Toetreding laatste Europese land een van de hoogtepunten op conferentie; Albanie moet op CVSE nog even wennen

BERLIJN, 20 JUNI. De Albanese minister van buitenlandse zaken, Mohammed Kapllani, moest nog even wennen. Nadat zijn Duitse collega, Hans-Dietrich Genscher, gistermorgen de Albanese verklaring had voorgelezen waarin de regering van dat land plechtig instemde met de principes van de Slotakte van Helsinki en het Handvest van Parijs, was er geen enkel beletsel meer voor toetreding van Albanie tot de Conferentie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (CVSE). Terwijl voor het gebouw van de Rijksdag de Albanese vlag werd gehesen, werd Kapllani de zaal binnengeleid waar hij werd verwelkomd door minister Genscher en bodskanselier Kohl. Onder applaus van alle aanwezigen nam de Albanese minister zijn plaats in.

's Middags volgde de ontmoeting met de internationale pers. In afwachting van de gebruikelijke, soms langdurige, inleidende opmerkingen zat die met microfoons, camera's en pennen in de aanslag.

Maar Kapllani had eigenlijk niets te zeggen. “Vraagt u maar ...”, zei de minister. Verwarde stilte onder de journalisten. “Of wilt u misschien dat ik eerst iets zeg?” Stilte. “De Albanese regering vindt de pubieke opinie heel belangrijk. De pers speelt daarbij een cruciale rol. Ik ben blij hier te zijn en dat u naar mijn persconferentie gekomen bent. Ik heb een half uur voor u.”

Dat hielp de vragenstellers op gang. En met een ontwapenende directheid gaf Kapllani vervolgens een uiteenzetting over verleden, heden en toekomst van zijn land. “Ik moet openlijk toegeven dat de tot dusverre gevoerde politiek, waarbij Albanie zelf in al zijn behoeften probeerde te voorzien, contra-prodktief is geweest. Zelfs zeer grote landen zijn afhankelijk van hun betrekkingen met anderen - voor een klein land als Albanie geldt dat al helemaal. Wij zijn rijk aan mineralen, wij hebben een maagdelijke natuur - heel aantrekkelijk voor toeristen - maar een achterlijke technologie. Het kost mij bijzonder veel tijd om hier vanuit Berlijn naar Tirana te bellen. Ik zit soms wel een uur bij de telefoon. Ik hoop dat dit nu snel gaat veranderen.”

Albanie hoopt op niet al te lange termijn lid van de Raad van Europa te kunnen worden, aldus de minister. Ook wil het land zo snel mogelijk een einde maken aan de veelal illegale uittocht van Albanezen. “De vertrouwenscrisis in het land is de belangrijkste reden voor hun vertrek. Dat vertrouwen moeten we nu zien te herstellen. De politieke hervormingen gaan weliswaar snel nu, maar de economische hervormingen niet en daarom vertrekken de ongeduldigen. Om dat te stoppen hebben we hulp nodig van Europa en de VS.”

De toetreding van Albanie was een van de hoogtepunten van de vergadering van de Raad van ministers van de CVSE-landen. De CVSE is nu het orgaan geworden waarin alle Europese landen plus de Verenigde Staten en Canada met elkaar kunnen overleggen over alle kwesties die te maken hebben met de veiligheid en samenwerking in Europa. Het feit dat men het eens kon worden over een gemeenschappelijke verklaring over Joegoslavie en het opgeven van het beginsel van unanimiteit voor het bijeenroepen van ministers of hoge ambtenaren voor spoedoverleg over een crisissituatie, maakt wel duidelijk dat de behoefte aan het bestaan van deze paneuropese organisatie vrij algemeen is.

Van verschillende zijden zijn gisteren dan ook aanbevelingen gedaan voor een verdere versterking van de CVSE-structuur. Van Nederlandse en Belgische kant zijn suggesties op tafel gelegd voor versterking van het Centrum voor Conflictpreventie (CPC) in Wenen, tot de oprichting waarvan vorig jaar november op de Parijse CVSE-top werd besloten.

Volgens het Handvest van Parijs geeft het CPC steun bij de totstandkoming van vertrouwenwekkende maatregelen, zoals de uitwisseling van militaire gegevens. Het handvest biedt echter mogelijkheden voor uitbreiding van deze taken van het Centrum, en daarom heeft zowel de Belgische minister van buitenlandse zaken, Mark Eyskens, als zijn Nederlandse collega, Van den Broek, geopperd dat het CPC zal uitgroeien tot een permanent discussieforum over militaire zaken. Door uitwisseling van informatie over defensieplannen zou een grote mate van inzicht kunnen worden geboden in wat de verschillende landen op dit terrein voor plannen hebben. Het CPC zou bovendien het forum moeten worden waarin na de eerstvolgende CVSE-top, waarschijnlijk in maart volgend jaar in Helsinki, de discussie wordt voortgezet over bewapening en veiligheid. Het CPC zou zich daarmee kunnen ontwikkelen tot een permanent Europees veiligheidscomite.

Van Nederlandse zijde is voorts de suggestie op tafel gelegd dat bilaterale verdragen, voorzover daarin veiligheidskwesties aan de orde komen, tussen CVSE-landen via het CVSE-secretariaat in Praag worden voorgelegd aan de andere lidstaten. Op den duur acht Nederland het zelfs niet ondenkbaar dat voorzien wordt in de mogelijkheid dat de overige lidstaten zich over een dergelijk verdrag uitspreken. Deze suggestie lijkt mede te zijn ingegeven door het bilaterale verdrag tussen de Sovjet-Unie en Roemenie, waarin de bepaling is opgenomen dat Roemenie zich niet mag aansluiten bij een organisatie waarvan de doelstellingen tegen de Sovjet-Unie zijn gericht. De andere Oosteuropese staten verzetten zich overigens tegen een dergelijke bevoogding door Moskou en ook het Roemeense parlement zou moeite hebben met de ratificering van het verdrag.

Minister Van den Broek heeft bij het overleg verder het idee aan de hand gedaan om, naar het voorbeeld van het EG-voorzitterschap, een soort trojka te vormen van de vorige, de huidige en de eerstvolgende voorzitter van de CVSE-raad, die zich in voorkomende gevallen zou kunnen bezighouden met onderzoek en bemiddeling bij conflicten.

Er mag dan in Berlijn een eerste aanzet gegeven zijn tot paneuropese samenwerking, er mogen dan talrijke ideeen op tafel gelegd zijn voor versterking van de CVSE-structuur, meer dan een organisatie waarvan de leden een appel op elkaar kunnen doen is de CVSE vooralsnog niet. Ook nu de mogelijkheid is geschapen dat een deel van de leden om spoedoverleg kan vragen blijft bij dat overleg de regel van de unanimiteit gelden. In Berlijn is tevens duidelijk geworden dat nationale minderheden in de lidstaten vooralsnog niet rechtstreeks vertegenwoordigd zullen worden bij het CVSE-proces. Met succes verzette de Sovjet-Unie zich tegen de status van speciale gast voor de 'ministers van buitenlandse zaken' van Estland, Letland en Litouwen: Meri, Jurksans en Saudargas. Zij moesten worden opgenomen in de Scandinavische en Belgische delegaties om aanwezig te kunnen zijn in Berlijn. Maar ondanks dat alles lijkt na het Berlijnse overleg de conclusie gerechtvaardigd dat het proces dat in 1975 in Helsinki is begonnen, aanzienlijk meer heeft opgeleverd dan de sceptici van toen ooit hadden gedacht.