kennis over, maar toetst hij die kennis tegelijk op haar bruikbaarheid en relativeert hij haar zonodig.

Relativeren. Ook op dit terrein behoort Offermans niet tot de vedergewichten. Hij heeft een sterke neigi tot stellige en zelfverzekerd klinkende uitspraken die eerder tot een bedremmeld stilzwijgen dan tot overpeinzing aanleiding geven. Het zijn zinnen van dit type: “Er is hier sprake van een cultuurfilosofische onverenigbaarheid van de eerste orde.”

Misschien heeft Offermans ook wel gewoon gelijk en is de toekomst van de literatuur aan de postromantische lichtvoetigen. Als ik met het mes op de keel gedwongen zou worden tot een keuzezou ik me denk ik ook tot hen bekeren, tot de stille, onopvallende, bescheiden en onpretentieuze schrijvers. Maar hoe prettig zou het niet zijn als er daarnaast, alleen al voor de afwisseling, minder bescheiden geluiden te horen zouden zijn: luide, opvallende en desnoods schelle stemmen, blakend van pretentie en eigendunk. Ik dacht trouwens dat het Socrates was, die zijn leerlingen voorhield dat het mooie onverbrekelijk verbonden is met het lelijke, het goede met het kwe en dat dus ook het lichte alleen kan bestaan bij de gratie van het zware.