Rijtuigmanie

Op 18 maart 1662 werd in Parijs om zeven uur 's morgens in aanwezigheid van een enorme en enthousiaste menigte een publieke vervoersdienst geopend door de stedelijke autoriteiten. Op dat tijdstip vertrokken twee karossen, elk met acht zitplaatsen, om een van tevoren vastgelegd traject op vaste tijden af te leggen voor passagiersvervoer tegen een tarief dat vijf stuivers voor de langste afstand bedroDe onderneming opereerde in principe als een moderne busdienst. In het begin was het succes overweldigend, en ook de koning, Lodewijk XIV, maakte een ritje in een van de 'carrosses a cinq sols', en hierin werd hij daarna door vrijwel zijn gehele hofhouding gevolgd.

Het initiatief tot de oprichting van deze dienst was uitgegaan van een toen ook al beroemd man, de wonderbaarlijk begaafde wiskundige, re(Jgie-filosoof, natuurkundige en uitvinder Blaise Pascal. Enkele van zijn hooggeplaatste vrienden en kennissen, de hertog de Roannez, gouverneur van Poitou, de markies des Sourches, grootprovoost, en de markies de Crenan, opperhofschenker, hadden een 'comite van aanbeveling' gevormd dat de Parijse aristocratie ertoe bewogen had de onderneming financieel te steunen (Pascal, 1963).

Vijf maanden na deze opening overleed Pascal op 39-jarige leeftijd, maar voor hij stierf was de belangstelling voor de vijfstuiverskarossen al tanende, en een jaar later was de onderneming opgeheven wegens gebrek aan belangstelling. Pas in 1828 werd het principe van de vaste lijndienst in de stad weer ingevoerd in Parijs met de 'omnibus', een initiatief van de uit Nantes afkomstige aannemer Baudry dat een jaar later in Londen door een zekere Shillibeer nagevolgd werd.

Deze wedergeboorte van de vijfstuiverskaros bleek een blijvend succes. Omdat die eerste vervoersdienst uit de 17de eeuw maar zo kort bestaan heeft, zijn we niet goed op oogte van het type karos dat werd gebruikt. De tijdgenoten merkten nu eenmaal de schitterend geborduurde lange blauwe jassen van de koetsiers eerder op dan technische bijzonderheden van de rijtuigen.

Toch is er een goede reden om aan te nemen dat die rijtuigen volgens de allerlaatste inzichten waren gebouwd, want twee leden van Pascals comite, de Roannez en de Crenan, waren enkele jaren later bekend als uitvinders of promotors van naar hen genoemde tweewielige rijtuigen naam van Pascal zelf, trouwens, werd later wel in verband gebracht met de 'brouette' of 'vinaigrette', een eenpersoonskoetsje dat als een riksja door een man werd voortgetrokken, maar waarschijnlijk is dit ten onrechte, en had Pascal hier niets mee te maken.

Dat we wat meer weten van de 'crenane' en van de 'machine roannesque' is te danken aan het toeval dat Christiaan Huygens zich in april 1666 in Parijs vestigde, en dat hij een levendige belangstelling aan de dag legde voor nilleen mathematische en fysische zaken, maar ook voor rijtuigen. Hij correspondeerde over dit onderwerp vooral met zijn zwager Philips Doublet, die met zijn zuster Suzanne was getrouwd, en met zijn jongere broer Lodewijk. Uit de correspondentie komt een milde vorm van bezetenheid met dit onderwerp naar voren, geheel analoog aan de automobielmanie die in onze tijd ook niet zeldzaam is.

De Huygensen waren, sinds grootvader Christiaan secretaris van Willem de Zwijger was, en vader Constantijn daavan Maurits en Frederik Hendrik, vermogend en dertig geworden (dat is niet altijd hetzelfde).

Ze correspondeerden onderling in het Frans, zoals het toen lieden van stand betaamde, een stand die was bevestigd door de aankoop van middeleeuwse heerlijkheden. Zo waren Christiaan en Lodewijk 'heren van Zuylichem', en ook hun zwager Doublet mocht zich 'heer Moggershil'

noemen. Christiaan noemt hem in zijn brieven niet alleen 'le frere de Moggershil', maar ook 'le frere Unicus' - een grapje op zijn familienaam -, en ook 'surintendant des carosses', waarschijnlijk omdat hij wel het ergste leed aan de rijtuigmanie, en telkens nieuwe rijtuigen ontwierp en beproefde.

Christiaan kon zijn zwager Doublet al spoedig een schets sturen - op 18 juni 1666 - van de 'machine roannesque'. Hij had een week gelogeerd bij de uitvinder, maar was desondanks niet erg enthousiast: het rijtuig was opgebouwd uit te veel onderdelen, zo meende hij. De carrosserie was aan de achterzijde opgehangen aan twee schuine verende houten balken van vier voet lengte, aan de voorzijde aan staanders waar ook de zetel van de koetsier op was bevestigd. De lemoenen of fleches waren zo dun dat ze ook tot de vering bijdroegen.

