P.J. Koets; Anti-intellectualisme bij Provo was doodgevaarlijk

Deze maand is het precies vijfentwintig jaar geleden dat de jaren zestig in Nederland tot een hoogtepunt kwamen. De kranten stonden vol over het Gemini-project, de voorbereiding voor de eerste maanlanding, de introductie van de mini-rok leidde tot heftige discussies en op de 14de juni 1966 brak in Amsterdam een straatoproer uit dat uiteindelijk leidde tot het aftreden van burgemeester Van Hall. Hoe kijken betrokkenen vandaag de dag terug op die woelige jaren? In de negende aflevering van deze serie dr. P.J. Koets (89), destijds wethouder van onderwijs (PvdA) en loco-burgemeester van Amsterdam.

ELLEMEET, 20 JUNI. “Fijn, dacht ik, hier komen we mooi uit. We hadden Beernink, de minister van binnenlandse zaken, voorgesteld Van Hall met ere te laten vertrekken. Geef hem drie maanden, zeiden we - laat hem zelf zijn afscheid aankondigen. Beernink vond het een 'vruchtbare, overwegenswaardige gedachte', zei hij. Ik en mijn collega-wethouders verlieten ontspannen het Binnenhof.

“Tijdens de lunch, diezelfde dag, word ik gebeld: Van Hall. Hij was bij Pietje de Jong, de premier, geweest en deze had hem geen keus gelaten: neem zelf ontslag of je krijgt het - nu. Wel ge-ve-de!

Diezelfde middag heb ik ter persconferentie gezegd dat Beernink me 'grotelijks belazerd' had. Ik was een deftig man, dus ik kon me een ondeftig woord permitteren, hoewel ik in werkelijkheid meende dat ik zwaar verneukt was.

“Ik bechouw Van Hall als een miskende figuur. Zijn partij viel hem niet bij. In de tweede helft van de jaren zestig was hij verbruikt. We spraken daarover in het college van B. en W., hij was daar zelf bij, en we concludeerden dat zijn tijd voorbij was, dat hij 'expendable'

was. Het betrof niet zozeer een gevolg van het Telegraaf-oproer of de problemen met het huwelijk van Beatrix en Claus - het probleem met Van Hall was algemener. Hij voelde de geest van de tijd niet meer aan. Hi was een vierkante man die door een rond gat moest.

“Toen ik begin jaren zestig wethouder werd, was ik zo'n tien jaar terug in Nederland. In die periode werkte ik als hoofdredacteur bij Het Parool: de jaren van opbouw, Drees, handen uit de mouwen. Een positieve tijd. Mijn vrouw en ik waren in 1929 naar Indonesie vertrokken, we hadden toen de overtuiging dat in Nederland diepgaande veranderingen nodig waren. Er kwam hier nog mensonterende armoede voor, mensen edelden op straat. Na onze terugkeer in de jaren vijftig verdween dat allemaal. Nederland was sociaal-democratisch, de AOW werd ingevoerd. Zoveel vooruitgang, we waren verwonderd en trots tegelijk.

“Iemand zei me destijds: Nederland is een echt middenstandsland - van de bakker op de hoek tot de koningin in paleis Noordeinde. Dat is waar. En ik paste daarin. Ik ben een middenman. In 1917, na de Russische revolutie, heb ik een jaar of wat met het puberale idee rondgelopen dat er een nieuwe wereld kon komen. Maar nadien ben ik - onder invloed van Britse socialisten als H.G. Wells en Shaw - in geleidelijke veranderingen gaan geloven.

“Dat wisten ze van me, toen ze me vroegen wethouder te worden. Den Uyl was een van degenen die me voor de functie polsten. Na tien jaar Het Parool wilde ik eigenlijk naar de provincie, maar ik liet me overreden. Ik mocht Den Uyl graag, maar onze stijl was nogal verschillend. Spreken met een sigaar in de mondhoek: dat kwam mij niet werkelijk behoorlijk voor. En hij had een nogal opportunistische kant, een geweldig politiek Fingerspitzengefuhl. Hij doorzag symptomen van maatschappelijke veranderingen.