Voor hij zich in Parijs vestigde had hij al een negatieve opinie vernomen over deze sjees (dit is een licht verbasterde samentrekking van 'chaise roulante', rijdende stoel) in een brief uit Lo van 7 november 1664 van de hand van sir Robert Murray. Hij was een van de oprichters van de Royal Society, de Engelse academie van wetenschappen die in 1660 door Karel II officieel was gesticht. Murray schreef over een exemplaar van de 'machine roannesque' dat ''de Koning en al degenen die in die van de Koningin-Moeder zijn geweest, en zelfs degenen die hem (alleen maar) gezien hebben, er zo afkerig van zijn - sommigen laken de schommelingen , het veelvoud van bewegingen waar men tegelijkertijd aan is onderworpen, anderen de laagte ervan, weer anderen de vorm, dat wil zeggen het lelijke uiterlijk - dat men niets verwachten mag van het gebruik hier.''

Echt enthousiast was Huygens wel over het rijtuig dat de naam van de markies de Crenan droeg, 'la crenane'. Volgens Edgar de Geoffroy (1936) was de uitvinding oorspronkelijk van een heer Dubois La Grugere, die deze had afgestaan aan de markies. In elk geval schreef Christiaan op 6 augustus 1666 aan zijn zwager: ''... ik r je een tekening die ik vanochtend naar de werkelijkheid maakte van een Cariole die me zeer goed en juist gemaakt lijkt, en die ik acht waard te zijn dat je er aandacht aan schenkt en misschien wel namaakt. Let op die stukken hout, die in het profiel van achteren komen en waar de wielas aan is bevestigd. Op deze wijze benadert men de wielen van de sjees wat betreft het verlichten van de last op het paard, en toch behouden de fleches hun gehele lengte, en buigen even diep door als wanneer de wielen aan hed zouden zijn aangebracht. Je zult deze uitvinding niet als slecht beschouwen, evenmin als de vorm van de sjees die me toelijkt meer gratie te bezitten dan alle andere die ik heb gezien; dit is de reden dat ik alle maten heb aangegeven. Ze is aan de fleches bevestigd, niet zoals de jouwe die plat van onderen is, maar ze komt een beetje omhoog van voren en van achteren, zodat er geen hinder wordt ondervonden van deing van de fleches, en deze worden ook het buigen niet belet; daarom staan de bevestigingsbouten dicht bij elkaar, op een afstand van niet meer dan een voet. De maten zijn in Rijnlandse voeten, en uit de figuren begrijp je de rest wel.''

Een cariole, zo blijkt uit een latere brief, was een algemene aanduiding voor een tweewielig rijtuig, en de Rijnlandse voet was toen de in Nederland de meest gebruikte lengtemaat, 31,4 cm lang. Waar Chritiaan niet op rekende was dat Doublet niet veel mechanisch inzicht bezat, en volstrekt niet begreep waarom het paard niet zo zwaar belast werd als wanneer de wielen aan de achtereinden van de fleches waren bevestigd. Hij moest Doublet hier nog twee keer over schrijven.

De eerste keer verzekerde hij hem dat het echt waar was, en hij voegde er enigszins tactloos aan toe dat de moeilijkheid in Doublets gebrekkige kennis lag. In de tweede brief is de toon nog ongeduldiger: ''Ik verbaas me dat je niet uit jezelf begrepen hebt w bij de cariole waarvan ik je een afbeelding stuurde, op het paard minder gewicht rust dan bij een waar de wielen zich helemaal achteraan bevinden.''

Daarna probeerde hij het nog een keer uit te leggen, waarschijnlijk zonder succes.

Overigens zag Huygens het op dat tijdstip niet als gewenst dat de last, dat wil zeggen de passagier, zich precies boven de as bevond, want dan maakte hij bij het rijden over een hobbelige weg in eerste instantie dezelfde bewegingen als de as, zij het dan verzacht doorering. Bevond hij zich op de fleches in een positie halverwege paard en as, dan waren daar de bewegingen van de as maar half zo sterk voelbaar. Een overweging die ook een moderne buspassagier een voorkeur doet geven voor een zitplaats tussen de voor- en achterwielen. Een belangrijk voordeel van dit type vering zag Huygens later nog in het feit dat de wagenbak alleen maar op en neer kan gaan, en niet zijwaarts kan selen, maar hij had toen ondertussen meer kennis opgedaan wat betreft het gedrag van rijtuigveringen. Hij trachtte die kennis te vergroten door ontwerpers en gebruikers uit te vragen, want, zoals hij aan 'le frere Don Louis' (broer Lodewijk) schreef: ''Er is niets dat boven de ervaring gaat in dit soort zaken.''

Onderschriften figuren. Verende Wagens. I. Rijtuigmanie.

Figuur I.1.

Christiaan Huygens: 'La machine Roannesque'. (Hug. 45, U.B. Leiden)

Figuur I.2.

Maatschets van de sjees van de markies de Crenan, door Christiaan Huygens. (Hug. 45, U.B. Leiden)

Figuur I.3.

Christiaan Huygens: aanzicht van de 'crenane'. (Hug. 45, U.B. Leiden).