“Ik kan niet zeggen dat ik de opkomst van Provo en de Kabouters voorzag. Bepaald niet. Ik had ook geen contact met ze, noch met de dolle lieden die hen omringden. Zo'n Jan Cremer, die zich bij u in de krant de infantiele opmerking permitteerde dat door hem alle veranderingen in de jaren zestig zijn ingezet: jongens als hij kende ik niet. Nu ja, in de raad zat op zekere dag zo'n Kabouter. Hij stelde in een commissievergadering de vraag of er een bloempje op tafel kon.

Ach gunst, dacht ik, die kinderen. “Ik was veel meer bezorgd over de Boerenpartij, die in '67 met vier zetels in de raad kwam. Dat vond ik een gevaarlijk stel lieden, het leken me poujadisten. In de jaren twintig had ik in Berlijn de nazi's aan het werk gezien; bijna niemand voorzag op dat moment dat ze zoveel macht zouden krijgen. Daar moest ik bij die boeren aan denken. Maar ze hadden na twee weken al ruzie en 't is nooit meer iets met ze geworden.

“Ook het anti-intellectualisme bij Provo vond ik doodgevaarlijk. Ze waren te emotioneel, hadden te weinig aandacht voor de ratio.

“In tegenstelling tot het Telegraaf-oproer - toen was ik met vakantie - heb ik de bezetting van het Maagdenhuis van zeer nabij meegemaakt.

Samkalden (de opvolger van Van Hall, red.) bevond zich niet in de stad, hetgeen bewijst dat die bezetting geheel onverwacht kwam. Als loco werd ik als een bliksemslag door het bericht getroffen. In een overleg zei de hoofdcommissaris me dat bij een ingrijpen bloed zou vloeien, waarna we besloten het gebouw te omsingelen. Toen de problemen de volgende dag aanhielden, heb ik gezegd: we halen die rotjongens eruit. Nooit heb ik er spijt van gehad. De verlangens van de studenten waren niet onredelijk, maar hun methode van verzet vond ik buiten proportie.

“Na acht jaar wethouderschap, in 1970, was mijn tijd was gekomen. Ik wilde nu echt naar de provincie, naar Ellemeet in het Zeeuwse land, waar ik niet meer ben vertrokken. In mijn partij kregen die wilde Nieuw Links-jongens de overhand. Ze hadden aanvankelijk wel een nuttige functie, mijn generatie was zelfgenoegzaam geworden. We hadden voor ons gevoel alles bereikt: de oorlog overleefd, de armoede weggewerkt en ook nog de AOW ingevoerd. We zagen niet dat die enorme sociale vooruitgang die we het land hadden bezorgd, voor de nieuwe generatie niet genoeg was. Ze hadden niet geheel ongelijk, maar hun stijl blijf ik verwerpen: ze wilden te snel. Kort na mijn vertrek uit Amsterdam heb ik met de PvdA gebroken, toen onder druk van Nieuw Links het NAVO-lidmaatschap ter discussie kwam. Dat vond ik werkelijk te ver gaan.

“In links-intellectuele kring zijn de jaren zestig altijd geromantiseerd. Maar zoveel stelden ze niet voor. Nederlanders zijn zo intens provinciaal, valt me steeds weer op. Terwijl men zich op Amsterdam concentreerde, gebeurden in de rest van de wereld veel belangrijker zaken, maar daar had men geen weet van. Amsterdammers hebben dat toch: het idee dat buiten de stadsgrenzen alleen maar hufters wonen. Daar kan niets gebeuren.

“Of de jaren zestig dan niets positiefs hebben opgeleverd? De democratisering was op zichzelf goed, maar ik vond het geen vooruitgang dat de lieden met een grote bek voortaan de meeste aandacht kregen. Hoeveel geklets hebben we niet aan moeten horen?

Maar ik geloof alleen dat het weer mindert. Dat het land meer gaat geloven in rust en geleidelijkheid. Ja, de PvdA ook. Op zich voel ik geen bezwaar me weer aan te sluiten. Maar een man van mijn leeftijd die zich als lid aanmeldt, dat is toch lachwekkend?''